Dansgezelschap Reflex viert tienjarig jubileum met koddige voorstelling; Poppen worden dansende stripfiguren

Voorstelling: Dansgezelschap Reflex met Stella Maris. Choreografie: Patrizia van Roessel en Norio Mamiya; compositie; Armando; muziek: Armando Kwartet. Gezien: 11/2 Stadsschouwburg Groningen. 15/2 Enschede, 18/2 Amsterdam. Tournee t/m mei.

Met pech begint het Groningse Dansgezelschap Reflex aan het tiende jaar van haar bestaan. Het jubileumprogramma 'Tien jaar Reflex' zou met twee nieuwe producties worden ingeluid, maar door een blessure moest die van acteur/regisseur Jim van der Woude worden uitgesteld tot juni. Alleen nog tijdens de voorstelling in Amsterdam zal Van der Woude ter compensatie zijn vrolijke solo De schilder uitvoeren, over een kunstenaar die al zoekend naar inspiratie op een sigaret, pijp en penseel tegelijk kauwt, zijn neus rood verft en hopeloos in het doek op zijn ezel strandt. Dans is het niet, maar dat past wel bij het gezelschap. Want sinds Patrizia van Roessel er zes jaar geleden artistiek directeur werd, zoekt Reflex verschillende kunstdisciplines op: volgens Van Roessel wordt er in Nederland al genoeg pure dans gebracht.

Stella Maris, gechoreografeerd door Roessel en de Japanner Norio Mamiya, die eerder Wiegeling en La Ritrata di Madrid voor Reflex maakte, is vooral prachtig blauw. Voormalig Groninger Museum-directeur Frans Haks gaf deze keer advies over het toneelbeeld, wat een geheel pauwblauw tegeldecor opleverde. Achterin het blauw, blauw en nog eens blauw met strenge witte voegen ertussen, staat een groot bad waarin een zachte waterval naar beneden ruist. Dit is een badhuis of een zwembad en af en toe maakt iemand een schoolslag. Ook trekken de acht dansers imaginaire bh's uit, wordt er een soort kozakkendans met een blauw emmertje gedanst of imiteert men een Egyptische hiëroglyfe. Het verschil doet er weinig toe: voor welke beweging dan ook is zelden een aanleiding, of het moet de muziek van het virtuoze Armando Kwartet zijn. De mengeling van zigeunermuziek, soms exotisch klinkende walsen en hier en daar een oude hit is even onvoorspelbaar als de choreografie.

De bad-tricots van knalgeel tot paars, lange jurken met hoepels in de zoom en met strooien hoeden die het hele gezicht bedekken, maken van de dansers al poppetjes, maar door de dans worden ze zelfs stripfiguren. De voeten zijn steeds parmantig gekromd en trappelen op de grond of in de lucht dat het een aard heeft. Er wordt koddig gelopen door de ellebogen kordaat naar achteren te steken, koddig gekeken met grote ogen en koddig koket gedaan met heel veel wiebelende bipsen. Men roept af en toe kukeleku en er danst nog iemand in jacquet rond.

De dansers zijn uitstekend. De choreografie bruist zeker, de losse delen zitten bovendien vaak ingenieus in elkaar met slimme kruip-door-sluip-door-foefjes en spectaculair tillen en gooien van de dansers. Maar de al te overduidelijke en iets te langdurige vrolijkheid in Stella Maris van die poppetjes waar je niets mee hèbt, maakt dat ze even koel en clean blijven als de blauwe tegelwand. En ook al is die mooi, het is geen goed teken als de ogen er steeds naar afdwalen.