'Onze aanwezigheid schept vertrouwen'

De Nederlandse mariniers op de basis Jezero in voormalig Joegoslavië, proberen de bevolking weer een beetje vertrouwen te geven. Verdreven Servische Bosniërs durven langzamerhand weer terug te komen.

JEZERO, 14 FEBR. De Britse luitenant Russell scheert met zijn Sea King helikopter langs de steile besneeuwde bergwand. Vlak vóór aankomst heeft hij nog een oranje lichtgranaat afgeschoten, maar niemand weet waarom. Hij landt in de modderplassen van de basis Jezero. Op de hoeken van het veldje staan Nederlandse mariniers met een brandblusapparaat. De grote wiek blijft draaien en in een wolk van kerosinedamp, modder en sneeuw vluchten de Nederlandse bezoekers onder leiding van minister Voorhoeve van Defensie uit de heli naar een hoek van het veldje. Buiten staat een aantal Bandwagons. Met hun rupsbanden kunnen deze Zweedse voertuigen gemakkelijk door de hoge sneeuw richting oude camping rijden. Daar staan de mortieren van de speciale marinierscompagnie opgesteld.

Op Mount Igman buiten Sarajevo deden de mariniers enkele maanden geleden het echte werk. Hier zijn ze alleen aanwezig om te laten zien dat ze er zijn. De drie mortieren worden herhaaldelijk verplaatst naar moslimterrein, naar het Kroatische deel en naar het nieuwe stuk dat de Serviërs bij Mrkonjic Grad terugkregen.

Sergeant H. Veldhuis uit Veenendaal zegt, verscholen onder een wit camouflagenet: “Het is mooi om de spullen te showen die je hebt meegebracht. Maar als het moet, is het menens. En je merkt aan de bevolking dat ze het prachtig vindt dat we er zijn”.

De mariniers verblijven op een groot stuk terrein dat de Kroaten hebben moeten ontruimen. Er bleef weinig heel toen ze enkele weken geleden hun aftocht bliezen. De Nederlandse aanwezigheid schept weer wat vertrouwen. Veldhuis: “Op zondagen komen hier verdreven Servische Bosniërs uit de omgeving van Banja Luka met een touringcar eerst een dagje kijken hoe het hier is. Soms komen ze al dezelfde week definitief terug in oude auto's om in hun platgeschoten huis orde te scheppen. Van de 30.000 die gevlucht waren, zijn er nu vijfhonderd terug. Iedere week zie je meer wasgoed en meer rook van verbrand afval.”

Korporaal Van Leeuwen uit Zevenaar kijkt tevreden naar de witte bergen. “Echt in actie zijn we niet gekomen. De partijen houden zich goed aan het akkoord van Dayton en ze wekken de indruk wat moegestreden te zijn. Maar de winter is de kalme periode. De vraag is wat er in het voorjaar gaat gebeuren.”

Van Leeuwen loopt weg, omdat er in de YPR-gevechtswagen rode lampen gaan branden. “Oefening”, roept hij naar zijn groep van acht man. Zelf wurmt hij zich met zijn lange lichaam achter de richtkijker. Een marinier leest uit de gevechtswagen van de computer de schietgegevens voor. Buiten worden ze hard herhaald en de richtkijker wordt ingesteld. Maar de coördinaten zijn een stukje ingewikkelder vandaag. Twee mariniers tillen de banden uit de sneeuw en geven de richtpijp een ruk. De vijand zit in een compleet andere hoek. De oefening loopt af als de mortiergranaat bij de richtpijp is gebracht.

De drie 120 mm mortieren worden gebruikt om indruk te maken. De drie andere 120 mm mortieren kunnen binnen dertig minuten onder een helikopter worden gehangen om ergens anders vuursteun te kunnen geven.

De mariniers oefenen drie tot vier keer per dag, plegen onderhoud en doen andere routine-excercities. “Het wordt straks moeilijk om de mannen scherp te houden”, zegt majoor Bergsma. “We kwamen hier oorspronkelijk voor een gevechtstaak. We zullen het nuttig moeten houden en dat is op den duur niet eenvoudig.”

Bij aankomst is al gezegd dat het voornamelijk om uitstraling gaat, zodat de strijdende partijen na de winter niet opnieuw incidenten veroorzaken. Of zoals op het prikbord in de eetzaal van het basiskamp onder een grote tekening van een gevleugeld beest staat: “Ooit een haan horen zeggen dat hij vroeger een eitje was?”