Een ruk naar rechts: twee doden

Sommige onvoorzichtige verkeersdeelnemers kunnen op enige coulantie van hun rechters rekenen, omdat die ook wel weten dat de mens niet onfeilbaar is. Maar de 25-jarige Peter Maasnet gaat het erg moeilijk krijgen. Hij heeft twee enorme stommiteiten begaan en bovendien was de tweede bedoeld om de eerste te verdoezelen. Althans, daar ziet het naar uit. Je zou hem daarom een verdachte met een dubbele handicap kunnen noemen, ook al is die term in juridisch opzicht uiterst ongebruikelijk.

Het gebeurde in 1994, de dag voor Kerstmis. Op de A1 bij Amersfoort was Maasnet in zijn rode Rover op weg naar zijn vader in Noordwijk. Hij reed de toegestane 120 km op de linkerweghelft - hij reed op vierbaanswegen altijd links, dat vond hij prettig - toen er vóór hem een Peugeot op dezelfde weghelft verscheen om een vrachtauto te passeren. Maasnet moest zijn snelheid met zo'n 50 km matigen en, alsof dat nog niet erg genoeg was, hij zag tot zijn woede dat de Peugeot na de passeermanoeuvre nog een poosje op de linkerweghelft bleef rijden. Zijn weghelft.

Dat kon zomaar niet.

Maasnet ging dicht op zijn voorganger - misschien wel drie meter - rijden, claxonneerde en kon eindelijk langszij komen toen de Peugeot naar rechts uitweek. De bestuurder van de Peugeot zou daarop zijn middelvinger hebben opgestoken, het universele gebaar van de mannelijke instant-haat. Dat lucht op, want je weet uit eigen ervaring dat die vinger nog lang zal nabranden op het netvlies van de vijand.

Maar meneer Hofmans, de bestuurder van de Peugeot, heeft er maar even plezier van gehad - te kort zelfs om het echt te beseffen. Maasnet maakte een korte stuurbeweging naar rechts (en toen weer naar links), waarop Hofmans de berm inschoot en ten slotte omgekeerd in een sloot belandde. Hofmans overleefde het, maar zijn twee passagiers - zijn echtgenote en schoonmoeder - kwamen om.

En wat deed Maasnet intussen?

Het domste wat hij kon doen: doorrijden.

De voorzittende rechter van de Utrechtse rechtbank, mr. A. Weijsenfeld, kijkt de verdachte onderzoekend aan. “Bent u zo iemand van: opzij, ik kom eraan?”

“Nee, iedereen heeft het recht om in te halen.”

“U bent niet kort op hem gaan zitten om hem op te jagen?”

“Nee.”

“Hoe lang heeft u achter hem gezeten?”

“Zeker wel een kilometer. Ik gaf lichtsignalen. Hij zal gedacht hebben: doe jij maar rustig aan. Hij had gemakkelijk naar rechts gekund.”

“Was u geïrriteerd?”

“Ik was geschrokken, niet echt kwaad.”

“Dan maakt u een ruk naar rechts.”

“Toen was ik er al voorbij.”

“Waarom deed u dat?”

“Dat weet ik zelf niet.”

De rechter meent hem op een leugentje te kunnen betrappen. Tegen de politie had Maasnet immers verklaard dat hij de Peugeot nog maar half voorbij was toen hij zijn fatale stuurbeweging maakte.

“Ik was geweldig in de war toen ik die verklaring aflegde”, zegt Maasnet.

“De vraag is: wilde u hem van de weg drukken”, zegt de rechter.

“Ik denk eerder aan een schrikreactie.”

“Dat begrijp ik niet. Hij gaat opzij, u kunt erlangs en dan gaat u vanuit een schrikreactie naar rechts?”

“Het was niet mijn bedoeling om een ongeluk te veroorzaken.”

“Wèl om hem schrik aan te jagen?”

“Dat wel.”

“Vanwege het vingertje?”

“Dat ook.”

Maasnet blijft volhouden dat hij niet heeft willen 'snijden', hoewel twee getuigen dat wel degelijk hebben zien gebeuren. De rechter vraagt hem of hij enig idee had wat er achter hem gebeurde, nadat hij zijn stuurbeweging had gemaakt. “Nee”, zegt Maasnet, “anders zou ik zijn gestopt.”

“Maar bij de politie zei u dat u de auto van de weg zag afraken”, houdt de officier van justitie, mr. W. Koreman, hem voor.

“Ik was in de war toen ik dat zei”, zegt Maasnet weer.

De rechter citeert nog een andere uitspraak van hem bij de politie: “Ik ben er via de vluchtstrook vandoor gegaan omdat ik er niet bij betrokken wilde raken.” De rechter kijkt de verdachte aan. “Dat wijst er op dat u hem van de weg wilde drukken. Iets anders kan ik er niet van maken.”

“Het is niet zo.”

“Wat vindt u van het gebeurde?”

“Vreselijk. Het is nooit mijn opzet geweest.”

“Als ik u zo hoor, zit er hier een heer in het verkeer”, sneert een bijzittende rechter.

Maasnet zwijgt. Zijn blonde staartje trilt. Hij geeft toe dat hij op tweede kerstdag speciaal naar de bewuste plek was teruggereden om naar sporen te zoeken. “Ik voelde me schuldig. Als ik een losse bermpaal had gezien, had ik me meteen gemeld bij de politie.”

Als de politie die avond op de tv een opsporingsbericht over het ongeluk brengt, meldt hij zich alsnog. Hij kon moeilijk anders. Een vriend had al bij de eerste uitzending van het bericht vermoed dat het om Maasnets vrij zeldzame rode Rover ging. Ook zijn blonde haar was in het bericht genoemd.

Maasnet, een werkloze huisschilder, is al eerder veroordeeld voor zware mishandeling en rijden onder invloed. Hij dronk veel te veel in de weekends, maar na het ongeluk heeft hij de drank afgezworen. Men acht hem oprecht schuldbewust.

De officier vindt dat Maasnet opzettelijk twee mensen van het leven heeft beroofd. Hij eist voor doodslag een gevangenisstraf van tweeëneenhalf jaar waarvan zes maanden voorwaardelijk en een rijontzegging voor acht jaar. “In gevallen als dit is er in de eerste plaats een stuk vergelding, maar ook preventie.”

De advocate, mr. W. van Veldhuizen, vraagt vrijspraak. “Uit de stuurbeweging blijkt geen opzet, temeer omdat hij de auto al volledig gepasseerd was. Hofmans is geschrokken, heeft geremd en is als gevolg van de remblokkade van de weg geraakt. Wat mijn cliënt verweten kan worden, is dat hij de bestuurder schrik wilde aanjagen.”

“De auto was in zijn handen een moordwapen”, werpt de officier nog tegen.

(Het vonnis, twee weken later: een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee jaar en een rijontzegging voor zes jaar.)

De namen van de verdachten en getuigen in deze rubriek zijn om redenen van privacy gefingeerd.

    • Frits Abrahams