'Vooral allochtonen gebaat bij les met rode draad'

Op enkele basisscholen gaan de prestaties van allochtone leerlingen met sprongen vooruit sinds de school een nieuwe lesmethode gebruikt. Is de methode het Ei van Columbus voor kinderen met leerachterstand?

ROTTERDAM, 10 FEBR. Toen D. Hak zes jaar geleden directeur werd van basisschool De Heemskerk in het Rotterdamse Feyenoord trof hij “een chaos” aan. Tachtig procent van de leerlingen is allochtoon, en hun resultaten waren toen “schrikbarend slecht”. Hak: “Ze hadden ontieglijk veel moeite met Nederlands en waren nauwelijks aanspreekbaar. De leerkrachten waren wel gemotiveerd, maar wisten niet waar ze moesten beginnen en hadden lage verwachtingen van de kinderen.” Als de kinderen niet mee konden komen, bleven ze jaren extra op school, herinnert Hak zich. Er zat een meisje van 15 in groep 8. “Ze dacht dat ze snel zou trouwen en toch geen middelbare school nodig had.”

Hak besloot mee te doen met het Kleinschalig Experiment Achterstandsbestrijding (KEA) van de schoolbegeleidingsdienst CED. Vijf jaar later zijn de resultaten van zijn leerlingen met sprongen vooruit gegaan. De kinderen scoren in niveautoetsen voor taal en rekenen van het CITO op het niveau van het landelijk gemiddelde, op sommige onderdelen zoals begrijpend lezen zelfs hoger. Alleen hun woordenschat ligt nog steeds onder het gemiddeld. Voordat het project begon, lagen alle scores onder het landelijk gemiddelde.

Ook de andere drie Rotterdamse basisscholen die deelnemen aan het project, elk scholen met minstens tachtig procent allochtone kinderen, halen goede resultaten. Tot grote tevredenheid van projectleider J. Slavenburg, hoogleraar onderwijsbegeleiding in Groningen. “We proberen al twintig jaar de leerachterstand van allochtone kinderen weg te werken. Met speciale lesboeken haalden we alleen op korte termijn resultaat. Maar nooit lukte het allochtone kinderen die kennis toe te passen bij landelijke CITO-toetsen.”

De nieuwe methode van Slavenburg is vrij eenvoudig. Gedurende een schooljaar woont een schoolbegeleider elke twee weken een taal- en een rekenles van één docent bij. Daarna geeft hij de docent tips hoe de lestijd effectiever kan worden besteed. “Het gaat erom dat de leerkracht zich bewust wordt van wat hij voor de klas doet, hoe hij iets uitlegt, waarom hij een bepaalde les geeft, en hoe die les weer aansluit op de vorige”, zegt een van de begeleiders, W. Hogendijk. “Want als een docent de rode draad van een les niet duidelijk in zijn hoofd heeft, gaan de kinderen mee zweven. Dan wordt de lestijd niet effectief benut.”

Het schooljaar daarna worden de lessen van een andere leerkracht bekeken, zodat na acht jaar alle docenten zijn geobserveerd. Uit toetsen blijkt dat de prestaties van leerlingen goed blijven als een docent eenmaal klassebezoeken heeft gehad. De scholen die met het project meedoen, moeten extra tijd aan taal en rekenen besteden, ook in de kleutergroepen. Ze gebruiken daarvoor lesmethoden die speciaal zijn ontwikkeld voor allochtone kinderen.

Volgens Slavenburg is zijn methode zo succesvol doordat kinderen een duidelijke 'leerstructuur' wordt geboden. Autochtone kinderen hebben dat veel minder nodig. “Zij hebben geen taalachterstand en worden vaak thuis meer gestimuleerd.” Eigenlijk zouden de Pabo's toekomstige docenten beter moeten opleiden om allochtone kinderen les te geven, vindt Slavenburg. “Alles is nu nog gericht op het gemiddelde autochtone kind.” De Pabo zou bovendien studenten bij stages meer bewust moeten maken van hun manier van lesgeven.

Niet alle docenten vinden het leuk om in de klas te worden bekeken, zegt begeleider Hogendijk. Maar M. Nettenbreijers, docente van groep 5 van de basisschool de Heemskerk, had daar geen moeite mee. Ze heeft vooral profijt van “praktische tips” van haar schoolbegeleider. Zo stelde hij haar voor de klas bij de taalles anders in te delen: de betere leerlingen aan de ene kant, en de zwakke aan de andere kant van de klas. Ze kan hen allemaal tegelijk extra uitleg geven, terwijl de rest zelfstandig verder werkt.

Onderzoeker J. Kloprogge “zit met verbazing te kijken” naar de resultaten van het Rotterdamse project. Kloprogge doet sinds 1986 onderzoek naar de leerprestaties van allochtone kinderen voor het Ministerie van Onderwijs. Uit de grote 'cohortonderzoeken' die Kloprogge deed, blijkt dat een allochtone leerling gemiddeld anderhalf jaar achter loopt bij een autochtoon kind, ondanks pogingen die resultaten te verbeteren. “De Rotterdamse cijfers zijn zo spectaculair”, zegt Kloprogge, “dat ze niet door toeval kunnen zijn veroorzaakt. Maar met deze uitgangspunten is ook op andere plaatsen geëxperimenteerd. Ik ben wat huiverig te zeggen dat dit het ei van Columbus is. Daarvoor wil ik eerst meer weten over de precieze oorzaken van het succes.”