Ingetogen bewening

Kijk nu toch eens, kijk nou! Zo wil iemand steeds roepen die een ander duidelijk probeert te maken hoe bijzonder een schilderij of voorwerp is. Maar het helpt niet. De ander ziet gewoon een oud plaatje uit een kerk of, met iets meer verstand, het werk van een Vlaamse primitief. Ja hoor, mooi.

Als het alleen maar om het kijken ging, zagen wij allemaal hetzelfde, en zo is het niet. Woorden moeten te hulp worden geroepen om iemands ogen te openen. De boodschapper - overhaler, smekeling - moet gebruik maken van tactiek. Zoals wanneer iemand zijn chef om een loonsverhoging wil vragen. Het moment wordt zorgvuldig gekozen, elk woord gewogen. Kijk, die vrouwen in droevige S-bochten geven bewogenheid aan dit altaarstuk. Kijk, van dit werk van Van der Weyden had mijn grootvader een prentje op de piano staan.

Er is maar één geval waarin de geest wagenwijd openligt voor andermans pogingen om een extra dimensie te geven aan het kijken, horen of lezen. Dat is wanneer iemand verliefd is, of iets voelt wat daarbij in de buurt komt. In die toestand is men op welhaast pathologische wijze ontvankelijk voor wat er in de ander omgaat, en dus ook voor wat hem of haar ontroert. Annie Schmidt heeft dat effect vrolijk verwoord in een gedicht dat begint met 'Toen ik verloofd was met René/ die zoveel hield van Hemingway,/ las ik het werk van Hemingway/ omdat dat werk me zoveel dee...'

Bereidwilligheid om met andermans ogen te kijken is een van de mooiste kanten van de liefde. De transplantaties van ontroering die het gevolg zijn, zijn soms geslaagder dan de liefde zelf. Buiten die ideale omstandigheden is voor zo'n operatie altijd een beetje geluk nodig.

Deze Bewening van Christus door Rogier van der Weyden (ca. 1399-1464) is gebrek aan expressie verweten. Er is zelfs geopperd dat hij haar helemaal niet zelf geschilderd heeft: denkbaar, want niet één van zijn werken is gesigneerd of gedateerd. Rogier is nog obscuurder dan Vermeer. Misschien is het uit vaderlandslievendheid, dat Nederlands beste kenners verklaren dat dit enige schilderij van de meester dat Nederland bezit, authentiek is.

Het is inderdaad een ingetogen tafereel, waarop niemand echt ontzet lijkt over de gewelddadige dood van de Heer. Maria Magdalena dept discreet haar ogen, en Nicodemus, die een punt van de lijkwade optilt, grijpt naar zijn hoofd bij de gedachte aan het geharrewar dat rond die doek nog zal ontstaan, later. De neutrale blik van de bisschop rechts verbaasde mij als kind al. Hij hoort er maar half bij, dat kon ik zien. Maar wat begrijp je van de emoties in een voorstelling van vijf eeuwen oud?

Het schilderij hangt in het Mauritshuis, waar over twee weken het Vermeer-gedruis losbarst. Wie straks rust zoekt kan het op de eerste verdieping gaan bekijken. En zien wat op een briefkaart wegvalt: de tranen op de wangen van de heilige vrouwen links en van Johannes, die de mede-lijdende moeder Gods vasthoudt. En voelen hoe je ogen aangezogen worden door dat akelige gat in Jezus' borst, waaruit strepen bloed zijn gelopen. De wonden in de voeten zijn zo mogelijk nog erger. Maar verder is de sfeer stil en sereen. De schilder had rust genoeg voor kastelen, een landschap, een duiventil rechts op de berg.

Wat zegt het toch weinig als je zegt dat een schilderij rust ademt. In de vier zalen waar de Vermeers hangen wordt het straks drukker dan iedereen lief is; toch zullen de schilderijen ook daar rust blijven uitstralen. Maar wel een ander soort rust dan die van Rogier. Vermeer is modern vergeleken bij hem. Rogier begrijpen wij nog veel minder. Zijn sereniteit houdt ons op een afstand, zoals die van Vermeer ons verleidt om te denken dat we zó het schilderij in kunnen wandelen.

Zo zou je het althans kunnen zeggen; alle formuleringen schieten tekort. De woorden jagen beelden achterna, schrijft de dichter J.J.A. Mooij, maar hun moeite is vergeefs. Beelden zijn niet door woorden te vangen. Het kan geen kwaad om dat tot je door te laten dringen in een tijd waarin elke armzalige gedachte uitentreuren verwoord wordt, en waarin de kunst vaak bezwijkt onder de interpretaties voor- en achteraf. Het woord moet zijn plaats kennen. En een onbelangrijker plaats dan naast een schilderij als dit is er eigenlijk niet.

    • Ileen Montijn