Algemene nabestaandenwet zorgt voor pensioentekort

Na veel politiek getouwtrek is eind vorig jaar de Algemene nabestaandenwet (ANW) door de Eerste Kamer aangenomen. Op 1 juli aanstaande gaat deze ANW de huidige AWW vervangen. Er komt dan een wezenlijk andere wettelijke regeling voor de uitkering aan nabestaanden. De filosofie achter de ANW is dat slechts diegenen die niet in staat worden geacht in eigen inkomen te voorzien, nog aanspraak op een ANW-uitkering krijgen. Andere personen moeten door arbeid in hun inkomen voorzien of zijn anders op de Bijstandswet aangewezen. Deze filosofie komt tot uitdrukking in de sterk beperkte kring van rechthebbenden op een ANW-uitkering. Voor een ANW-uitkering komen nog slechts in aanmerking:

Nabestaanden met ongehuwde kinderen in de leeftijd tot 18 jaar. Dit is ook zo in de AWW, maar de AWW-uitkering behoudt men nadat de kinderen 18 jaar zijn geworden. De ANW-uitkering vervalt dan.

Nabestaanden die arbeidsongeschikt zijn. Dit is hetzelfde als voor de AWW.

Tenslotte hebben als overgangsmaatregel nabestaanden die zijn geboren vóór 1 januari 1950 ook recht op een ANW-uitkering.

Om hieraan te voldoen moeten de nabestaanden in 1996 de leeftijd van 46 jaar hebben. De overgangsmaatregel knoopt evenwel niet bij de leeftijd aan, maar bij de geboortedatum, zodat de kring van voor 1950 geborenen langzaam uitsterft. Vanaf het jaar 2015 is de overgangsmaatregel dan ook uitgewerkt. De AWW kent hiertegenover het principe dat nabestaanden van 40 jaar en ouder een uitkering krijgen. Overigens is het zo, dat slechts gehuwden voor AWW in aanmerking komen, terwijl de ANW-uitkeringen ook toekomen aan degenen die ongehuwd hebben samengewoond.

De ANW brengt dus een belangrijke verandering in de kring van rechthebbenden. Daarnaast is de hoogte van de uitkeringen scherp afwijkend ten opzichte van de AWW. Het minst ingrijpende is wellicht dat de uitkering voor nabestaanden met kinderen van 100 procent van het minimumloon wordt verlaagd naar 90 procent van het minimumloon. Deze 90 procent is samengesteld uit een 70 procent uitkering voor de nabestaande en 20 procent voor de kinderen. Voor de rechthebbenden zonder kinderen is de uitkering in zowel AWW als ANW 70 procent van het minimumloon.

Verstrekkender is het feit dat de ANW-uitkering inkomensafhankelijk is, hetgeen niet geldt voor de AWW-uitkering. De inkomensafhankelijkheid betekent dat inkomsten van de nabestaande in verband met vroegere arbeid (Vut of aanvullend ouderdomspensioen) volledig op de ANW-uitkering worden gekort. Er geldt voor deze inkomsten uit tegenwoordige arbeid een vrijlatingsregeling om de arbeidsparticipatie niet te zeer te ontmoedigen. De vrijlatingsregeling komt er praktisch op neer dat bij een bruto inkomen van ± ƒ 3.800 per maand de ANW-uitkering zal wegvallen. Bijzonder in de ANW is dat zowel de lagere 90 procent uitkering voor nabestaanden met kinderen, als de inkomensafhankelijkheid ook gaan gelden voor degenen die nu al een AWW-uitkering hebben of deze tot 1 juli a.s. nog krijgen. Op zich blijven de nabestaanden die een uitkering op grond van de AWW hebben gekregen, deze wel houden. Maar de hoogte van de uitkering gaat wijzigen. Het reduceren tot 90% zal plaatsvinden door bevriezing van de AWW-uitkering. De inkomensafhankelijkheid zal vanaf 1 januari 1998 van toepassing zijn, met deze nuancering dat de uitkering van nabestaanden die zijn geboren vóór 1 januari 1941 (nu 55 jaar) voor 30 procent inkomensonafhankelijk is. Hiernaast is bij de behandeling van de ANW in de Eerste Kamer toegezegd dat nog nader bij wet zal worden geregeld dat voor AWW-gerechtigden 50 procent van de inkomsten uit vroegere arbeid (bijvoorbeeld Vut) vrijgelaten zullen worden. Dit laatste verzacht voor met name de oudere AWW-gerechtigden de invoering van de inkomenstoets.

Toch blijft de invoering van de inkomensafhankelijkheid voor reeds lopende uitkeringen discutabel, omdat het hier verzekeringstechnisch gezien om de zogenaamde 'brandend huis'-gevallen gaat, waardoor aanvullende verzekering voor deze categorie niet meer mogelijk is. Dit punt is onderkend, maar door de staatssecretaris van Sociale zaken en werkgelegenheid niet als probleem ervaren. Indien als gevolg van de inkomensafhankelijkheid de uitkering daalt, zou er immers een ander aanvullend inkomen zijn. Maar dat laat natuurlijk onverlet dat er een aanzienlijke inkomensachteruitgang kan optreden.

Een belangrijke consequentie voor toekomstige nabestaanden is gelegen in het feit dat nabestaanden zonder kinderen - ook als zij 40 jaar of ouder zijn - geen ANW krijgen. Zij zullen of eigen inkomsten moeten hebben en zijn anders aangewezen op de bijstand. Hierbij dient bedacht te worden dat volgens gegevens van het CBS de arbeidsparticipatie van vooral oudere vrouwen - waar relatief de meeste nabestaanden zijn - betrekkelijk laag blijft. Het is dan ook te verwachten dat daar een groot 'weglek' naar de bijstand zal zijn te constateren. Voor betrokkenen betekent dit een vermogenstoets (opeten eigen huis). Voor de voorziene besparingen van 4 miljard per jaar op de AWW betekent dit dat ± 2 miljard teniet wordt gedaan in verband met het grotere beroep op de bijstand. Ook de invoering van de inkomenstoets zal voor de toekomstige nabestaanden aanzienlijke inkomensgevolgen meebrengen. De vraag is dan of het ANW-gat dat gaat ontstaan kan worden verzekerd. Bijvoorbeeld via de pensioenregeling?

Voor pensioenregelingen geldt dat er thans vrijwel altijd collectief is voorzien in een aanvullend nabestaandenpensioen. De hoogte van het nabestaandenpensioen is gewoonlijk afgeleid van het ouderdomspensioen. De formule dat het nabestaandenpensioen 70 procent van het ouderdomspensioen bedraagt, is gebruikelijk. De koppeling aan het ouderdomspensioen brengt mee dat alleen een nabestaandenpensioen is verzekerd over het salarisdeel boven de zogenaamde franchise. Voor het salarisdeel daaronder wordt er geacht een wettelijke nabestaandenverzekering te zijn. Voor nabestaanden van wie de partner een inkomen had tot zo'n ƒ 80.000 - bepaald niet een laag inkomen - betekent dit dat het nabestaandenpensioen lager zal zijn dan de bijstandsuitkering, uitgaande van een pensioenregeling met een franchise afgeleid van tweemaal de AOW voor een gehuwde en zonder reparatie van het ANW-gat. Er is zonder reparatie dus een minimaal pensioen.

De vraag komt dan op of er überhaupt nog wel een collectief nabestaandenpensioen moet blijven, als er dusdanig lage uitkeringen uit voortkomen. Als besloten wordt tot reparatie is een eerste vraag wat er precies moet worden gerepareerd. Het is bij voorbaat namelijk niet zeker of er recht op een uitkering ontstaat (zijn er kinderen?) en, zo ja, hoe hoog die uitkering zal zijn (zijn er eigen inkomsten?). Een mogelijkheid is om een volledige ANW-uitkering te verzekeren onder aftrek van de werkelijk ontvangen ANW, maar dat levert in de controle ongetwijfeld complicaties en veel werk op. Als er binnen de pensioenregeling wordt gerepareerd, is tevens van belang dat werknemers vanaf 1 januari 2000 op grond van de Pensioen- en spaarfondsenwet het nabestaandenpensioen mogen inruilen voor ouderdomspensioen. Als de ANW-reparatie toch omgewisseld kan worden, is reparatie dan nog wel zinvol?

Een volgend punt is welke rol pensioenfondsen kunnen spelen. Pensioenfondsen mogen geen individuele aanvullende nabestaandenverzekeringen van werknemers zelf uitvoeren en werkgeversregelingen alleen als de werkgever 50 procent van de premie voor zijn rekening neemt. En dit laatste willen veel werkgevers bij zo'n door individuele omstandigheden bepaald iets als het ANW-gat nu vaak niet. Er is in januari van dit jaar wel een wetsvoorstel van de Raad van State gestuurd om deze 50 procent premie-eis te schrappen, maar dit komt waarschijnlijk te laat om het ANW-gat nog tijdig voor 1 juli via pensioenfondsen te repareren. Dan komt men dus al snel bij verzekeraars terecht voor de ANW-reparatie. Niet dat dit op zich verkeerd is, maar wel onpraktisch als het aanvullende nabestaandenpensioen wel bij het pensioenfonds is verzekerd. Als werkgevers een ANW-reparatie via een verzekeraar uitvoeren, worden zij in ieder geval niet gehinderd door de eis dat zij 50 procent van de premie moeten betalen. Het Verbond van Verzekeraars heeft aangegeven dat individuele werknemers tot 1 juli a.s. zonder medische keuring een ANW-gat kunnen verzekeren, mits hun werkgever al een collectieve pensioenverzekering (voor andere uitkeringen) heeft afgesloten. Of er bij verzekeraars inderdaad een ANW-reparatieverzekering komt, zal uiteindelijk sterk afhangen van de premie. Berekeningen van het Actuarieel Genootschap laten zien dat de premie op oudere leeftijd makkelijk tot ƒ 1.500 tot ƒ 2.000 per jaar kan oplopen. Juist de bevolkingsgroep die zonder ANW-gat op de bijstand zal zijn aangewezen, zal moeite hebben deze premie uit het beschikbare gezinsbudget te betalen. Om ook voor deze categorie een ANW-reparatie toch binnen bereik te brengen zou een link met de inruil van nabestaandenpensioen en ouderdomspensioen tot stand kunnen worden gebracht, dat degenen die voor het nabestaandenpensioen (inclusief ANW-gatdichting) kiezen, een lager ouderdomspensioen krijgen. Dit vereist natuurlijk belangrijke wijzigingen in de pensioenregeling en dat zal zeker niet voor 1 juli rond zijn. Waar de werkgever of pensioenregeling (voorshands) niets biedt, blijft dus over de keuze tussen individuele verzekering, eigen inkomsten of misschien de bijstand.