Oma's oogappel

Esther is net meerderjarig en krijgt over een jaar van haar oma 10 duizend gulden om iets goeds mee te doen. Actief beleggen misschien? Daar voelt ze wel iets voor. Ze heeft een duidelijke doel voor ogen: over twintig jaar nog steeds blij zijn met oma's geschenk. Ze wil het dus niet opmaken, maar uitbouwen tot een echt kapitaal door actief te investeren.

Maar wat koop je voor dat geld? Hoe ver kom je in twintig jaar? Dat hangt af van de opbrengst die je behaalt. Die zal fluctueren tussen dik positief en teleurstellend negatief, althans wanneer je belegt in aandelen. Ter illustratie twee voorbeelden uit het 'weekoverzicht aandelen binnenland', op pagina 22 van de zaterdagkrant van vorige week. De koper van één aandeel Hoogovens betaalt op 7 februari 1995 78 gulden (kolom 'hoogste koers in de laatste 12 maanden'). Op 13 december doet het aandeel nog maar 48,20 (kolom 'laagste'), een verlies op papier van 38 procent. De Aegon-koers verloopt tegengesteld: op 23 maart 1995 42,80 en op 3 januari 1996 75,80, een winst van 77 procent. In zijn dromen koopt iedere belegger natuurlijk aandelen Aegon op 42,80 en verkoopt die precies op tijd voor 75,80. Hij koopt 13 december Hoogovens op 48,20 en zit op 29 procent winst, nu de koers 62,20 is. Maar helaas zijn ook beleggersdromen vaak bedrog.

Van welk percentage per jaar moet je uitgaan? Laten we eens 5 procent nemen, doen of die 10 duizend gulden op een spaarrekening staat en de rente automatisch wordt toegevoegd aan de hoofdsom. In een intresttafel (uit een schoolboek over financiële rekenkunde) staat bij 5 procent dat 1 in 20 jaar rijpt tot 2,653298. Tienduizend wordt dus 26.532,98 gulden. De inkomstenbelasting over de rente speelt geen rol, want die zal niet boven de jaarlijkse vrijstelling uitkomen. De opbrengst valt hoger uit als de spaarrente oploopt.

Neemt Esther genoegen met 5 procent en 26.532,98 gulden? Nee. Ze is jong, heeft het geld niet nodig, neemt twintig jaar de tijd en wil best risico lopen. Obligaties dan? Die leveren meer dan 5 procent op, althans sommige, maar hebben als onhandig nadeel dat je met de ontvangen rente steeds weer nieuwe obligaties moet kopen. Je moet zelf herbeleggen. Bovendien, nu de rente laag lijkt, daalt de koers van een vastrentende waarde wanneer de rente weer gaat stijgen. Alsof je Aegon op die genoemde top van 75,80 koopt, in plaats van op 42,80. Liever geen obligaties dus, op dit moment. Die koop je als de rente veel hoger is dan nu.

Aandelen? Is 77 procent per jaar haalbaar? Nee, hooguit af en toe. Meestal is zo'n fantastisch resultaat toeval. Een doorlopend verlies van 38 procent? Uitgesloten. Misschien 20 procent winst per jaar? Dan bezit Esther in het jaar 2016, op haar 38ste, 383.376 gulden en kan ze erelid van iedere beleggingsclub worden. Een percentage van 8 tot 12 lijkt, als je kijkt naar de resultaten in het verleden, realistischer. Daarmee eindigt ze op 46.609 tot 96.462 gulden.

Als Esther doelbewust en actief wil beleggen, en wil leren en profiteren van haar goede en slechte ervaringen, moet ze aandelen kopen en langs die weg profiteren van de economie.

Kan ze niet beter een levensverzekering afsluiten? Bijvoorbeeld een die de premies belegt in aandelen of beleggingsfondsen en de verzekerde zelf het risico laat lopen? Nee, want zo'n verzekering ontleent zijn aantrekkingskracht alleen aan fiscale voordelen: premie aftrekbaar van het belastbare inkomen of onbelaste uitkering en vrijstelling van vermogensbelasting. Bovendien rekent de verzekeraar een flink percentage kosten. Een ander nadeel is dat je geld opgesloten zit tot de eindatum van de polis. En dan nog moet je na die tijd soms aan bepaalde eisen van de fiscus voldoen: een lijfrente kopen. In alle vrijheid beleggen via een verzekering is in de praktijk haast onmogelijk. Slechts enkele verzekeraars bieden een ruime mate van beursvrijheid.

Voldoen beleggingsfondsen in aandelen aan Esthers wensen? Ja. Zeker qua rendement. Over het jaar 1995 haalden veertien fondsen, die verhandeld worden op de effectenbeurs en wereldwijd beleggen, een rendement boven de 8 procent. De beste komt zelfs boven de 18 procent. De trotse 'winnaar' van zo'n eenjarig klassement draagt zijn vreugde uit in opvallende advertenties. Daarin staat niet hoe dat fonds presteert over een langere periode (waar het in feite om gaat), welke risico's de beheerder neemt om dat resultaat te halen en hoe fondsen presteren die beleggen in uitsluitend Nederlandse, Europese, Noord-Amerikaanse of andere bedrijven. Conclusie: het is lastig om de juiste fondsen te kiezen.

Dus: waarom niet rechtstreeks deelnemen in bedrijf? Een grote onderneming met gespreide belangen lijkt beter dan een beleggingsfonds. De bedrijfsleiding en hun medewerkers doen immers beter hun best en krijgen meer informatie dan de beheerders van fondsen, die verder van de (bedrijfs)economische werkelijkheid afstaan.

Wat moet Esther doen? Zelf twee of drie Nederlandse bedrijven uitzoeken waar ze in wil beleggen en haar keuze doornemen met haar bank. Die doet dat graag.

    • Adriaan Hiele