Choreografieën voor een romantisch relikwie; Op spitzen kan een danser niet smokkelen

The Mythomaniac van Voortman en De Jonge is op 16 februari te zien in de Schouwburg Rotterdam; in dezelfde zaal vanaf 14 februari: Spitzen van Scapino Rotterdam.

“Je moet erop gebouwd zijn, anders lijd je voortdurend pijn. Alle tenen even lang, dat zijn de beste voeten voor spitzen.” Choreografen Maria Voortman en Roberto de Jonge zien in een oogopslag of een danser geschikt is voor de veeleisende spitzentechniek. Samen maakten ze een tiental voorstellingen; steeds was het gebruik van spitzen een vast uitgangspunt. Deze week zijn er twee produkties van het duo Voortman/De Jonge te zien. Een première van een produktie die in eigen beheer wordt uitgebracht, The Mythomaniac, en een reprise van Dangerous Choir (1994), dat samen met nieuw werk van Anthony Rizzi, danser en choreograaf bij het Ballett Frankfurt te zien is bij Scapino Rotterdam.

Onder leiding van Ed Wubbe heeft Scapino de traditionele familievoorstellingen afgezworen; het gezelschap wil zich nog uitsluitend profileren als een moderne dansgroep maar komt nu met een spitzenprogramma. Uitgerekend spitzen, de strakke satijnen schoenen met verharde neus, net als de tutu een relikwie van de romantiek en oorspronkelijk alleen gebruikt in het klassieke ballet. Dansend op spitzen of pointes leken frêle ballerina's over het toneel te zweven, de onaardse lichtheid die ze wisten te suggereren paste bij de sprookjesballetten over elfjes en prinsesjes.

Voor Voortman en de Jonge is het gebruik van spitzen een nog lang niet opgedroogde bron van inspiratie. Van lichtheid is echter geen sprake. Hun dansers halen op spitzen acrobatische toeren uit en bewegen fel en strak als gymnasten. “Op spitzen mag een danseres er dan licht uitzien,” zegt Maria Voortman, “in werkelijkheid word je je juist sterk bewust van de zwaartekracht. Het is tenslotte een wankel evenwicht dat je moet zien te bewaren; één duwtje en je ligt om. Op spitzen moet je articuleren, je kunt niet smokkelen. Het vereist een perfecte beheersing van de techniek.”

De samenwerking van Maria Voortman en Roberto de Jonge dateert van 1988. Zij had de dansacademie doorlopen, hij is autodidact. “We stonden samen in een stuk. Sindsdien hebben we nooit meer in andermans werk gedanst.” Hun samenwerking is intensief, naast elkaar op het bankje in de repetitieruimte gezeten vullen ze elkaar aan en kritiseren ze elkaar. Vroeger stonden ze nog weleens tegelijk op om de dansers iets voor te doen, tegenwoordig voelen ze feilloos aan wat de ander van plan is. “Je moet elkaars talent respecteren, niet de ander willen veranderen,” zegt Roberto de Jonge. “Smaak en visie moet je van elkaar kunnen scheiden. Het compromis ligt altijd op de loer maar we sparen elkaar niet. Het conflict inspireert ons juist.”

In hun eerste stukken was de spitze nog het centrale thema van de voorstelling, nu is die nadruk verdwenen. “Een voorstelling is een octopus, het gebruik van spitzen is een van de tentakels, net als muziek, het decor en de belichting. “De spitze is een verheviger. Spitzen zijn extreem en versterken alles wat je doet op toneel. Stampvoeten van woede ziet er extra geladen uit, arrogantie wordt sterk zichtbaar door de strakke lijnen die je lichaam vanzelf krijgt op spitzen, maar ook je kwetsbaarheid is groter. “Het gebruik van spitzen is voor ons een verrijking van je taal, je vocabulaire als choreograaf. In essentie is choreograferen voor ons een zoektocht naar vormen en het telkens verleggen van je grenzen.” Elke voorstelling ontstaat vanuit een metafoor. Voor Dangerous Choir was dat het beeld van een koor, waarvan de stemmen niet harmoniëren maar letterlijk hun eigen weg gaan en uit de toon vallen. Voor The Mythomaniac, een stuk voor zeven dansers en een acteur, is de metafoor het zien. Achter alles wat hij ziet zoekt de mythomaniac naar het grotere geheel, voor hem is niets wat het lijkt. Zijn zoeken is besmettelijk en steekt de anderen aan. “De metaforen die we bedenken komen steeds terug in het stuk, maar op verschillende manieren. Maar het belangrijkste uitgangspunt van elk stuk zijn onze eigen dansers, hun beperkingen en kracht.”

Maar dansers komen en gaan, tot grote onvrede van Voortman en de Jonge. “We zouden graag een vaste groep willen, mensen die je zelf kunt opleiden. Na de dansacademie beheers je de spitzentechniek bij lange na niet, wij hebben veel gepionierd op dat vlak. Het trainen van steeds nieuwe dansers kost veel tijd en geld.

Vanwege de beperkte financiële middelen zijn we niet in staat dansers aan ons te binden, na elke produktie verdwijnen er mensen en kun je van voren af aan beginnen. In dit vak is talent alleen niet genoeg, je moet ook beschikken over een lange adem. In Nederland is het helaas niet zo dat je beloond wordt als je bewezen hebt talentvol te zijn; de bureaucratie van het subsidiesysteem scheert iedereen over dezelfde kam. ''

    • Ilse van der Velden