Een stadsgek op schaatsen

BIRDAARD. Het regent bij bakken op het ijs van de Dokkumer Ee, en geen Elfstedentocht zal meer door het dorp komen. Het blijft bij het gekwaak van de eenden, het geklop van een enkele hamer ergens in het dorp, en ergens in het land een trekker. Drie geluiden, dat is mooi genoeg.

Elf jaar geleden was dat wel even anders. Lytse Sytze, in het gewone leven betontimmerman, was op die dag een figuur van formaat, de alom tegenwoordige meester van het ijs. 's Ochtends reden bussen vol Hollanders het dorp in, de hele wallekant stond vol mensen, uit de huizen wapperden vlaggen, de jongens die in de nok van de brug waren geklommen begonnen te zwaaien, langs het water kwam een dun lint van gejuich aanrollen, daar was de televisiehelikopter, daar flitsten ze voorbij, en dat was het. In de middag en de avond strompelden de toerrijders om de brug heen, bij duizenden. In het urinoir van het café 't Hoekje belandde ik naast iemand die met zijn schaatsen aan stond te plassen, “Uuh, uuh, uuh”, dat was het enige wat hij nog uit kon brengen, bonkend met zijn hoofd tegen de buis van de stortbak. Eindeloos deelden de mensen van Birdaard mandarijntjes uit, bekertjes thee, bananen, koekjes en water, de dorpsmeisjes bleven de strompelaars maar aanvuren, uren en urenlang. “Jimme benne geweldich!” Zo passeerde de tocht der tochten op die gedenkwaardige dag Birdaard.

De Elfstedendroom van vorige week had iets van een korte terugkeer naar het dorp. Even keerde de stad terug naar de elementen, de ontbering, de kou, en daar tegenover de saamhorigheid. De kleine hype raakte één van de gevoeligste snaren van de stedeling: de verhouding met het bijna vergeten platteland.

Dorps was bijvoorbeeld het onderlinge hulpbetoon. Dorps was ook de organisatiestructuur van de tocht. Flexibiliteit, networking, het werd door Lytse Sytze en de zijnen allemaal feilloos toegepast zonder er één deftig woord aan vuil te maken. De taal was eenvoudig: het ging nog gewoon om wakken en barsten in het ijs. En ook het geheim was eenvoudig: de kern van de organisatie bestond uit dezelfde samenzwering van oude mannen die ook de dorpsfeesten organiseert, de toneeluitvoeringen, die overal vrienden, kennissen en familieleden heeft, die de provincie beter in de hand heeft dan welke bestuurder ook.

Dat alleen al maakte de Elfstedentocht zo onweerstaanbaar, zelfs als hij, zoals vorige week zondag, werd afgeblazen. De provinciale elite overdacht, zoals de Leeuwarder Courant zo smakelijk beschreef, al de aanstaande imago-versterking. Commissaris Loek Hermans stond op het punt om toch nog een man van het volk te worden. De politiebazen zaten al te pronken met hun operette-uniformen. En toen ging er, tussen al het mediageweld, opeens een deur open. Er verscheen een verweerd rayon-hoofd dat 'nee' schudde. “Letter better!” En dat was dat.

Volgens sommigen ligt de massale aantrekkingskracht van de Elfstedentocht in het 'naturel' van het evenement. In een wereld die bol staat van de geprogrammeerde cultuur is zo'n uitbarsting van authentieke sportiviteit en gemeenschapszin iets unieks, iets wat veel mensen voor geen goud willen missen. Het was decennia lang vooral een tocht van sterke mannen, van mensen die zomer en winter zwaar fysiek werk verrichten. Dat bleek ook uit de beroepen van de winnaars uit vroeger jaren: kolensjouwer, slager, bouwvakker, boer, boerenarbeider. Al kwam in de jaren vijftig een nieuwe generatie Elfstedenrijders op de baan die wel profiteerde van de moderne trainingstechnieken, dat doe-maar-gewoon-karakter heeft de tocht nooit verloren.

Dat heeft ook te maken met het wrede karakter van deze merkwaardige schaatsmarathon. In de koude eenzaamheid waren de schaatsers dikwijls alleen op elkaar aangewezen, ze hielpen en steunden elkaar, en de Elfstedenlegende bevat verscheidene verhalen over kopgroepen die na alle doorstane ontberingen besloten gezamenlijk over de eindstreep te rijden. Zowel in 1933, 1940 als 1956 is er sprake geweest van een dergelijk 'verdrag'. Ook daaruit spreekt een denken in groepen en collectieven dat de individualistische stadsmens niet begrijpt, maar dat hem wel fascineert - en hem soms zelfs vervult met een onbestemd heimwee.

In zijn reeks films over de tien geboden vertelt de Poolse cineast Krzysztof Kieslowski bij het eerste gebod - “Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben” - het verhaal van een man die met zijn computer de dikte van het ijs van een vijver tot op de millimeter berekent, en van zijn zoontje die er vervolgens doorheen zakt en verdrinkt.

Ik zag in de krant een foto van een vader die bezig was het IJsselmeer per schaats over te steken, een stevige tocht van minstens vijf en twintig kilometer. Naast hem schaatste een jongetje van een jaar of negen, en hij trok ook nog een sleetje voort met daarop een kleuter van een jaar of vier. Ik las dat de brandweer tevergeefs probeerde om de vader tegen te houden. Ik dacht: die man is gek. Maar hij was op een bijzondere manier gek. Hij was een typische stadsgek, iemand van het soort dat tijdens een vliegende storm met zijn kroost op de IJmuider pier gaat wandelen, dat op de bonnefooi een beetje op de Wadden gaat kuieren, dat de Waal over loopt terwijl de ijsvloer zo broos is als een krakeling. Het is iemand van het soort dat vergeten is dat er zelfs in dit land nog iets als natuur bestaat, dat er krachten zijn die niet met een druk op de knop, een beetje training en een polyester voering zijn te temmen, dat water, lucht en het menselijk vernuft hun eigen kracht en zwakte kennen.

En tegelijk is er voor een stadsmens bijna niets fascinerender dan dat dictaat van de natuur, iets waar hij nauwelijks meer ervaring mee heeft.

Vandaar ook dat het gemopper over het niet-doorgaan van de tocht vooral in de rest van het land weerklinkt, niet in Friesland zelf. Op het platteland is de tegenstelling tussen het bekende en het onbekende immers minder scherp dan in de stad. Het niet-weten wordt er geaccepteerd als een onderdeel van het bestaan, soms in de vorm van magie en bijgeloof, vaker in de vorm van kerken en torens. Alleen: de kern is het niet-weten.

Maar nu dooit het in Birdaard, zoveel is zeker. Er staan grote plassen water op het ijs. Het dorp heeft zich weer gesloten. De hype is voorbij. Over twee weken moeten de schapen lammeren.

    • Geert Mak