Grundig als gewone dochter van Philips

Max Grundig is al zeven jaar dood. Luidt de doodsklok nu ook voor zijn schepping, het in Fürth, Beieren gevestigde Grundig concern?

In de krant hebben we kunnen lezen dat Philips voornemens is het Beherrschungsvertrag tegen het einde van 1996 op te zeggen. Sommige commentatoren verbinden daaraan de conclusie dat voor Grundig zo niet de doodsklok dan toch wel het laatste uur geslagen heeft. Is deze conclusie juist?

Niet volgens Grundigs nieuwe 'chair person', Pieter W. van der Wal. Hij is 'convinced that Grundig will pull through', zo laat hij in een persbericht weten. Die klok was hoogstens een noodklok.

Wat is eigenlijk een Beherrschungsvertrag? We hebben hier te maken met een specifieke Duitse regeling, speciaal geschreven voor concernverhoudingen. Een niet zo makkelijk te beantwoorden juridische vraag is wie in zo'n verhouding de baas is. De moedermaatschappij natuurlijk, zegt de niet door het juridische virus aangeslagen kenner. Is echter de kenner jurist dan begint hij te verklaren dat iedere vennootschap op eigen benen staat. Vervolgens houdt hij een hakkelend betoog, waarin vooral de woorden 'enerzijds' en 'anderzijds'

opvallen. In Nederland blijven wij dit soort betogen houden tot voor de Hoge Raad. De Duitsers pakken zoiets gründlicher aan. Is de dochter een GmbH dan heeft de moeder instructierecht. Is echter de dochter een AG - zoals Grundig - dan is zij in beginsel autonoom. Bevelen van de moeder die niet in het belang van de dochter-AG zijn mag de leiding van de dochter naast zich neerleggen. Op straffe van ontslag weliswaar, maar dat is een andere zaak. Daar moet dan in elk geval een mooie exit-premie bij, anders gaat de betrokkene naar de rechter.

Heeft een moedermaatschappij geen zin in zo'n vage regeling, zo zeggen de Duitsers, dan moet zij met de dochter-AG een Beherrschungsvertrag afsluiten, desgewenst gekoppeld aan een Gewinnabführungsvertrag. Een Beherrschungsvertrag houdt in, kort gezegd, dat de dochter zich onder de leiding van de moeder stelt. Zij moet dan de instructies van de moeder volgen. Het daarbij horende Gewinnabführungsvertrag houdt in dat de moeder alle gemaakte winsten mag 'abführen'. Zo op het oog een mooie regeling. Maar de regeling heeft een keerzijde. De moeder die een van deze Verträge afsluit is namelijk verplicht, krachtens de Duitse wet, om alle verliezen van de dochter zoals deze aan het einde van het boekjaar blijken, aan te zuiveren.

Met Grundig is zo'n Beherrschungs- en Gewinnabführungsvertrag gesloten. Niet door Philips maar door de directe moeder, Grundig E.M.V.

KG, een commanditaire vennootschap naar Duits recht waarin Philips de zeggenschap heeft. Op de agenda van Grundig E.M.V. KG staat de opzegging van beide Verträge tegen het einde van 1996 en als de tekenen niet bedriegen zal het voorstel worden aangenomen.

Voor de KG (en daarmee voor Philips) wil dit zeggen dat het instructierecht vervalt en daarmee ook de verplichting tot automatische verliescompensatie.

Grundig wordt daarmee geplaatst in de positie van een 'normale' dochter, d.w.z.: de moeder heeft nog een beetje verantwoordelijkheid, de normale (indirecte) zeggenschap, maar de geldkraan staat niet permanent open. Ga ik af op de cijfers over 1995 dan kan dat zo'n 600 miljoen per jaar schelen. Zullen de jaarcijfers van Grundig nog in de geconsolideerde jaarrekening van Philips kunnen worden opgenomen?

Dat is een vraag die beheerst wordt door het Nederlandse jaarrekeningrecht. Beslissend is dat Philips nog zoveel zeggenschap overhoudt dat Grundig als een 'groepsmaatschappij'

kan worden aangemerkt.

Hier en daar is de gedachte geopperd dat deze move van Philips het Nederlandse antwoord is op het loslaten van Fokker door Dasa (Daimler Benz). Dat is een grappige gedachte maar natuurlijk onzin.

Zo oppervlakkig bestaat er wel enige overeenkomst tussen de twee situaties. Een belangrijk verschil is echter dat de verhouding tussen Fokker en Dasa als (indirect) aandeelhouder door Nederlands recht wordt beheerst. Het Nederlandse recht kent niet de figuur van het Beherrschungs- en Gewinnabführungsvertrag met de daaraan gekoppelde verliescompensatie. Wel heeft Dasa in 1995 in het openbaar de toezegging gedaan dat zij Fokker in staat zal stellen aan haar lopende verplichtingen te voldoen.

Maar die toezegging was, afgezien van de druk van de beurs, vrijwillig gegeven. Zij hing niet samen met enige wettelijke regeling. Een pikant gegeven is vervolgens dat die toezegging van een - intussen verstreken - einddatum was voorzien. Wat betekent dit voor de omvang van Dasa's verplichtingen?

Daarover bestaat geen volledige duidelijkheid. Dit is een zelf gecreëerde puzzel (naast vele andere) voor Dasa, Fokker en de bewindvoerders.

De recente uitspraak van Kohlhaussen, bestuursvoorzitter van de Commerzbank, dat Daimler er over na moet denken of zij de obligatiehouders van Fokker wel in de kou kan laten staan, maakt deze puzzel niet eenvoudiger.

Een spannende vraag blijft voor wie de klok nu echt geluid heeft en welke klok dat was.