NOS werpt voorkeursrecht in voetbalstrijd

AMSTERDAM, 14 FEBR. Bij zwaar weer “is het typerend voor onze omroep dat niet de programmamakers opdracht kregen het tij te keren maar juristen”. Dit merkte de scheidende voorzitter van het Commissariaat voor de Media, A. Geurtsen, op in zijn toespraak tijdens het nationaal omroepcongres in september. Deze karakteristiek is zeker van toepassing op de strijd om het televisievoetbal die de KNVB heeft doen ontbranden. Geurtsen heeft de nieuwe sportzender fijntjes herinnerd aan het voorkeursrecht dat de NOS volgens de Mediawet van 1987 geniet.

Dit recht geeft de NOS voorrang bij de uitzending van evenementen die zich bij uitstek lenen voor “de gezamenlijkheid”, zoals de NOS van oudsher in Hilversum heet. Om welke categorieën het gaat, wordt door de regering opgesomd in het Mediabesluit. Behalve de parlementaire verslaggeving en het volgen van staatsbezoeken is ook “de actuele sportverslaggeving” aangemerkt als een typische NOS-taak. Deze omvat volgens het besluit “in ieder geval de competitie- en bekerwedstrijden en internationale evenementen”.

Wanneer een commerciële zender of een aanbieder van abonneetelevisie een dergelijk programma-onderdeel exclusief wil brengen, is hij verplicht dit tijdig te melden aan de NOS, zodat deze zendgemachtigde of een van de afzonderlijke Hilversumse omroepen het programma alsnog kan opeisen. Voorzover bekend is deze bepaling nog nooit formeel ingeroepen. Zij geldt ook alleen voor de in Nederland toegelaten commerciële omroep. De RTL-zenders zijn formeel Luxemburgse stations en hebben er geen boodschap aan.

De nieuwe sportzender kan natuurlijk ook zo'n U-bochtconstructie proberen (vanuit Nederland via een officiële buitenlandse omroep zenden naar Nederland) maar dat is minder eenvoudig dan het lijkt. Joop van den Ende, een van de deelnemers in de nieuwe sportzender, heeft dat in 1989 ervaren. Zijn nieuwe zender TV 10 werd geweigerd terwijl RTL-Véronique werd toegelaten.

Als het sportkanaal als Nederlandse omroepinstelling wil worden toegelaten komt het Commissariaat voor de Media in het spel. Dit heeft het recht een vergunning te weigeren “indien redelijkerwijs valt te verwachten” dat de kandidaat zich niet aan zijn verplichtingen krachtens de mediawetgeving zal houden. Tot die wettelijke verplichtingen behoort het voorkeursrecht van de NOS.

De nieuwe aandacht voor het voorkeursrecht maakt het opeens een stuk begrijpelijker dat directeur Hendriks van de sportzender in de eerste publiciteit zo opmerkelijk scheutig deed over sublicenties - het overnemen van bepaalde items, uiteraard tegen betaling, door de publieke omroep. Hoe meer de NOS van deze mogelijkheid gebruik maakt, des te minder kan men zich beroepen op een voorkeursrecht.

Op zijn beurt is dit recht niet zo stevig als het er uit ziet. “Een dergelijke bevoorrechting van het publieke bestel lijkt niet toegestaan, ook al staat het in de wet”, was het harde oordeel van de Haagse advocaat I.G.F. Cath op een studiedag in 1990. Hij kritiseerde het voorkeursrecht als “een verkapte vorm van onteigening zonder schadevergoeding”, die bovendien al gauw in strijd komt met de Europese mededingingsregels.

Het voorkeursrecht heeft wel al jaren een precedent in Groot-Brittannië. Daar moet de BBC het overigens delen met de commerciële etheromroep ITV. Bovendien is het beperkt tot acht top-evenementen zoals de Olympische spelen, Wimbledon en de Cupfinales. Ook hiervan is gezegd dat het zich niet verdraagt met het Europese recht, maar tot een serieuze zaak is het voorzover bekend niet gekomen.

Europese toetsing heeft een nieuwe actualiteit gekregen. De Europese Commissie in Brussel heeft het Nederlandse mediabestel ontdekt, zoals de Holland Media Groep (ook met Endemol) nog slechts onlangs aan den lijve heeft ervaren. Eurocommissaris Van Miert (mededingingsbeleid) kwalificeerde het nieuwe mediaverbond als te “dominant” en verbood het simpelweg. In het geval van het nieuwe sportkanaal kan dit criterium nog tot een aardig zwarte pietspel leiden.

De nieuwkomer wacht zelf een tocht naar Brussel om uit te leggen waarom met name de deelname van de KNVB geen misbruik van een machtspositie vormt. Maar als het Commissariaat c.q. de NOS een hard punt van het voorkeursrecht maakt, zal de sportzender dit op zijn beurt zeker aan de kaak stellen als een vorm van concurrentievervalsing ten gunste van het publieke bestel.

Nederland zal daar ongetwijfeld weer tegenin brengen dat het voorkeursrecht een algemeen belang dient. De commerciële omroep is uitsluitend mogelijk op de kabel en bereikt niet het hele publiek, zei de regering bij de verdediging van het voorkeursrecht. Maar dit argument schoot advocaat Cath helemaal in het verkeerde keelgat. Dat het algemene publiek niet volledig door de commerciële omroep kan worden bediend valt niet deze omroep te verwijten, maar de staat die haar eenzijdig de ether heeft ontzegd.

Dat de commerciële omroep in Nederland is veroordeeld tot de kabel levert nog een ander juridisch strijdpunt op: de toegang tot de netten. Toenemende wrijving tussen kabelexploitanten en aanbieders heeft al geleid tot rechtszaken. Het standpunt van minister Wijers van Economische Zaken (en mededinging) is dat de toegangscondities in beginsel een kwestie zijn van “vrije onderhandelingen”. Een recent rapport in opdracht van de vereniging van aanbieders van satelliet-programma's VESTRA klaagt echter over juridische onzuiverheden. Dat slaat dan vooral op de “hybride positie van de kabelexploitant”, die als beheerder van de kabelinfrastructuur teveel wordt betrokken bij het verzorgen van programmadiensten.

De organisatie van kabelexploitanten Vecai noemt het daarentegen juist onmisbaar dat exploitanten de vrijheid krijgen elke dienst te kunnen aanbieden. Ook het kabinet heeft “een elkaar uitsluitend onderscheid” niet reëel genoemd. Des te opmerkelijker is het dat de Vecai nu een markant gebrek aan animo om in de nieuwe sportzender te stappen aan den dag legt.

    • F. Kuitenbrouwer