Verhalen

CLIFFORD GEERTZ: After the Fact. Two Countries, Four Decades, One Anthropologist

198 blz., Harvard University Press 1995, ƒ 45,20

Pare, een stadje in Midden-Java, en het in Noord-Marokko gelegen Séfrou hebben weinig gemeen behalve de permanente aanwezigheid van de islam in beide steden en de periodieke aanwezigheid van de Amerikaanse cultureel antropoloog Clifford Geertz. Sinds 1952 bezoekt hij het Indonesische plaatsje om de zoveel jaar, en vanaf 1963 is dat het geval met Séfrou. In After the Fact werpt Geertz een keurende blik op de sociale feiten die de aandacht in zijn wetenschappelijk bestaan hebben opgeëist. In zes hoofdstukken, die plompweg 'steden', 'landen', 'culturen', 'heerschappijen', 'disciplines' en 'modernismen' zijn getiteld, kijkt hij terug op zijn studie, veldwerk en academische loopbaan.

Clifford Geertz geniet wereldwijd een grote reputatie als onderzoeker en theoreticus, in Nederland misschien nog meer dan elders. De interesse van Nederlanders in Geertz - hij fungeert bijvoorbeeld in W.F. Wertheims beruchte Evolutie en revolutie (1970) als voornaamste sparring partner - is mede het gevolg van hun blijvende belangstelling voor 'Indische zaken'. De paar boeken die Geertz in de jaren zestig schreef over godsdienst op Java, en over sociale verandering in Indonesië zijn nog steeds verplichte kost aan de Nederlandse antropologische opleidingen.

In de evaluatie van zijn bezigheden speelt de vraag naar het verschil tussen de twee gemeenschappen een leidende rol en om op die vraag een antwoord te vinden put hij beurtelings uit historie, taaleigen, en architectuur. Antwoord is te veel gezegd, want Geertz' wantrouwen tegenover 'de feiten' schrijft hem voor zich hoofdzakelijk in suggesties uit te drukken. Hoeveel 'onbesliste revolutie' schuilt er in de pijnlijk beleefde omgang tussen de Javanen, hoeveel dynastieke intriges in de factiestrijd waarin Séfrou regelmatig gewikkeld is? Geeft het Indonesische spraakgebruik met zijn gevoeligheid voor de status van de aangesprokene, en het Arabische met zijn scherpe geslachtsonderscheid de kern van het verschil weer? Maakt de complementariteit van de verhoudingen in Indonesië niet een rijsttafel van de maatschappij, en gloeien de felle bewegingen rond machtsbeluste sjeiks en maraboes niet op als de figuren in een tapijt? Wie zich door de onophoudelijke invallen en beeldspraak van Geertz heenworstelt, verbaast zich niet dat hij de uitvinder en advocaat van het begrip 'thick description' is: de antropoloog moet verhalen vertellen over de verhalen die hij van zijn informanten opsteekt. Vooropgezette ideeën over onbewuste belangen die mensen zouden bezielen, theorieën dus, kunnen daarbij beter achterwege blijven.

Niet altijd betrok Geertz zo'n uitgesproken fenomenologisch standpunt. In het hoofdstuk 'disciplines' ontkent hij om te beginnen het bestaan van een kader voor de antropologie, maar daarna somt hij met jongensachtige ijdelheid op van welke progressieve academische clubjes hij achtereenvolgens op Harvard en de universiteit van Chicago deel heeft uitgemaakt. De statuten en onderzoeksplannen van die gezelschappen stonden bol van de wensen om 'realistische, maar goedgezinde studies van de jonge naties' te verrichten, en om 'human affairs' voortaan in vrede te regelen.

De ideologie en dadendrang van de sixties zijn niet aan Geertz voorbijgegaan. 'Thick description', de smakelijke vertelkunst, lijkt pas de overhand te hebben gekregen na zijn aanstelling in Princeton in 1970. Geertz werd de eerste sociale wetenschapper aan het Institute of Advanced Study, oorspronkelijk een denktank van wis- en natuurkundigen. De slag die hij bij de formatie van zijn staf met die 'hardware' wetenschappers heeft moeten leveren, bracht hem misschien tot de overtuiging dat 'niet de waarheid of werkelijkheid, maar de weg het doel bepaalt'. Van de nood een deugd gemaakt? Geertz zwijgt echter over de inhoudelijke kant van het conflict, en bepaalt zich tot een gevleid aanhalen van de krantenkoppen uit die dagen.

De slotsom van Geertz' afrekening is dat de antropologen onbevoegd zijn tot oordelen. De smakelijke anekdotes over islamieten die niet geloven dat de Amerikanen op de maan zijn geland en over potsierlijke Javaanse rock 'n' roll waarmee zijn overdenkingen zijn opgesmukt, moeten aantonen dat het misverstand tussen de inheemsen en de (ex-)kolonialen altijd op de loer ligt. Toch hoeft men geen 'nieuwe wereldorde' te propageren om een minder lijdelijke houding dan die van Geertz' interpretatieve antropologie verkieslijk te vinden. Mensen begeven zich om allerlei redenen, variërend van winstbejag tot idealisme, naar Marokko en Indonesië. Aan de nieuwsgierigheid van die handelaars of filantropen had de antropologie van oudsher een boodschap. Geertz stuurt de toekomstige koopman of ontwikkelingswerker echter met lege handen het bos in, en ook nog met de waarschuwing ze niet vuil te maken. Daar wordt niemand wijzer van.

    • Samuel de Lange