Mag België meedoen?

Van alle delicate aspecten aan het toch al zo delicate onderwerp van de ene munt voor Europa is er één wel bijzonder gevoelig voor Nederland: mogen onze buren meedoen? Wie naar de landkaart van Europa kijkt zal onmiddellijk zeggen: 'hoe kan het anders?' Als de ene munt er ooit komt bestaat de club van deelnemende landen tenminste uit Duitsland, Frankrijk, Nederland, Oostenrijk en Luxemburg en een blik op de kaart laat zien dat het gemeenschappelijk territorium van de deelnemende landen er veel beter uitziet wanneer België ook van de partij is. Trouwens, de Belgen kunnen er met recht op wijzen dat hun land al heel lang een intieme monetaire unie onderhoudt met Luxemburg, en dat het wel heel pijnlijk zou zijn om die succesvolle band door te snijden wanneer Luxemburg wél mee mag doen maar België voor de poort moet blijven wachten.

De belangrijkste poortwachter, de Duitse minister van Financiën Waigel, is echter streng en controleert of aspirant-deelnemende landen wel voldoen aan de criteria van het Verdrag van Maastricht. Dat is geen politieke onwil van minister Waigel, maar praktische noodzaak, omdat één eis van de Duitse publieke opinie is dat men de eigen D-mark pas kan omruilen voor de onbekende Euro, wanneer het lidmaatschap van de club beperkt blijft tot landen die correct voldoen aan de eisen van Maastricht. Volgens het Verdrag moet het quotiënt van staatsschuld en nationale economie lager zijn dan 60 procent en zo niet dan tenminste in een bevredigend tempo zakken naar dat niveau. Later heeft de raad van ministers van Financiën van de Europese Unie nog preciezer gesteld dat 'bevredigend tempo' tenminste zou moeten betekenen dat het quotiënt staatsschuld-nationale economie ieder jaar daalt met tenminste twee procentpunten.

Jammer genoeg kampt België met de hoogste staatsschuldquote in de hele Europese Unie, namelijk 134.4 procent, en dat is nog hoger dan bijvoorbeeld in Italië of Griekenland. In 1995 was het quotiënt staatsschuld-nationale economie een fractie lager dan in 1994, maar die daling van 135.0 procent naar 134.4 procent was bepaald nog niet indrukwekkend. Bedenk daarbij dat België nu het enige land is in de Europese Unie met automatische prijscompensatie in de lonen en dat er bovendien een aantal zaken grondig mis zijn met het Belgische belastingsysteem. Zelfstandigen en beoefenaars van de vrije beroepen hebben nogal wat mogelijkheden om te weinig belasting te betalen, zodat de inkomstenbelasting en de sociale premies te zwaar drukken op de loontrekkers. Dat zijn zwakke plekken in de Belgische economie die veel beleggers onzeker maken over de vraag of België inderdaad de openbare financiën in rap tempo beter op orde kan krijgen. Teken van die nervositeit bij de beleggers is dat de Belgische lange rente ongeveer een half procent hoger is dan in Duitsland, omdat beleggers extra geld eisen als vergoeding voor mogelijke toekomstige ongelukken met de Belgische frank. (daarentegen is de Nederlandse rente nu volkomen gelijk aan de Duitse rente omdat beleggers niet meer zenuwachtig zijn over de toekomstige wisselkoers tussen gulden en Duitse mark).

De eerlijkheid gebiedt om toe te geven dat ook Nederland niet met glans voldoet aan de eisen van Maastricht voor wat betreft de staatsschuld. Tot nog toe gaat echter iedereen - ook in Duitsland - er van uit dat als de ene munt er ooit komt Nederland zeker mee mag doen, zowel omdat onze rente en inflatie al heel lang uitblinken, als vanwege het feit dat de regel van Maastricht voor de staatsschuld in ons geval wel erg streng is. In alle andere Europese landen betaalt de overheid de pensioenen van de ambtenaren uit belastinggeld; alleen in Nederland is er een ABP waarin al vele jaren lang premies zijn verzameld en belegd. Hier stort de minister van Financiën eveneens iedere maand een groot bedrag op de rekening van het ABP maar dat heet dan 'rente op de staatsschuld in bezit van het ABP' in plaats van 'directe bijdrage in de pensioenen van de ambtenaren'. Voor de belastingbetalers maakt het niet zo veel uit of hun geld nu in een enveloppe 'rente' of in een enveloppe 'pensioenuitkering' aankomt bij het Pensioenfonds voor de ambtenaren, maar in de nationale statistiek is onze staatsschuld zo'n 15 punten hoger vanwege onze voortreffelijke, maar afwijkende, keuze om de pensioenen van de ambtenaren te regelen via een groot, vet pensioenfonds. Breng een correctie aan ter hoogte van de genoemde 15 procent, en Nederland voldoet in 1999 als de ene munt moet beginnen keurig aan de staatsschuldregel van het Verdrag van Maastricht. Optimistisch aannemend dat Nederland wel bij de kopgroep zal horen, rijst het delicate diplomatieke probleem hoe te handelen ten opzicht van België. Nederlandse beleidsmakers zijn daarover verdeeld. President Duisenberg van De Nederlandsche Bank verklaarde al vorig jaar dat België zeker mee zou doen, werd toen daarvoor bekritiseerd door VVD-woordvoerder Hoogervorst in de Tweede Kamer, maar herhaalde zijn visie in NRC HANDELSBLAD van 25 januari. Ondanks de duidelijke kritiek van de VVD stelde Duisenberg twee keer nadrukkelijk dat België 'in ieder geval' mee zal doen met de Muntunie. Vreemd genoeg had Duisenberg gerede twijfel over Oostenrijk ('een zware dobber'), hoewel de cijfers van zijn collega in Wenen veel sterker zijn dan in Brussel. Maar ja, gouverneur Verplaetse van de Belgische Nationale Bank is een oude vriend én een nabije buur. Daarentegen lijkt minister Zalm de lijn te volgen van zijn partij en vast te houden aan de eisen van het Verdrag van Maastricht. De VVD is ook daarom zo gespitst op goede prestaties van Nederland in het terugbrengen van de staatsschuldquote, omdat het dan voor ons moreel des te gemakkelijker is om streng en precies te zijn tegen andere landen.

In België stijgt de nervositeit. De bekendste Belgische econoom, prof. Paul de Grauwe uit Leuven, pleit er voor om België in elk geval toe te laten tot de ene munt, omdat dan de Belgische rente zal zakken en het voor België makkelijker en goedkoper wordt om de staatsschuld onder controle te houden. Economisch beschouwd zijn dat zinnige argumenten, maar als België dan mee mag doen, wil Spanje natuurlijk ook lid worden van de club. Maar alle geluiden uit Duitsland wijzen erop dat het verkopen van de ene munt aan de Duitse publieke opinie nu al een hele hijs is, en volkomen onmogelijk wordt wanneer ook mediterrane landen al in de kopgroep mogen meerijden. Wie de ene munt graag tot stand ziet komen, moet wel selectief zijn over de toelating tot het lidmaatschap, omdat anders de publieke opinie in Duitsland het hele project voortijdig afblaast. Mij lijkt daarom dat hier voor Nederland geen goed garen valt te spinnen. België is onze gewaardeerde buur, en de Koning van Hispanje hebben wij ook altijd geëerd. Maar het is struisvogelpolitiek om te menen dat iedereen welkom is voor het grote avontuur van de ene munt, want dan willen de Duitsers hun trotse mark niet meer inruilen. Daarom moet Nederland er voor zorgen de eigen financiën goed op orde te houden en er verder een discreet zwijgen toe doen. Als kleine handeldrijvende natie hebben wij een groot belang bij de ene munt, en die mag niet in gevaar komen door sympathieke maar loslippige uitspraken over het lidmaatschap.