Vooruitblik in bezettingstijd

W. DREES: Op de kentering. Beschouwingen over de toekomst van Nederland

226 blz., Bert Bakker 1996, ƒ 34,90

Het woord was aan de Eerste Kamer. Die stemde op 21 mei 1947 voor de Noodwet Ouderdomsvoorziening. Het hoofd van de afdeling arbeidsverhoudingen van het ministerie van sociale zaken, dr. W.F. de Gaay Fortman, spoedde zich naar zijn hoogste baas, minister Drees om hem te feliciteren. “Hij stond met zijn rug naar de deur voor het raam dat uitkijkt op de Zeestraat, en rookte een sigaret. Ik bleef min of meer getroffen staan. Hij draaide zich om, zag mijn verbazing en zei haast verontschuldigend: 'Ik vind dat ik dit verdiend heb'.”

Dat was geen woord te veel gezegd. Hij was ook geen man van heel veel woorden. Gezwollen taalgebruik was hem vreemd. Hij was een socialist van de daad, een politicus die het compromis niet schuwde, maar in onderhandelingen niet over zich heen liet lopen. “Bij Drees wist je precies waar de grens lag van een compromis, dat voelde je aan als het ware”, aldus wijlen S.L. Mansholt, die van 1945 tot 1958 minister van landbouw, visserij en voedselvoorziening was.

Gedurende de jaren zestig en zeventig was het in sommige kringen bon ton enigszins laatdunkend te doen over niet alleen de politicus maar ook over de mens Drees. Hij was zo saai en hij was zo zuinig. Maar hij was helemaal niet saai. Hij kon onderhoudend vertellen, daarbij puttend uit zijn enorme geheugen. En zijn veronderstelde zuinigheid is heel wat positiever te waarderen dan de grootse gebaren van latere politici. Inmiddels is de beeldvorming bijgesteld. Niet voor niets wordt premier Kok op een positieve manier vergeleken met zijn eertijdse voorganger.

Dat moet de al jaren geleden 'benoemde' biograaf van Drees, prof.dr. H. Daalder, deugd doen. In woord en geschrift laat hij niet na de kwaliteiten van Drees te roemen en hij werd nog eens overtuigd van zijn gelijk toen in het archief-Drees een manuscript gevonden werd waaruit blijkt dat 'de wethouder van Nederland' helemaal niet zo kleinsteeds was als menigeen dacht. “Het beeld is zo ingesleten dat het velen als een verrassing zal voorkomen dat Drees in de oorlogsjaren een aantal grondige beschouwingen over internationale ontwikkelingen schreef”, aldus Daalder en J.H. Gaemers in hun inleiding. Wie die 'velen' zijn laten zij in het midden.

Het manuscript dateert uit de Tweede Wereldoorlog en zou na de bevrijding in boekvorm zijn verschenen, ware het niet dat Drees het opzij legde toen hij minister werd. Niet alles in het nu verschenen boek is nieuw, sommige delen van het manuscript zijn eerder gepubliceerd. Dat geldt bijvoorbeeld voor hoofdstuk 3 'Hoe te handelen tegenover Duitsland', dat in 1949 in vertaling in twee Duitse kranten verscheen. In dit hoofdstuk keert Drees zich tegen de gedachte collectief wraak te nemen op het Duitse volk voor de wandaden van het nationaal-socialisme. “Dat is een eis van menselijkheid en recht. Het is ook een eis van welbegrepen eigenbelang.” Zonder herstel van de betrekkingen zou de wederopbouw van Europa volgens Drees in gevaar komen. Het opleggen aan Duitsland van niet op te brengen herstelbetalingen, zoals dat in 1918 gebeurde, achtte hij uit den boze.

Het eerste hoofdstuk bevat een doorwrochte beschouwing over de 'samenhang van het wereldgebeuren'. Een wereld die, daar was Drees van overtuigd, er heel anders zou uitzien dan voor de oorlog. En waarin ondanks “de haat, gewekt door de oorlog” gestreefd moest worden naar Europese eenheid. Hem stond, toen al, een Europa voor ogen zonder de barrières “die het onderlinge verkeer tussen de Eurpese staten tot nog toe belemmerden (...). Een Europa waarin de grenzen culturele eenheden omsluiten, maar minder dan tevoren de volken van elkander afsluiten.” Hij hield er rekening mee dat in de naoorlogse wereld Rusland en de Verenigde Staten een leidinggevende rol zouden spelen.

Sommige delen van hoofdstuk 4, 'De wederopbouw van Nederland', vertonen grote gelijkenis met het stuk 'Enige richtlijnen voor het in Nederland na de bevrijding te voeren beleid' (door een Sociaal-Democraat) dat in 1985 is afgedrukt in het boek Bij monde van Willem Drees. De richtlijnen werden in maart 1945 in het illegale geschrift Vrije Organen gepubliceerd. Een paar maanden later stond hij, nu als minister, aan de wieg van de wederopbouw. Hij was zich ervan bewust dat de periode van wederopbouw lang zou duren. Zijn streven was gericht op grotere bestaanszekerheid, meer welvaart voor de massa en meer sociale gerechtigheid. De economische en sociale politiek van de eerste naoorlogse kabinetten zouden in 1952 hun vruchten afwerpen.

Een zure vrucht werd Nederlands-Indië. Het zou, schreef Drees in 1944, een slag zijn wanneer Nederland plotseling geen koloniën meer zou hebben. Want Nederland “ontleent zijn betekenis in de wereld voor een groot deel aan zijn verbinding met de overzeese gebiedsdelen, die grote invloed heeft gehad op de ontwikkeling van zijn handel en zijn scheepvaart.” Hij pleitte voor een federatieve band tussen Nederland en Nederlands-Indië, maar vroeg zich tegelijkertijd wel af of deze kolonie “zijn plaats zal kunnen en willen innemen als gelijkwaardig deelgenoot in een rijk, met een vorm van eigen bestuur, waarin de inheemse bevolking tot volle ontplooiing komt (...). Of gaan wij in dit opzicht nog jaren van gisting, verwarring en strijd tegemoet?” Het laatste gebeurde en blijkens recent gevoerde discussies zijn de wonden, althans in Nederland, nog steeds niet geheeld.

In één opzicht stelt dit hoofdstuk over de wederopbouw teleur. Met geen woord rept Drees over de noodzaak om voor alles een beleid te ontwikkelen voor de opvang, huisvesting, medische en sociale zorg voor de joodse overlevenden van de nazi-terreur. Achteraf kun je zeggen: maar daar dacht niemand aan, althans veel te weinig mensen. Hier blijkt Drees dan net zo onnadenkend te zijn geweest als de overgrote meerderheid van het Nederlandse volk destijds.

In een aantal hoofdstukken staat Drees stil bij het politieke bestel zoals dat na de bevrijding gestalte zou moeten krijgen. Hij pleit voor handhaving van het stelsel van evenredige vertegenwoordiging en afschaffing van de stemplicht. Volgens hem had de stemplicht er in de jaren dertig toe geleid dat de NSB in haar begintijd zoveel kiezers trok. Dat waag ik te betwijfelen. Het is zeer de vraag of de schare ontevredenen met het vooroorlogse parlementaire stelsel thuis gebleven zou zijn, wanneer ze niet verplicht was geweest te stemmen. Dat de NSB aanvankelijk zovelen aantrok was geen gevolg van de stemplicht maar van een voor velen desastreuze economische politiek, waar pas een voorzichtig einde aan kwam na het loslaten van de gouden standaard.

Anders dan nogal wat van zijn tijdgenoten verwachtte Drees niet dat zich na de bevrijding een grootscheepse vernieuwing zou voordoen op het partij-politieke vlak. Hij was er niet voor om alles tot elke prijs te handhaven, maar keerde zich tegen “lichtvaardig opofferen”. De onderhandelingen over een nieuwe partijformatie, waar ook de SDAP uiteindelijk in zou opgaan, verliepen dan ook allerminst lichtvaardig. Niet in de laatste plaats omdat Drees, hoewel de man van het compromis, niet over zich heen liet lopen.

    • Anneke Visser