Hemel en aarde omvatten meer

“Als je één encyclopedie hebt, weet je alles. Als je twee encyclopedieën hebt, weet je niets.” Aldus Max Pam vrijdag op de Achterpagina. Het is daarom dat ik nooit mijn oude Winkler Prins uit de jaren dertig (vijfde druk) van de hand heb gedaan. Ik kijk er nog vaak in.

Zo zocht ik laatst het trefwoord liberalisme op. Het blijkt een uitvoerige beschouwing van de hand van de Leidse historicus H.T. Colenbrander te zijn. Het liberalisme, zo schrijft hij, kent niet “een eigenlijke panacee voor maatschappelijke kwalen”. “Indien zekere staatkundige voorwaarden (overwicht in de staat ener tot 'Gestaltung' bevoegde klasse) vervuld zijn, zullen de maatschappelijke toestanden geleidelijk kunnen worden verbeterd.

“Middel daartoe is het opwekken van zelfstandige maatschappelijke kracht, die haar beloning behoort te vinden in verlening van steeds ruimer toegemeten staatkundige bevoegdheid. Het liberalisme is in wezen optimistisch. Het gelooft (hierin niet verscheiden van de 18de eeuw) in de 'perfectibilité de l'homme'. (vervolmaakbaarheid van de mens)...”

Zouden de liberalen van vandaag dit nog onderschrijven? Optimist zijn ze zeker, maar hun optimisme is meer een conjunctureel optimisme - toe te schrijven aan de instorting van het socialistische model en aan de electorale successen van de laatste tijd - dan een filosofisch optimisme. Van filosoferen moeten de liberalen überhaupt weinig hebben. Wat dat betreft is Bolkestein een buitenbeentje.

De teneur van Colenbranders artikel is eerder pessimistisch. In Europa is het staatswezen (in de jaren dertig) weliswaar nog altijd liberaal, maar “minder gelukkig is het met de geestelijke inhoud van het liberalisme gesteld. Het is niet bij machte gebleken oudere menselijke stromingen te overwinnen, en het heeft zich in elementen die het gehoopt had te kunnen blijven boeien, wreed bedrogen bevonden”.

“Het is geleidelijk vervallen door de werking van irrationele factoren: klerikalisme, sociaal-democratie, communisme, fascisme, nationaal-socialisme”. Het is een droeve constatering, maar het eind van zijn artikel is nog droever (en bovendien curieus voor een artikel in een encyclopedie): “Zo de wereld herstel zoekt, is het niet in liberale richting, noch staatkundig noch economisch. Moeten wij besluiten dat het liberalisme de laatste weldadige gemeen-Europese ideologie is geweest? Hemel en aarde omvatten meer dan waarvan tot dusver enige filosofie heeft gedroomd; licht is even onverwoestbaar als duister. Zo dit geen liberale troost mag wezen, dan (wat meer waard is) menselijke”.

Ik weet niet of de raadpleger van een encyclopedie verlegen is om zulke ontboezemingen, maar kenmerkend voor een bepaalde vooroorlogse sfeer zijn ze wel. En in sommige opzichten zijn ze niet zó verschillend van een analyse van het liberalisme die ik onlangs in de Frankfurter Allgemeine Zeitung (29 januari) las en die aanleiding voor mij was mijn oude Winkler Prins op te slaan.

De schrijver, een zekere Jan Ross, stelt bij het huidige liberalisme een zekere “theoretische zwakte” vast: “Zelfs bij zijn vrienden geldt het eerder als een praktisch verstandige dan als een geestelijk inspirerende zaak.” Vandaar dat het weinig antwoord heeft op de verwijten van zijn tegenstanders, die beweren dat de liberalen alleen maar individualisme prediken en de maatschappelijke kant van de menselijke natuur verwaarlozen; dat bij hen de niet-inmenging in de particuliere sfeer grenst aan morele onverschilligheid.

De 18de- en 19de-eeuwse vaders van het liberalisme geldt dit verwijt niet. Voor hen stond het buiten kijf dat de mens een gemeenschapswezen was. Voor hen was vrijheid niet het eigenlijk doel, maar de weg naar het goede doel. “Wat het goede is moet men al weten, wanneer men begint aan de oprichting van instellingen die de vrijheid moeten waarborgen.”

Ook voor de grote Thorbecke, op wie de liberalen zich nog steeds graag beroepen, was dit geen vraag. Daarvoor was hij te veel beïnvloed geweest door het Duitse organische denken. Daarom noemde Harm van Riel, vóór Bolkestein de enige intellectueel die tevens voorman was in de VVD, in zijn postuum verschenen Geschiedenis van het Nederlandse liberalisme in de 19de eeuw Thorbecke op nauwelijks verhulde wijze een conservatief (in Van Riels ogen een compliment).

Zolang het materialistische marxisme nog een tegenstander van formaat was, moest, aldus Jan Ross in zijn artikel in de FAZ, het liberalisme, teneinde zich te profileren, wel de nadruk erop leggen dat de economie niet alles is; dat ook immateriële waarden essentieel waren.

Maar nu die tegenstander weggevallen is, althans niet meer ernstig genomen hoeft te worden, rijst de vraag of “het gevaar niet bestaat dat het liberalisme zal veranderen van een sceptische, in de beste zin van het woord: burgerlijke geesteshouding in een zelfvoldane en arrogante ideologie”. Triomfalisme na de “overwinning van het liberalisme” - aldus de ongelukkige vertaling van Fukuyama's woord - is zeker een gevaar.

Bolkestein schijnt dat gevaar wel te onderkennen. Heeft hij niet betoogd dat het liberalisme van vandaag een “bezielend verband” mist? Maar een politicus kan niet tegelijk tacticus en filosoof zijn. Geen wonder dus dat deze woorden in zijn partij, die zich zont in fraaie verkiezingsvooruitzichten, tot dusver weinig weerklank vonden. Het protest van de VVD tegen Ruslands toelating tot de Raad van Europa is niet voldoende bewijs van inkeer.

    • J.L. Heldring