'Wantrouwen jegens Frankrijk zit diep'; Frans historicus over Nederland

De aanvallen van de Franse president Chirac op het Nederlandse drugsbeleid en de Nederlandse verontwaardiging over Chirac's kernproeven hebben de schijnwerpers gericht op het wederzijds onbegrip dat de verhouding tussen de twee landen kenmerkt. De Franse historicus Christophe de Voogd, auteur van een boek over de Nederlandse geschiedenis, over de historische breuk tussen de twee landen en de groeiende kansen op verzoening. Wat, behalve België, scheidt Nederland en Frankrijk?

Christophe de Voogd, Geschiedenis van Nederland. Oorspronkelijke titel: Histoire des Pays-Bas.

AMSTERDAM, 13 FEBR. Welbeschouwd is het allemaal de schuld van Abraham Kuyper. Het politieke en ideologische succes van de antirevolutionaire voorman rond de eeuwwisseling heeft een hypotheek gelegd op de verhouding tussen Nederland en Frankrijk, die nog steeds niet is afgelost. Niet de expansionisitische Lodewijk de Veertiende, niet Lodewijk Bonaparte, niet de eigenzinnige Charles de Gaulle, maar de voorvechter van de 'kleyne luyden' overschaduwt de Frans-Nederlandse verhouding.

Christophe de Voogd, docent aan Institut d'Etudes Politiques in Parijs, voormalig directeur van het Institut Français in Den Haag en telg van Nederlandse voorouders, aarzelt niet als hem wordt gevraagd waarom Nederlanders en Fransen elkaar soms zo moeilijk begrijpen. “De dialoog is moeizaam omdat de Fransen uitblinken door een gebrek aan kennis over Nederland en de Nederlanders de Fransen wantrouwen en daarom steeds vervallen in clichés: Frankrijk, de repressieve staat, de natie van grandeur.”

De Nederlandse argwaan, zegt De Voogd, gaat terug tot Kuyper. “De 'moderne geest', de geest die Kuyper zo verafschuwde, was de geest van Frankrijk, de geest van de Franse Revolutie. De naam van zijn partij was niet voor niets Antirevolutionair. De geest van die Revolutie was voor een groot deel van de leidende klasse in het Nederland van eind 19e eeuw de duivel zelf. Dáár zit de wortel van het Nederlands-Franse probleem.”

Het succes van de antirevolutionairen is voor De Voogd een belangrijke breuk in de Nederlandse geschiedenis. Met Kuyper begon een Nederlands politiek- en maatschappelijk model dat niet alleen fundamenteel anders was dan het Franse, maar dat ontstond als reactie op het Franse.

Het ideaal-typische Franse model wordt gekenmerkt door centralisatie, strikte scheiding van kerk en staat en een directe verhouding tussen staat en burger. “De Franse staat spreekt met de burger, de staat spreekt niet met de vakbonden, niet met de kerken en zelfs niet met de politieke partijen. Tussen burger en staat zit geen intermediar - dat had de Revolutie juist afgeschaft.”Kuyper, de calvinistische theoloog uit Maassluis, kon zich niets ergers voorstellen. De staat was volgens hem slechts een werktuig van goddellijke wil en kon daarom geen aanspraken maken op politieke hegemonie. Alle andere organisatie-vormen - de gemeenschap, het gezin - hadden recht op het respect van de staat. De overheid had zodoende de plicht om aan elke belangrijke groepering 'soevereiniteit in eigen kring' toe te kennen. Daarmee werd de basis gelegd voor de verzuiling en een Nederlands maatschappelijk model dat rust op consenus, confessionele inspraak en een staat die vooral scheidsrechter moet zijn.

Met Kuyper verwijderde Nederland zich zo van Frankrijk. De Voogd: “Omdat de confessionele partijen het land zolang hebben gedomineerd, is die tegenstelling met het Franse model op de voorgrond gebleven. ”

De Voogds historische kijk dicteert bijna een optimistisch beeld over de toekomstige verhouding tussen de twee landen. Niet omdat de confessionelen sinds 1994 niet meer aan de macht zijn, maar omdat beide modellen aan erosie onderhevig zijn. In Nederland wordt de verzuiling al enige tijd doodgewaand; het overlegmodel staat weliswaar nog steeds overeind, maar heeft aan glans verloren. Ook de Fransen, zegt de Voogd, twijfelen aan hun maatschappelijke bestel. “De macht van de Franse staat taant. Het sociale debat gaat precies over dit onderwerp, over de rol van de Franse staat. Ook is er een voortdurende kritiek op de functionarissen van die staat.”

Als de tegenstellingen verzachten, ontstaat ruimte voor toenadering en dialoog, zegt de historicus. Aan gemeenschappelijke interressen geen gebrek. “De koppen in Nederlandse kranten van afgelopen zaterdag konden letterlijke vertalingen zijn van Franse koppen: werkloosheid, geweld op scholen, kloof tussen partijleiding en achterban, globalisering. De overeenkomsten zijn verbluffend.”

In 1992 trok De Voogd de aandacht met de eerste moderne Franse geschiedschrijving over Nederland. In de Franse editie relativeerde hij destijds het zelfbeeld dat Nederlanders koesteren: vrijdenkend, tolerant, altijd experimenterend op sociaal gebied en overtuigd Europeaan. Met die tolerantie valt het wel mee, met die Europese gezindheid evenzeer en de groepsmentaliteit is in Nederland veel te sterk om te spreken van een echte liberale traditie, constateerde hij. Wel vormden 'burgerzin' en 'solidariteit' twee constanten in de Nederlandse samenleving die het land een eigen, uniek karakter verschaften.

Voor de Nederlandse vertaling, die vandaag ten doop wordt gehouden, heeft De Voogd zijn oordeel bijgesteld. De constante waarden 'burgerzin' en 'solidariteit' zijn in het nieuwe slothoofdstuk vervangen door de minder moreel beladen begrippen 'pragmatisme' en 'consensus'. De Voogd: “De eerste helft van de jaren negentig wordt in Nederland toch vooral gekenmerkt door een gevoel van ongemak. De discussies die in Nederland worden gevoerd over de manier waarop de zaken hier worden aangepakt grenzen aan een identiteitscrisis. De liberalen winnen terrein en de sterk stijgende criminaliteit heeft van Nederland op dat terrein bij voorbeeld een 'gemiddeld' Europees land gemaakt. De noodzaak tot samenwerking staat in Nederland weliswaar nog steeds voorop, maar die principiële lading wordt zwakker.”

Door de geschiedschrijving over Nederland door te trekken tot en met het Paarse kabinet begeeft de historicus zich op het terrein van de journalistiek. Daarbij baseert de Voogd zich hoofdzakelijk op één landelijk dagblad, een voor een historicus moeilijk te verdedigen werkwijze. Het actuele slothoofdstuk biedt De Voogd wel de gelegenheid zich uit te spreken over hét thema dat de Frans-Nederlandse betrekkingen nu al maanden in gijzeling houdt: het Nederlandse drugsbeleid.

De Voogd wijst het Franse drugsbeleid af als te repressief en staat dan ook in beginsel sympathiek tegenover de nadruk die in Nederland wordt gelegd op de zorg voor verslaafden. Toch onderstreept hij ook de uitwassen van het Nederlandse systeem. “Op het gebied van drugs heeft Nederland de grens van het aanvaardbare, voor zichzelf en voor zijn partners overschreden”, schrijft De Voogd, die zelf een keer door drugrunners bij Rotterdam in de vangrail werd gedrukt en sindsdien zijn 'tweede vaderland' niet meer per auto bezoekt. “Het moet mogelijk zijn om op basis van argumenten de goede facetten van het Nederlandse beleid in Europees verband te handhaven, maar om de uitwassen van het liberale Nederlandse beleid kun je echt niet meer heen.”

    • Michel Kerres