Spraakmakende woordvoerder

MARLIN FITZWATER: Call the Briefing! Reagan and Bush, Sam and Helen. A Decade with Presidents and the Press

399 blz., Random House 1995, ƒ 49,25

Bijna zes jaar, van februari 1987 tot januari 1993, was Marlin Fitzwater perswoordvoerder van de presidenten Reagan en Bush. Met zijn maagdelijke kruin, scheve mond en priemende vinger was hij een opvallende verschijning tijdens vraag-en-antwoord sessies in het Witte Huis. Werden die buiten gehouden en scheen de zon, dan verscheen Fitzwater onveranderlijk met een cowboyhoed of een ander buitenissig hoofddeksel. Dat was niet voor de show, blijkt uit zijn memoires, maar om te voorkomen dat de huidkanker waaraan hij had geleden zou terugkeren.

Fitzwater begon niet sterk, maar hij had de omstandigheden ook tegen. Begin 1987 was Washington in de ban van het Iran-Contra schandaal. De ene na de andere functionaris werd ontslagen, en het had niet veel gescheeld of Fitzwater was eenzelfde lot beschoren geweest. Zijn taak was dan ook onmogelijk: hij moest zowel de onwetendheid van de president verdedigen als uitleggen dat diens ondergeschikten hem een loer hadden gedraaid. Reagan had zich volgens een van zijn medewerkers de rol aangemeten van een Turkse pasja, die uit de aangeboden lekkernijen alleen datgene kiest wat hem bevalt. Vragen over Iran-Contra vielen daar niet onder en werden afgeschoven naar de nieuwe perschef. Dat Fitzwater vervolgens minister van defensie Weinberger niet spaarde had tot gevolg dat achter de schermen druk werd gewerkt aan zijn ontslag. De president weigerde er gehoor aan te geven, naar het heet omdat hij een zwak had voor de 'snack-sneaking snowball' (Bush over Fitzwater).

Over het gedwongen vertrek van presidentiële medewerkers is veel geschreven, maar zelden zo indringend als door Fitzwater. Hij moet inspiratie hebben geput uit wat hem zelf bijna was overkomen. Of het nu Donald Regan betrof, John Sununu of Samuel Skinner, Fitzwater toont zich in Call the Briefing! een genadeloos observator van hun laatste minuten in dienst van het Witte Huis, van het moment waarop ze hun ontslagbrief ontvingen tot en met de verwerking ervan. Andere perswoordvoerders zouden zich na het overhandigen van dergelijke jobstijdingen discreet hebben teruggetrokken: Fitzwater bleef en registreerde de schok, het besef van machtsverlies en de totale eenzaamheid die erop volgde.

Ook in het hoofdstuk over de topontmoetingen tussen Reagan/Bush en Gorbatsjov is Fitzwater op dreef. De vaak eindeloze redevoeringen van de Sovjet-leider kon hij niet volgen, maar aan diens handbewegingen kon hij aardig opmaken waar het over ging. Gorbatsjov begon altijd alsof hij een 'grapefruit streelde' om halverwege over te gaan op 'luchtklievende karatebewegingen'. De begeleidende tekst ging over de onherroepelijkheid van glasnost en de wens korte metten te maken met SDI (Star Wars), Reagans droom van een ruimteschild.

Fitzwater erkent overigens dat de Amerikaanse delegatie tijdens de eerste top in het Witte Huis, december 1987, werd verbluft door Gorbatsjovs betoog. Het was een geopolitieke verhandeling zoals die tot nu toe aan Henry Kissinger & Co leek voorbehouden. Met name president Reagan zat in de put, omdat hij zich op alle punten overtroefd wist door zijn tegenspeler. Gelukkig stond stafchef Howard Baker na afloop klaar om de president op te monteren. Hij had zich juist kranig geweerd, zei Baker, en moest vooral zichzelf blijven. Toen Gorbatsjov later tijdens de top de wereld opnieuw verbaal omploegde was Reagan voorbereid. Hij had zojuist een artikel gelezen in People-magazine over een man van bijna tweehonderd kilo die was gevallen in het toilet en nu klem zat. Stel je voor: zo dik en dan vastzitten in een kleine ruimte, zei Reagan. De Sovjet-leider fronste de wenkbrauwen. Een pijnlijke stilte volgde.

Respect

Een presidentieel perswoordvoerder doet zijn werk nooit goed. Hij ligt voortdurend van twee kanten onder vuur. Het Witte Huis vindt per definitie dat hij te veel informatie verstrekt, de pers is een tegengestelde mening toegedaan. De kunst is de media tevreden te houden zonder de presidentiële staf van je te vervreemden.

Bij zijn aantreden wist Fitzwater wat hem te doen stond: hij moest respect zien af te dwingen van de journalisten. De kans daartoe kreeg hij toen hem werd gevraagd naar zijn achtergrond. Gretig vertelde hij over zijn jeugd op een pachtboerderij in Kansas, over armoede en het dagelijks gerecht van eieren in alle mogelijke variaties. Omstandig legde hij uit hoe het slachten van een kip in zijn werk ging, met houtblok en mes. Je kon het natuurlijk ook doen als zijn grootmoeder, zei hij. Die pakte het beest bij de nek, molenwiekte het een aantal keren door de lucht, om de armbeweging vervolgens abrupt in tegengestelde richting te maken. De journalisten vonden het een walgelijk verhaal, schrijft Fitzwater. Maar effectief was het wel: de boerenzoon uit Kansas had zijn reputatie gevestigd.

Dat hij daarna toch een keer in de problemen raakte, had hij aan zichzelf te wijten. Gefrustreerd door de niet aflatende vragen over de initiatieven van Gorbatsjov noemde Fitzwater de Sovjet-leider een drugstore cowboy, een man met veel praatjes maar weinig daden. Nu was het de beurt aan de pers om zijn hoofd te eisen. Gerenommeerde columnisten vroegen zich af of de perswoordvoerder was gepromoveerd tot minister van buitenlandse zaken. Misschien nog erger was de ijzige stilte uit het Witte Huis. Maar de verwachte ontslagbrief bleef uit.

Call the Briefing! is een sprankelend boek. Het kan zich meten met de beste memoires van medewerkers van Reagan en Bush. Lof ook voor de discipline die de schrijver in zijn onderwerpkeuze aan de dag legt. Geen woord bijvoorbeeld over de Golfoorlog of de invasie van Panama. Die gebeurtenissen komen volgens Fitzwater in andermans herinneringen beter tot hun recht.