Voorhoeve incasseert in Bosnië met gekrulde snor lofprijzingen

Minister Voorhoeve bezoekt het Nederlandse bataljon in Bosnië. Het bataljon maakt deel uit van de IFOR-vredesmacht en ziet in het noordwesten van Bosnië onder Brits bevel toe op de naleving van het vredesakkoord van Dayton.

SARAJEVO, 13 FEBR. De Britse luitenant-generaal Michael Walker, commandant van de grondtroepen van de internationale vredesmacht IFOR in Bosnië, is heel stellig. Nee, in de noordwestelijke sector gedragen de Bosnische Serviërs zich voorbeeldig. De contacten met zijn staf zijn normaal, van een boycot is niets te merken. “Misschien zijn ze oorlogsmoe”, speculeert de Brit.

Toch maant minister Voorhoeve van defensie die avond in Busovaca tot behoedzaamheid. Nederlandse militairen in Bosnië moeten extra alert zijn, nu twee van oorlogsmisdaden verdachte Bosnisch-Servische officieren uit Sarajevo naar Den Haag zijn overgebracht om te worden verhoord door het VN-tribunaal voor oorlogsmisdaden. Tot dusver lijkt de oproep vanuit het Bosnisch-Servisch hoofdkwartier in Pale tot een boycot van IFOR door de troepen in het veld te worden genegeerd. Maar je weet het nooit hier.

De eerste dag van het bezoek van minister Voorhoeve aan de Nederlandse troepen in Bosnië begint in Ilidza, waar commandant Walker zijn hoofdkwartier heeft. Het is een voormalig kuurhotel in een buitenwijk van Sarajevo, waar fosforhoudend water in stoomwolken omhoog spuit. Walker geeft hoog op over de kwaliteit van het Nederlandse bataljon dat in zijn divisie opereert. Minister Voorhoeve luistert met gekrulde snor. Na het echec van Srebrenica is elke lofprijzing welkom.

De Britse generaal klaagt wel dat hij een te groot gebied moet bewaken. Niet alle toegezegde troepen zijn gearriveerd. Maar Walker kan met minder toe omdat de strijdende partijen zich tot dusver vrij goed aan het akkoord van Dayton houden. De neutrale zones zijn ontruimd, er is voortgang bij het uitwisselen van krijgsgevangen en het opruimen van mijnen is begonnen.

Walker maakt zich evenwel zorgen over het feit “dat je van Bildts mannen nog niemand in het veld ziet”. De Zweed Bildt moet namens een coalitie van hulpgevende landen leiding geven aan de wederopbouw van Bosnië, maar volgens Voorhoeve kampt Bildt met het probleem dat een aantal landen zijn verplichtingen niet nakomt. Daaronder de Verenigde Staten, die 200 miljoen dollar hebben toegezegd. Als de wederopbouw nog veel langer op zich laat wachten, is het volgens Walker twijfelachtig of de militairen op tijd weg kunnen aan het eind van het jaar. De bevolking moet zien dat beloftes van Dayton worden waargemaakt en dat vrede ditmaal iets anders is dan een pauze tussen beschietingen. Dat zou het werk ook militair gemakkelijker maken, aldus Walker.

Na de lunch met uit Groot-Brittannië meegenomen zilveren bestek van het Britse regiment vertrekt minister Voorhoeve voor een ritje door de verwoeste hoofdstad Sarajevo. Majoor L. Hupperts verzorgt de rondleiding via de portofoon. Hupperts straalt de euforie uit die zich na vijftig dagen van veel NAVO-militairen meester heeft gemaakt. “Hier en daar ziet u groenten- en fruitstalletjes. Er wordt weer gekocht en gehandeld, er komt steeds meer leven op straat.”

De bussen en trams op de beruchte 'sluipschuttersboulevard' van Sarajevo zijn stampvol. Op straat wordt niet langer gehold en gedoken voor snipers. Hier en daar worden de houten blinden van de winkelruiten gesloopt, soms is er zelfs een gevulde etalage. Bij de Brug van de Verbroedering kunnen Serviërs en moslims vrij naar de andere kant om familie te bezoeken. Italiaanse Bersaglieri-soldaten met korhoenderveren op hun helmen houden de wacht. Bezoekers snelwandelen gehaast door de smeltende sneeuw. “Ze durven over te steken”, zegt een chauffeur “maar ze blijven gejaagd”.

Voor de schemering invalt vertrekt Voorhoeve naar Busovaca, het hoofdkwartier van het Nederlandse transportbataljon. Daar wacht hem een tweede briefing, nu door brigadegeneraal H. Coopmans van het Nederlandse contingent. Hij verzoekt de minister aan hem een politiek adviseur toe te wijzen voor de contacten met de verschillende bevolkingsgroepen. Coopmans is verder vooral bezorgd over de verwachte toename van het aantal ongelukken door de groeiende verkeersdrukte op de slechte wegen van Bosnië.

Over het verloop van de operatie is de brigadegeneraal tevreden, al raadt hij de minister aan de logistiek te verbeteren. Zaken die het Nederlandse bataljon direct nodig had zaten bijvoorbeeld pas op het tweede schip dat in de Kroatische havenstad Split aankwam. Ook de contacten met de Haagse staf zijn voor verbetering vatbaar. Zorgen maakt Coopmans zich voorts over de mujahedeen, de arabische vrijwilligers van het Bosnische leger, waarvan er in Coopmans sector nog twee- à driehonderd zouden rondlopen. Een deel van hen heeft naar verluid Bosnische paspoorten gekregen.

En erg optimistisch over de toekomst van Bosnië durft Coopmans nog niet te zijn. “Iedereen hier wil weten wat de anderen gaan doen als wij weggaan. Altijd de anderen.”