'Cricketteam staat nu eigenlijk nergens'

DEN HAAG, 14 FEBR. Zo'n tachtigduizend toeschouwers zullen aanwezig zijn wanneer Nederland op 26 februari in het cricketstadion van Lahore tegen Pakistan speelt. Voor de goede orde: dergelijke aantallen cricketfans komen bij elke thuiswedstrijd van Pakistan, ongeacht de tegenstander. Tim de Leede schiet in de lach als hij zich een voorstelling probeert te maken van de taferelen waarvan hij straks getuige is. “Eigenlijk moet je daarna met cricket stoppen. Stel je voor dat je vijftig runs maakt. Dan kun je de rest van je leven op vakantie in Pakistan. 'Aaah, you! De Leede!”'

Nederland doet voor het eerst in de geschiedenis mee aan het wereldkampioenschap. Het evenement wordt verspeeld in India, Pakistan en Sri Lanka. Zaterdag speelt Nederland in Baroda (India) zijn openingswedstrijd tegen Nieuw Zeeland. Voor Oranje is elk punt pure winst. Teammanager John Wories noemde Nederland vlak voor het vertrek naar India “een prutsland” dat zich eindelijk mag meten met de groten der aarde. Weinig tactvol wellicht, maar de strekking is helder.

“Ze kunnen ons flink de oren wassen”, zegt ook Tim de Leede (28), HEAO-student, cricketcoach en parttime handelaar in cricketmaterialen. Hij speelde sinds 1989 ruim tachtig keer voor Nederland en wordt komend seizoen betaald speler/coach van zijn eigen club, Voorburg CC. “De grootste winst van dit wereldkampioenschap is straks dat iedereen weet dat er in Nederland wordt gecricket.”

Nederland speelt in een groep waarin alle halve-finalisten van het vorige WK zijn ingedeeld: geen Australië, op papier het sterkste cricketland, maar wel Engeland, Nieuw Zeeland, Zuid-Afrika en Pakistan. De Verenigde Arabische Emiraten, net als Nederland in de B-categorie, completeert de groep. “Niemand verwacht dat wij van Engeland of Pakistan gaan winnen. We moeten alleen niet vier keer voor zestig runs worden uitgegooid. Als wij goed spelen kunnen we tegen die landen 130 runs maken, de tegenstander minder dan 300. Zimbabwe deed dat aan het eind van de jaren tachtig. Die waren toen B-land en behoren nu tot de top. Van de Emiraten moeten we winnen. Verder hebben we geluk dat we de eerste wedstrijd tegen Nieuw Zeeland spelen. Dat is de zwakste van A-landen. Ze zijn nog wel eens gemakzuchtig.”

De Koninklijke Nederlandse Cricketbond (KNCB) heeft de laatste vijf jaar veel tijd en geld gestoken in de ontwikkeling van het topcricket. Elk jaar werden een tournee gemaakt door landen als Zuid-Afrika, Engeland, Kenia en India. Een groep vaste spelers, waartoe ook De Leede behoort, krijgt sinds enige tijd een financiële vergoeding voor onkosten en het gemis aan inkomsten tijdens de weken waarin de spelers in het buitenland verblijven. Een vergoeding zo'n tienduizend gulden, betaald door KNCB en NOC*NSF.

“Zonder dat geld houden spelers het sneller voor gezien. Dan kiezen ze voor hun studie of een baan”, zegt De Leede. “Ik doe het niet voor het geld, want je houdt er vrijwel niets aan over. Maar het Nederlands elftal moet je ook geen geld kosten.” Vorig jaar wierp de financiële inspanning van de bond zijn vruchten af. Nederland kwalificeerde zich tijdens het WK voor B-landen in Kenia voor het eindtoernooi.

De kwalificatie voor het A-wereldkampioenschap luidde voorlopig een nieuw tijdperk in voor de KNCB. Er volgden loop- en wintertrainingen, nog meer buitenlandse trips en een buitenlandse bondscoach die zes maanden per jaar in dienst is. Vreemd genoeg moest de selectie het in de voorbereiding op het WK doen zonder coach. Die trainer, de Nieuw-Zeelander David Trist, kreeg een baan in Hongkong, waar hij voor de plaatselijke bond moet zien te redden wat er te redden valt van de cricketvelden, als de kroonkolonie straks overgaat in Chinese handen. De Leede: “Dat ontbreken van een trainer is een slechte zaak. De wintermaanden moet je gebruiken om te trainen op je techniek. Daar heb je een trainer voor nodig. Nu helpen we elkaar een beetje. Er zijn genoeg andere buitenlandse coaches die in Nederland overwinteren, maar ze moeten wel worden betaald.”

De groep die nu in India en Pakistan tegen wereldsterren moet spelen is met een gemiddelde van zo'n dertig jaar ervaren te noemen. Nolan Clarke, geboren op Barbados, is 48 jaar oud, Steven Lubbers is 42, Flavian Aponso, Srilankaan van geboorte, is 43. Het drietal vormt met cricketprofessional Roland Lefèbvre, wicketkeeper Reinout Scholte, Tim de Leede, Paul-Jan Bakker en Peter Cantrell de basis van het team dat de laatste jaren steeds meer aansprekende resultaten boekte.

Toch wil De Leede niet te veel nadruk leggen op de sensationele overwinningen op de toplanden. “Die wedstrijdjes in Nederland moet je eigenlijk niet meetellen.” Tegen alle internationale tradities in werden deze wedstrijden niet op graswickets gespeeld. Die zijn er nu eenmaal niet in Nederland. De eerste twee worden nu aangelegd bij UD in Deventer en VRA in Amstelveen. “Daarom is het niet te vergelijken. West-Indië wil niet eens meer in Nederland komen spelen omdat ze de ondergrond te gevaarlijk vinden. Bovendien hebben ze gemerkt dat ze niet meer zomaar kunnen winnen van Nederland. Ze weten dat we hier geen Mickey Mouse-cricket meer spelen. Zo'n nederlaag staat in de hele wereld op teletekst. Dan blijven ze liever thuis.”

Op de droge, harde graspitches in India en Pakistan volgt dus een eerste, echte test voor Nederland, realiseert De Leede zich. “We kunnen nu eindelijk eens zien hoe goed of slecht we zijn. Nu staan we eigenlijk nergens.”

De Leede denkt niet dat het gat ooit gedicht zal worden. Gebrek aan crickettraditie, aan accommodatie, en aan spelers.

“Dan moet je een kweekvijver hebben. Er zullen misschien een aantal spelers in Engeland kunnen cricketen, zoals Roland Lefèbvre of André van Troost. Zo goed als de A-landen zullen we niet worden. Je moet wel proberen zo goed mogelijk te worden. Daarvoor moet je eerst de faciliteiten hebben: een trainer, ook in de winter, goede accommodaties. Dat is voor mij de eerste prioriteit.”