Commissie-Van Traa levert half werk inzake opsporing

Aan de Vrije Universiteit wordt morgen een congres gehouden over het rapport van de enquêtecommissie opsporingsmethoden, maar in de politiek is alweer een oorverdovende stilte uitgebroken. Ten onrechte, constateren Marcel Haenen en Tom-Jan Meeus. Vooral de schemerige rol van buitenlandse politiediensten bij het doorsluizen van drugs is nog nauwelijks onderzocht.

Na de “schok van herkenning”, zoals minister Sorgdrager van Justitie het twee weken geleden noemde, is de algemene reactie op het 4.900 pagina's tellende parlementaire werkstuk Inzake Opsporing er een van een oorverdovende stilte. Twee jaar lang hebben betrokkenen elke mogelijkheid benut om al dan niet stiekem via de media hun pregnante oordelen kenbaar te maken. Maar nu hebben officieren van justitie, politiemensen en zelfs burgemeesters zichzelf een slot op de mond gezet, aangespoord door de paarse bewindslieden Dijkstal (Binnenlandse Zaken) en Sorgdrager. De vrees bestaat dat de justitiële hoofdrolspelers niet in staat zijn een sportief, inhoudelijk debat te voeren over de toekomst van de misdaadbestrijding.

Toch is over een aantal conclusies en analyses in het rapport-Van Traa een interessante gedachtenwisseling mogelijk, omdat er op onderdelen half werk is geleverd. De voorzitter van de enquêtecommissie heeft laten weten dat zij geen personeelsbeleid wil voeren. Ook het kabinet en enkele Kamerleden hebben, nog voordat ze het rapport goed en wel hadden gelezen, gezegd dat de misdaaddiscussie niet mag gaan over 'koppensnellerij'. Het parlementaire onderzoek was immers een 'wetgevingsenquête' en dient niet te worden versmald tot een veroordeling van personen. Maar het voorlopige effect van het enquêtewerk is dat bij politie en justitie, op procureur-generaal Van Randwijck na, alleen 'lagere' functionarissen er van langskrijgen, zoals de in opspraak geraakte politiemensen Langendoen, Van Vondel of Van der Putten en de officieren van justitie Van der Veen en Wortel. De trap wordt van onderaf schoongeveegd.

Toch legt de enquêtecommissie de belangrijkste schuld formeel bij de topfunctionarissen. “Zwaarder weegt dat de verantwoordelijke procureurs-generaal, hoofdofficieren van justitie en de leiding van de verschillende korpsen niet hun verantwoordelijkheid hebben uitgeoefend door op de hoogte te raken van de methoden die de criminele inlichtingendiensten hanteerden.”

Het lijkt erop dat er een stilzwijgend bondgenootschap bestaat tussen de hoofdrolspelers waarbij de stelregel is: als we elkaar allemaal goed vasthouden, moeten we dit schandaal kunnen overleven. Terwijl uit alles blijkt dat de afgelopen twee rampjaren in het strafrechtelijk apparaat zeker niet alleen het gevolg zijn van verschillen van mening over de toelaatbaarheid van opsporingsmethoden.

Het is te simpel om te zeggen dat de oplossing voor het opsporingsdrama van de laatste jaren is gevonden met het aanwijzen van enkele hoofdschuldigen. De enige hoofdschuldige die Van Traa totnutoe naar voren heeft geschoven, is de voormalige minister van Justitie Hirsch Ballin (CDA). Hem wordt verweten dat onder zijn bewind een “onverantwoorde situatie” ontstond, omdat hij niet wist dat na de IRT-affaire de Rotterdamse en Haagse politie nog altijd drugs op de markt brachten. “Hij zag geen aanleiding verder door te vragen naar het doorlaten van drugs”, zo onderbouwt de commissie-Van Traa haar oordeel.

Als Hirsch Ballins onwetendheid zo'n doodzonde is, roept dit de vraag op waarom Van Traa niet een zelfde oordeel velt over Sorgdrager. Zij was als procureur-generaal in Den Haag verantwoordelijk voor zowel het doorlaten van soft drugs in Rotterdam als van cocaïne in Den Haag. Ook zij wist daar niet van, zegt ze, en ook zij vroeg niet dóór. Dat de commissie-Van Traa dit geen “onverantwoorde situatie” noemt, is vermoedelijk politieke logica.

Intussen zijn de omgangsvormen bij het openbaar ministerie de laatste jaren dramatisch verslechterd, blijkt uit het rapport. Een treffende illustratie is een brief van de Haarlemse hoofdofficier van justitie De Beaufort waarin hij vorig jaar zomer bij super-procureur-generaal Docters van Leeuwen klaagde over zijn collega De Wit uit Rotterdam. Rotterdam was bezig het Haarlemse parket te “criminaliseren”, klaagt De Beaufort. De vertrouwelijke correspondentie zit in Bijlage I van het rapport. “Er ontstaat een stemming waarin het begrip collegialiteit geen enkele rol meer speelt en de behoefte met de vinger naar elkaar te wijzen onevenredige vormen aanneemt. Deze ontwikkeling legt een zware hypotheek op de toekomst. Waar evident van vuilspuiten blijkt of van verklaringen die er slechts toe dienen het eigen blazoen schoon te wassen, is een terechtwijzing mijns inziens op zijn plaats”, aldus de doorgaans vriendelijke De Beaufort.

Ook Van Traa constateert dat vooral in het ressort Amsterdam “in een aantal gevallen de persoonlijke verhoudingen zo verstoord zijn dat van een werkbare situatie geen sprake meer kan zijn”.

De enquêtecommissie zegt er vooral op uit te zijn de “IRT-strijdbijl” te begraven. Maar dat hoeft niet te betekenen dat er voor falende misdaadbestrijders een doofpot wordt klaargezet. Het is ongetwijfeld ondoenlijk en ook te kostbaar om alle gezagsdragers weg te sturen die van Van Traa een onvoldoende hebben gekregen. Maar duidelijk is dat de georganiseerde misdaadbestrijding ook niet van de grond komt met degenen die elkaar twee jaar lang naar het leven hebben gestaan.

De grootste lacune van de enquête betreft evenwel het onderzoek naar de rol van de buitenlandse drugsbestrijders in Nederland, zoals het Duitse Bundeskriminalamt (BKA) en de Amerikaanse Drugs Enforcement Administration (DEA). De commissie is zich daarvan bewust. Men heeft, aldus een lid, zelfs overwogen het onderzoek uit te breiden in buitenlandse richting maar ervan afgezien omdat het eindrapport dan “nog een half jaar” op zich zou hebben laten wachten.

Van Traa schrijft dat het begin van de toepassing van de zogenoemde Delta-methode (het onder politie-toezicht op de markt brengen van drugs) door de Nederlandse politie naar alle waarschijnlijkheid ligt aan het eind van de jaren tachtig in Dordrecht. De CID-chef in die plaats, Van der Putten, zou het brein achter deze werkwijze zijn.

Maar in hetzelfde hoofdstukje 'ontstaansgeschiedenis' staat dat het BKA vanaf het begin van de jaren tachtig samen met de Nederlandse politie werkte met het gecontroleerd afleveren van drugs. “Deze gecontroleerde afleveringen werden over het algemeen in beslag genomen”, constateert Van Traa. Drugsbestrijders van het eerste uur vertellen desgevraagd zelf dat ze in de jaren zeventig van de DEA en het BKA leerden hoe ze in drugs konden handelen om infiltratie succesvol te maken. De Delta-officier van justitie Van der Veen zag als stagiair bij de CRI al begin jaren tachtig hoe agenten zelf in Azië heroïne ophaalden om in Nederland kopers te vangen.

Hoe omvangrijk de rol is van de buitenlandse drugsbestrijders in drugsmainport Nederland blijkt uit cijfers in het enquêterapport. Van de 65 infiltratie-acties die in 1994 in Nederland werden uitgevoerd, werden er 42 op buitenlands verzoek gedaan. In Nederland werken 34 liaison-officers uit dertien landen. De CRI moet toezicht uitoefenen op hun werk, maar Van Traa schrijft “dat tijdens het onderzoek de vraag rees of zij alles melden”.

Het antwoord blijft uit, deels door obstructie van de buitenlandse diensten. “De commissie is gestoten op onwil van de in Nederland functionerende medewerkers van de DEA om de commissie verder voor te lichten na een eerste gesprek op 6 maart 1995.” De Amerikanen wezen er tot groot ongenoegen van de commissie op dat ze op grond van hun diplomatieke status niet verplicht zijn te praten.

Recentelijk zijn twee belangrijke onderzoeken in Nederland afgerond die in samenwerking met het buitenland zijn uitgevoerd en die duidelijk maken dat het internationale karakter van georganiseerde misdaadbestrijding aandacht behoeft. In Arnhem zijn deze maand Turken berecht op verdenking van handel in heroïne. Volgens hun raadslieden is het bewijsmateriaal mede gebaseerd op verklaringen die in Turkije zijn afgelegd nadat verdachten waren gemarteld. In december 1995 werden door de Haagse politie Colombianen aangehouden met 250 kilo cocaïne als afronding van een Duitse infiltratie-actie.

Aan de arrestaties was in Nederland een doorlating van 9.200 kilo marihuana voorafgegaan. De verantwoordelijke Kriminalhauptkommissar van het BKA, O. Korn, heeft op 1 februari - de dag dat Van Traa zijn rapport presenteerde - aan de Haagse rechter-commissaris verklaard dat de afronding van de internationale infiltratie-actie in Nederland plaatshad, omdat “in Duitsland daarvoor geen wettelijke basis is”. Daar is men verplicht de drugs te onderscheppen, aldus Korn. Ook de commissie-Van Traa concludeert dat “in geen van de ons omringende landen doorlating (van drugs) officieel als een aanvaardbare opsporingsmethode wordt beschouwd”.

Het zou wenselijk zijn als het parlement alsnog de tijd neemt om het opereren van buitenlandse drugsbestrijders in Nederland uitputtend te onderzoeken. Gelet op het internationale karakter van de omvangrijke strafrechtelijke onderzoeken, vormt een strikte wettelijke regeling van opsporingsmiddelen in Nederland geenszins een garantie dat er op een fatsoenlijke wijze wordt opgespoord. En daar was het toch allemaal om te doen.

    • Marcel Haenen
    • Tom-Jan Meeus
    • Tom-Jan Meeus Zijn van Nrc Handels- Blad