Figuratie

In de tijd dat mijn vader mij zaterdagsmiddags naar de zomerconcerten op het Pijnackerplein in Rotterdam meenam zal ik niet ouder dan vijf jaar zijn geweest. Gezeten op zijn schouders had ik een onbelemmerd uitzicht op de muziektent, en zodra het geschetter uit de blaasinstrumenten van de Rotterdamse Politiekapel weerklonk, wervelde ik op de maat van de wals of de mars langs de groenkoperen tentkoepel of zweefde gewichtloos boven de mensenmenigte en de kastanjebomen het plein rond.

Het gevolg van deze onweerstaanbare neiging om me bij het horen van muziek onverwijld van de begane grond te verheffen, was dat ik net zo lang op de hardleren neuzen van mijn pantoffels oefende tot ik op de punten van mijn tenen kon lopen en ik onze driekamerwoning in een oeverloos meer, een schitterende balzaal of een geheimzinnig woud met lichtvoetige wezens zag veranderen, wanneer mijn vader Le Lac des cygnes, de walsen van Chopin of L'Après-midi d'un faune op de grammofoon speelde.

Op mijn tiende jaar gaf ik de wens te kennen danseres te worden - geen gewone, maar een echte ballerina, zoals mijn idool Anna Pavlova, die wereldtournees maakte en in de grootste theaters optrad. Hoewel overtuigd dat deze wens nooit in vervulling zou gaan, bleef ik me eraan vastklampen, en toen ik van school kwam, kreeg ik geen klassieke balletopleiding maar een aantal gratis lessen van Roos, een mooi joods meisje uit de Helmerstraat, die om duistere redenen van het operaballet naar het variété was overgestapt.

Tenslotte debuteerde ik op vijftienjarige leeftijd als revuegirl bij het gezelschap van mijn vader in een tot bioscoop omgebouwde haringschuur in Vlaardingen, waar ik te midden van vijf andere meisjes - Roos opende de bescheiden rij - met omhoogzwaaiende benen, en onder schel gefluit van het mannelijke publiek op de voorste klapstoelen, het verblindende licht van de schijnwerpers tegemoet danste.

Mijn gedroomde wereldtournee bleef beperkt tot de kleinste gehuchten van Nederland, terwijl de grote theaters verschrompelden tot rokerige variétélokalen met te kleine, ijskoude kleedkamers, en tot trieste feestzalen waarin jubilerende verenigingen en vakbonden hun zoveeljarig bestaan vierden met een tombola in de pauze en bal na.

Het enige succes dat mij ooit te beurt is gevallen had trouwens niets met mijn dansprestaties te maken, maar was te danken aan een figuratierolletje in onze nieuwe revue, waaraan geen van de meisjes zich durfde te wagen en dat ik alleen om mijn vader te helpen op me had genomen. Hoewel een beetje eng, had het verder niet veel om het lijf, want ik had niets anders te doen dan me in nachtgewaad gillend boven uit de coulissen, die een brandend huis voorstelden, in een vangzeil te werpen.

Niettemin diende er een zekere dramatische mimiek aan de sprong vooraf te gaan, daar het spectaculaire tafereel als huldeblijk aan de Rotterdamse brandweer was bedoeld, die gedurende de crisisjaren verdacht veel fabrieken, opslagplaatsen en kwijnende winkelbedrijven kreeg te blussen. Eigenlijk vond ik het, ondanks het gulle applaus, een afschuwelijk karwei (voor ik sprong moest ik telkens iets overwinnen), vooral omdat ik daarna amper gelegenheid had om me te verkleden voor een ballet op de muziek van Delibes' Pas des fleurs, waarbij we in witte tutu's en met namaakbloemen in ons haar een soort corps de ballet om Roos heen vormden, die met nog iets van de oude glorie uit haar operaverleden een solo op de spitzen uitvoerde.

De revue, die de titel De rode haan droeg, beleefde haar première in het W.B.-theater op de Nieuwe Binnenweg, waar onze foto's buiten in de vitrines tussen die van Miriam Hopkins, Kay Francis en Herbert Marshall waren opgeprikt, de hoofdrolspelers in de film Trouble in Paradise, die na de revue en de pauze tot slot van de avondvoorstelling zou worden gedraaid. Zoals gewoonlijk heerste er bij de eerste opvoering van de revue een nerveuze stemming in de kleedkamers, en toen de brandweerscène naderde beklom ik in het halfduister achter het toneel blootsvoets de ladder naar de uiterste bovenhoek van het decor en wachtte huiverend in mijn nachtpon op het afgesproken muzikale sein. Zodra de paukeslag, gevolgd door onheilspellende tremolo's, uit de orkestbak opklonk en de ruimte achter het voetlicht in een rode gloed werd gezet, opende ik met veel misbaar het dakraam van het kartonnen perceel, waarin mijn witte gestalte zich duidelijk ten voeten uit tegen de vuurgloed moest aftekenen. Tegelijk werd achter mij, door middel van een ventilator, een gordijn van oranjekleurige repen vloeipapier omgetoverd tot grillig omhoogkringelende vuurtongen en riep ik al mijn mimisch talent te hulp om een in haar slaap opgeschrikt en door vlammen bedreigd meisje aanschouwelijk te maken.

Terwijl ik, onder de aanmoedigende kreten van mijn vader en zijn collega in hun hoedanigheid van brandweerman, de spanning zo lang mogelijk rekte door handenwringend te staan weifelen, mat ik tersluiks de afstand tussen mijzelf en het vangzeil, die groter was dan ik had gedacht en, naarmate de seconden verstreken, steeds afschrikwekkender werd.

'Ja!' hoorde ik mijn vader op een gegeven moment sissen, en uit een paniekerige besluiteloosheid ontwakend, liet ik me met een gil die natuurgetrouw aan mijn keel ontsnapte blindelings omlaagstorten.

Verrast door het spontane applaus, boog ik wat duizelig naar de onzichtbare toeschouwers in het zwarte gat van de zaal, eer ik kon wegrennen om de nachtpon en de benauwde ogenblikken op de ladder te verwisselen voor de tutu en de korte illusie van het bloemenballet.

Nog talloze malen heb ik mij onder bijval van het meelevende publiek uit de toneelnok van alle mogelijke bioscopen, feestzalen en andere locaties geworpen, tot ik op een avond verkeerd in het zeil terechtkwam en een spier verrekte, waarna ik moest worden vervangen.

Zo liep mijn toneelcarrière op niets uit, en aan het verlangen naar gewichtloosheid, dat zich lang geleden op het Pijnackerplein had geopenbaard, was door de symbolische en pijnlijke val op de aarde voorgoed een eind gekomen.