Tussen feest en knekelhuis

KAY REDFIELD JAMISON: An unquiet mind. A memoir of moods and madness

227 blz., Alfred A. Knopf 1995, ƒ 43,35

In april verschijnt bij Luitingh Sijthoff de vertaling ('De onrustige geest'), ƒ 29,90

In Nederland lijden zo'n 100.000 tot 150.000 mensen aan manisch depressieve ziekte, een ernstige psychiatrische aandoening die gepaard gaat met heftige stemmingswisselingen. Manische perioden vol druk en 'speedy' gedrag waarin men zich bevrijd voelt van allerlei remmingen worden afgewisseld met sombere perioden waarin men letterlijk stil valt en zich 'levend-dood' voelt. Als voorkeursbehandeling beschouwt men sinds jaar en dag lithium - meestal in de vorm van lithiumcarbonaat - met als goede tweede het anti-epileptische middel carbamazepine (Tegretol). Veel manisch depressieve patiënten hebben moeite met hun ziekte, inclusief het feit dat ze veelal levenslang lithium moeten gebruiken.

In An unquiet mind. A memoir of moods and madness verhaalt de Amerikaanse psycholoog Kay Redfield Jamison (49) stijlvol en meeslepend van haar jarenlange dooltocht door wat zijzelf nogal luguber als het 'knekelhuis' typeert. In 1990 publiceerde ze samen met de psychiater Frederick Goodwin Manicdepressive illness, dat alom als hèt standaardwerk op dit gebied wordt gezien. In Touched with fire. Manic-depressive illness and the artistic temperament (1993) betoogde Jamison, sinds 1986 hoogleraar psychiatrie aan de Johns Hopkins University School of Medicine in Washington, dat het geenszins toeval is dat een onevenredig groot aantal kunstenaars, vooral dichters, aan depressies of aan manisch depressieve ziekte lijdt. In haar visie vallen de manisch depressieve bodem en het artistieke temperament in veel gevallen zelfs volledig samen. Opmerkelijk genoeg veegde zij in Touched with fire de vloer aan met al die eigenzinnige manisch depressieve kunstenaars die geen lithium willen slikken omdat dit middel hun creativiteit zou aantasten.

Vervlochten

In An unquiet mind wordt duidelijk hoe persoonlijk Jamison met haar onderwerp vervlochten is en dat zij in haar vorige boek impliciet zichzelf had gekritiseerd. Het aanvaarden van lithium als stemmingsstabilisator verliep bij Jamison niet zonder slag of stoot, wat goed voorstelbaar is bij een persoon die reeds als jong meisje koppig weigerde volwassenen met onderdanige reverances te vereren.

Des te moediger is de publikatie van dit boek dat een realistisch beeld geeft van wat manisch depressieve patiënten, soms door eigen toedoen, zoal moeten doormaken. Zo zegt een botte arts bijvoorbeeld doodleuk tegen de schrijfster dat ze maar beter geen kinderen kan krijgen, omdat manisch depressieve ziekte een erfelijke aandoening is, een nogal ongenuanceerd standpunt. Een zachtpratende psycho-analyticus toont zich ernstig in haar teleurgesteld als ze hem vertelt dat ze in het verleden een serieuze zelfmoordpoging met lithium heeft gedaan. De man had haar veel sterker gedacht; een zelfmoordpoging stond voor hem gelijk met een laffe daad.

Behalve herkenbaar is An unquiet mind erg nuttig voor de praktijk. Hoe eerlijk moet je bijvoorbeeld zijn bij het invullen van een sollicitatieformulier als gevraagd wordt of je een psychiatrische aandoening hebt. Zelf noteert ze: “Dit punt wil ik graag met het hoofd van de faculteit bespreken”, en dus niet: “Ernstig manisch depressief, eenmaal heftige suïcidepoging, al twaalf jaar psychiatrische behandeling met lithium”.

Haar levensverhaal toont overtuigend aan hoe verwoestend dit ziektebeeld kan zijn. Op haar zestiende krijgt Jamison de eerste manisch depressieve verschijnselen, pas met achtentwintig jaar neemt zij voor het eerst lithium. Dat houdt zij maar een half jaar vol, stopt met lithium uit eigenzinnigheid en vanwege de bijwerkingen, waarna ze opnieuw manisch wordt. Helemaal representatief lijkt me haar relaas overigens niet, daarvoor is Jamison te veel een zondagskind. Ze groeit op in de betere kringen, als jongste in een gezin met drie kinderen; haar vader werkt als meteoroloog en piloot bij de luchtmacht. Met twaalf jaar geeft ze te kennen dat ze dokter wil worden, de ping-pong tafel in de kelder gebruikt ze als lab. Op haar vijftiende maakt ze met een stel leeftijdgenoten kennis met een psychiatrische inrichting. “Jij eindigt nog eens in St Elizabeths”, herinnert ze zich ineens als ze met de bus het terrein van de inrichting oprijden. Ze raakt geschokt door de waanzinnige blik en het verdriet in de ogen van de vrouwen die er opgenomen zijn.

Als ze achttien is, kort na haar eerste manisch depressieve episode, volgt ze colleges psychologie waar zij opvalt door haar 'imaginatieve' duidingen van de Rorschachtest (inktvlekkentest). Volgens de hoogleraar zijn de interpretaties uiterst creatief en niet psychotisch en in plaats van naar een psychiater te worden gestuurd, krijgt ze een baan als assistent-onderzoeker aangeboden, waarna de flitsende wetenschappelijke loopbaan van de schrijfster begint.

In juli 1974 heeft zij het ondanks heftige stemmingswisselingen op haar achtentwintigste tot assistent-hoogleraar weten te brengen. Zoals vaak gebeurt bij dit ziektebeeld raakt ze door slaaptekort in de warme zomernachten steeds meer ontremd en onder de last van een enorme hoop werk ontwikkelt ze in drie maanden tijd een full blown manie. Een oud gedicht komt uit haar herinnering naar boven en is plotseling kristalhelder voor haar. Elke medewerker op haar afdeling wordt via zijn postvak met het gedicht verblijd. Intussen strandt haar eerste huwelijk met een Franse kunstenaar.

Heldere beschrijvingen

Behalve heldere beschrijvingen van de manische toestand waarin het lijkt of het leven één groot feest is en die gepaard gaat met een onbeteugelde kooplust, is de weergave van de depressieve perioden subliem. Ineens gebeurt het, de bodem valt onder haar leven en denken weg. Elk boek of gedicht is hetzelfde, door gebrek aan concentratie dringt niets tot haar door. Verdwaasd staart ze uit het raam en ze is radeloos bang. Haar geest is in plaats van een vriend opeens een verrader geworden. Ze is verschrikkelijk moe en ze heeft voortdurend dezelfde kleren aan. Ze hangt rond bij begraafplaatsen, schrijft morbide gedichten over haar lichaam en geest die aan het wegrotten zijn. De tijd houdt op te bestaan, ten slotte balanceert ze op de rand van zelfmoord.

Soms denkt ze dat het voor iedereen beter is als ze dood zou zijn. Ze denkt aan de (geïdealiseerde) piloot uit haar jeugd die zich opofferde voor een stel spelende kinderen, onder wie de schrijfster zelf. Het betreft een soort sleutelherinnering. Met zijn vliegtuig scheerde hij rakelings over het grasveld waar een groepje kinderen speelde. Hij wist de kinderen op het grasveld te sparen en verongelukte tegen een boom.

Fraai beschrijft Jamison de perioden die ze in Engeland en Schotland doorbrengt. Haar liefdesleven bereikt woeste hoogten, maar Richard Wyatt, de man met wie ze nu zo'n tien jaar getrouwd is, beschrijft ze als een koele 'neurt'. Poëzie en muziek kunnen hem gestolen worden, zijn object van studie heet schizofrenie. Volgens Jamison heeft hij over dat onderwerp zo ongeveer 700 artikelen en boeken geschreven.

Een enkel pietje precies zal bezwaar maken tegen het feit dat zowel de auteur als al diegenen die het manuscript 'meelazen', zoals haar huidige echtgenoot, nauwelijks oog hebben gehad voor een aantal kenmerken bij haar van een (narcistische, theatrale of borderline) persoonlijkheidsstoornis en wellicht zelfs schizofrenie - tijdens de 'manieën' heeft Jamison soms visuele en gehoorshallucinaties. Misschien is de 'zuivere' manisch depressieve ziekte wel een utopie. In elk geval klinken de klaroenstoten èn mineure tonen in An unquiet mind gedurfd en ontegenzeggelijk authentiek.

    • Hans van der Ploeg