Privatiseren zonder alles te verspelen

In tal van Europese landen is de overheid taken aan het privatiseren, maar in sommige gebeurt dat met aanmerkelijk meer succes dan in andere. Volgens David Roche heeft dat vooral te maken met de motieven van de overheid om te privatiseren. Een 'morele' visie, zoals in Engeland of Oost-Europa, is het beste.

Op een bij uitstek onaangename oudejaarspartij twee jaar geleden zat ik noodgedwongen aan tafel met een echtpaar dat ik nooit eerder had ontmoet. Hij was pas in Europa gearriveerd met een ayatollah-achtige geloofsijver voor wat hij zag als de missie van zijn latere leven: het opzetten van beleggingsfondsen voor de aankoop van aandelen in geprivatiseerde ondernemingen. Ik zei te betwijfelen of dit de juiste afslag naar roem en rijkdom was. Maar hij, gesteund door veelvuldig hoofdknikken van zijn asblonde Doris (die zijn ijver deelde, maar in stilte), wilde er niet van horen. Mijn cynisme werkte kennelijk als domper op de feestvreugde, en hij maakte er korte metten mee: “Het is gewoon dommigheid om te menen dat je een bedrijf niet nog altijd beter door konijntjes kan laten runnen dan door de staat; dus zodra een bedrijf in particuliere handen overgaat, rolt het geld de investeerders vanzelf in de hand.”

Wie wel eens in een supermarkt is geweest en daarna in een postkantoor, op een station of in een Franse bank, zou het van harte met hem eens zijn. Bureaucraten en politici zijn nu eenmaal niet geschapen om ondernemingen te leiden, en zelfs eenvoudige bedrijfsleiders van buurtsupers zijn dat wel.

Nu was dit een gevolgtrekking die de Franse bureaucraten en politici inmiddels zelf ook hadden gemaakt. En dus werd er geprivatiseerd. De aandelenkoersen van alle staatsbedrijven die sinds 1993 zijn geprivatiseerd, staan nu onder de verkoopprijs, behalve in het geval van Seita (tabak) en Crédit Local de France. Recente privatiseringen vergaat het al niet beter. Staalfabrikant Usinor Sacilor, sinds medio 1995 in particuliere handen, heeft ongeveer een derde aan waarde ingeboet. De aluminiumfabrieken van Péchiney zijn eveneens onder de uitgiftekoers gezakt. En daar Air France, het transportbedrijf Compagnie Générale Maritime, de lucht- en ruimtevaartondernemingen Aerospatiale en Snecma en de elektronicafabrikant Thompson SA nog moeten volgen, vraag ik me af of mijn disgenoot zijn gezonde eetlust en zijn baan heeft weten te behouden.

Dat geprivatiseerde ondernemingen beroerd presteren is geen Frans unicum en was in elk geval ten dele te wijten aan een inzakkende effectenmarkt en niet zozeer aan de prijs of de kwaliteit van de ondernemingen. Zo zijn in Italië de resultaten nog slechter. En ook buiten de Europese Unie zijn er voorbeelden: in Maleisië zijn er Tenaga Nasional (het elektriciteitsbedrijf) en Telekom Malaysia; in Thailand Thai Air en in Mexico Telmex - stuk voor stuk miskopen van de maand voor buitenlandse investeerders. En dan bent u nog niet in Oost-Europa geweest of op de zieltogende Chinese effectenmarkten, die de opschudding waarmee de huidige sociale en politieke veranderingen gepaard gaan loochenen in plaats van weerspiegelen.

De uitzondering op de regel lijkt het Verenigd Koninkrijk te zijn, waar niet alleen de markt het goed doet, maar waar ook de meeste geprivatiseerde aandelen redelijk wel varen. Is dat toeval? Of bestaat er een kijk op privatiseren die de buitenstaander een grotere kans op succes biedt?

Om te beginnen is het van het grootste belang dat men begrijpt waarom de staat wil privatiseren. En daarvoor bestaan in principe drie motieven.

Het eerste, zowel moreel als economisch van aard, wordt aangetroffen in de voormalige communistische landen. Die willen het volk teruggeven wat het volk was ontnomen. Daarmee hebben ze een aantal doelen op het oog. Eén daarvan is het ontstaan van een bezittende middenklasse. Daardoor wordt het communisme voorgoed geëlimineerd (hoewel niet de ex-communistische partijen, op het politieke vlak). De winst in micro- en macro-economisch opzicht is dat de efficiëntie van ondernemingen toeneemt en daarmee het produktieve vermogen van de economie.

Het tweede, soortgelijke motief werd belichaamd door Groot-Brittannië onder Margaret Thatcher. Net als de Oosteuropeanen wilde mevrouw Thatcher het politieke zowel als het economische stelsel van haar land onomkeerbaar veranderen. Ook haar visie had een moreel aspect. Privatisering was, net als in Oost-Europa, een stap naar grotere sociale gelijkheid. Het hoorde bij het creëren van een 'geresponsibiliseerde burger', ongeacht of het ging om een bedrijfsleider bij een (ex-)staatsbedrijf of de koper van een gemeentewoning.

Het derde motief voor privatisering wordt voornamelijk aangetroffen in wat we zouden kunnen noemen het 'Zonnige Zuiden van Europa', waar de landen met de hoogste schuldenlasten liggen. Ze hebben weinig op met de stelregels van mevrouw Thatcher over economische liberalisering. Ze zijn gewoon bankroet. Privatisering is hier een middel om iets te doen aan de leegte in de staatskas - niet meer en niet minder. Als de 'Zonnige Zuiden-landen' privatiseren, doen ze ongeveer datgene waarvan Harold Macmillan mevrouw Thatcher betichtte, namelijk “het familiezilver verkwanselen”.

En dan zijn er nog privatiseringen die tussen de morele visie van Britten en Oosteuropeanen en de opportunistische motieven van de ZZ-landen in hangen. Latijns-Amerika heeft geprivatiseerd omdat het failliet ging. Maar omdat het failliet ging wilde het zijn economische model veranderen. In Argentinië en Chili maakte de privatisering deel uit van een oprecht streven naar brede liberalisering van de markt.

Nu we weten wat regeringen ertoe drijft om staatsbelangen af te stoten, kunnen we een aantal regels opstellen aan de hand waarvan we kunnen kiezen vóór of tegen wat ze te koop aanbieden. Hier volgen Elf Geboden voor Investering in Privatiseringen.

Hoedt u voor: 1. Privatiseringen waarbij minder dan de helft van de aandelen, onder volledige zeggenschap van het management, wordt uitgezet bij particuliere aandeelhouders. 'Gouden aandelen', (aandelen met meer dan het gebruikelijke aantal stemmen) zijn geen bezwaar, mits ze tot doel hebben de onderneming als nationale entiteit te laten voortbestaan, en dan alleen als dat een efficiënte bedrijfsvoering niet in de weg staat en de reikwijdte van het gouden aandeel is vastgelegd in het ondernemingsstatuut. De meeste Chinese 'H'-aandelen (nu te verkrijgen aan de beurs van Hong Kong) en Indiase privatiseringen voldoen niet aan deze eis. 2. Privatiseringen waarbij de prijs niet wordt bepaald naar de marktomstandigheden, of waarbij de regels of de regelgeving ter zake niet volkomen helder en waterdicht zijn. 3. Privatiseringen die niet vrij mogen concurreren op basis van prijs, produkt, kwaliteit van dienstverlening en distributie. Telefoononderneming Thai Mobile is een schoolvoorbeeld van een te hoog geprijsde dienstverlener gehinderd door concurrentie-beperkende maatregelen. Dat laatste geldt ook voor de Koreaanse mobiele telefoonmaatschappij KMT, maar die is goedkoop. 4 Privatiseringen die het onmogelijk wordt gemaakt te rationaliseren of in te krimpen al naar de marktomstandigheden dat vereisen. Telefoonmaatschappij Belgacom, gebonden aan de Belgische arbeidswetgeving die ontslag vrijwel onmogelijk maakt, is een goed voorbeeld. 5. Privatiseringen waarbij de staat het bedrijf blijft gebruiken om nationale doelen na te streven. Dat kan internationalisering van het bedrijf verhinderen wanneer dat geboden zou zijn, en afdwingen wanneer dat ongunstig is. De meeste Indiase privatiseringen vallen weer in deze categorie. 6. Privatiseringen van ondernemingen die voorheen buitensporige winsten hebben gemaakt in een politiek beschermd milieu en vervolgens in één klap moeten opboksen tegen internationale concurrentie. De Spaanse Telefonica's en de gigantische winsten van Deutsche Telekom zijn goede voorbeelden van excessieve opbrengsten die door mondiale concurrentie worden tenietgedaan. 7. Privatiseringen in sectoren waar het bedrijf weldra alle controle over de prijsstelling zal verliezen als gevolg van concurrentiekrachten; voorbeelden zijn het effect van het Internet op de verdiensten in de telefonie en de verscherpte concurrentie in de luchtvaart doordat Amerikaanse vervoerders zich op de Europese en Aziatische markten hebben begeven. 8. Privatiseringen in sectoren waar kapitaalhonger voor de staat het voornaamste motief vormt om het bedrijf van de hand te doen, en waar een voordelige afzet bij investeerders de verleiding wekt om telkens opnieuw voor effecten te komen aankloppen, waardoor de waarde van de bestaande aandelen verwatert. 9. Privatiseringen in sectoren waarin alle landen eenzelfde bedrijf verzelfstandigen en het enorme aanbod van effecten de vraag zal overspoelen. Over de hele wereld is recent voor ongeveer 13 miljard dollar aan telecommunicatie-aandelen uitgegeven. 10. Privatiseringen op markten waar u door gebrek aan liquiditeit geen kant uit kunt. 11. Privatiseringen waarbij waardebepalingen mallotig lijken of het boekhoudsysteem u belet hoogte te krijgen van wat u eigenlijk gaat kopen. Voorbeelden van mallotige waarderingen, vind ik, zijn de Australische luchtvaartmaatschappij Qantas, het Philippijnse Long Distance Telecom en de meeste Britse drinkwatermaatschappijen. China is een land waar de kwaliteit van de boekhouding altijd een grote marge van onzekerheid laat.

Bezien we deze elf geboden samen met de motieven van regeringen om te privatiseren, dan tekent zich een simpele waarheid af. Hoe dichter een land bij de morele visie van Oost-Europa of mevrouw Thatchers Groot-Brittannië staat, des te groter de kans dat aan de elf geboden wordt voldaan. Chili, Argentinië en het Verenigd Koninkrijk hebben allemaal marktomstandigheden gecreëerd waarin privatiseringen slagen, omdat ze vergezeld gingen van een vastberaden streven naar een meer algemene liberalisering van markten en economie.

Dit geldt ook voor Oost-Europa. Toch is het klimaat voor aandeelhouders daar ongunstig, en wel om twee redenen: de financiële markten en de binnenlandse deelnemers missen ervaring, en het proces van massa-privatisering remt het ontstaan van grootaandeelhouders die een gedegen bedrijfsvoering zouden kunnen afdwingen. Dit is vooral van belang in verband met de noodzaak om bedrijven te herstructureren.

In de 'Zonnige Zuiden-landen' ontbreekt ten enen male een ernstig streven naar liberalisering van de markt waarvan het welslagen van privatisering afhangt. Veel meer dan elders bestaat op deze markten de kans dat de investering teloorgaat door de krachtige combinatie van staatsbelang en leugenachtige investeringsbanken. Een groot deel van het Europese vasteland komt in de buurt van dit model. Een groot deel van Azië helaas ook, waar de ene mentaliteit heerst als het gaat om de verkoop van staatseigendom en een andere als het erom gaat de geprivatiseerde bedrijven zelfstandig in de particuliere sector te laten opereren.

Dit wil niet zeggen dat een privatisering die tegen enkele van de geboden zondigt niet toch rendabel kan zijn; maar wel dat hoe groter het aantal is waartegen gezondigd wordt, des te minder er voor een deel van de onderneming dient te worden betaald. Dus als een altruïstische makelaar/investeringsbank me een portie van een Aziatisch of Europees nutsbedrijf aanbiedt voor 22 keer de omzet zonder een vaste formule voor de prijs van zijn produkt, en zonder beloften van de regering dat het zijn uitgedijde personeelsbestand mag uitdunnen, dan zeg ik caveat emptor, oftewel: “Mag ik vriendelijk bedanken?”