Na Van Traa; Werk aan de winkel voor de wetgever

Inzake opsporing (Enquêtecommissie opsporingsmethoden)

487 blz., Sdu 1996, ƒ 55.-

Na de spannende televisieserie van de openbare hoorzittingen is het klapstuk nu in druk verschenen in de vorm van het eindrapport van de parlementaire onderzoekscommissie. De merchandising, zoals ze dat bij de Hilversumse omroep noemen, was vlekkeloos. Er werd nu eens niet 'gelekt', zodat de spanning tot het laatste moment er in bleef. Zeker voor een overheidsdocument - want dat blijft deze lijvige pocket tot de laatste bladzijde - is Inzake opsporing een beststeller; de eerste druk was binnen enkele uren uitverkocht, zeker één hoofdstedelijke boekhandel moest een wachtlijst aanleggen.

Het bestseller-effect is wellicht mede in de hand gewerkt door het thema van de koppen die er zouden moeten rollen, de vraag die vooral onder invloed van de televisie de eerste berichtgeving domineerde. “De pers jaagt in horden”, zegt men wel. Zo'n rapport kan moeilijk zonder personele gevolgen blijven. Toch doet de bijna maniakale aandacht voor 'de poppetjes' onvoldoende recht aan dit onderzoek.

Dit is het rapport van vier miljoen gulden, de geschatte kosten van de enquête. Het werk heeft zijn weerslag gevonden in elf bijlagen, waaronder vijf van het team criminologen dat het bestaande beeld van de georganiseerde misdaad in Nederland heeft doorgelicht - en hier en daar fiks bijgesteld. Maar het is allemaal begonnen om het eindrapport. “De IRT-affaire heeft meer schade aangericht dan de commissie bij haar aantreden voor mogelijk hield”, deelt voorzitter Maarten van Traa in het voorwoord mee. Toch kostte de ontploffing van het interregionale rechercheteam van Noord-Holland en Utrecht al twee ministers het politieke hoofd.

Bloemlezing

Volgens het rapport van de enquêtecommissie blijkt de 'Deltamethode' waarover het IRT struikelde (het massaal doorlaten van drugs), nog verder uit de hand te zijn gelopen dan aanvankelijk werd vermoed. Er is waarschijnlijk 100 ton softdrugs onder politiebegeleiding op de illegale markt gekomen. Ter vergelijking: in de drugsnota schatte het kabinet de binnenlandse consumptie van cannabis op 50.000 kilo per jaar.

Hoe hard de IRT-affaire is aangekomen blijkt uit de interessante interviewbijlage van een recent rapport van de Stichting Maatschappij en Politie onder de titel Toekomst gezocht. Een bloemlezing van ontboezemingen over het thema-IRT:

- “Ergens hoog op de schaal van Richter” (de inmiddels opgestapte secretaris-generaal van het departement van justitie Suyver).

- “Een beschadiging die dermate indringend is dat het bijna niet meer reparabel is. De IRT-zaak heeft aan de ziel van de politie gevreten” (de voormalige voorzitter van de Raad van hoofdcommissarissen IJzerman).

- “De mythe van de politie-organisatie als een strak geleid apparaat is omver gekegeld” (commissaris Broer van Kennemerland).

- Politiedeskundige Van Reenen spreekt van “het failliet van een oud politieconcept. Wij zweven in een soort interregnum”.

En toch is het uiteenvallen van de politiële driehoek Amsterdam-Haarlem-Utrecht nog slechts het topje van een ijsberg: “De enquête was méér dan een IRT-enquête”, schrijft Van Traa met nadruk. Dat is niet te veel gezegd. We waren bezig in dit land een geheime politie te krijgen, de criminele inlichtingendiensten (CID). “Een staatje in de staat”, noemt Van Traa het. Deze kwalificatie slaat weliswaar alleen op de CID Kennemerland, uitvinder van de gewraakte Deltamethode, maar de commissie komt tot de conclusie dat ten aanzien van de CID'en in het algemeen sprake is van “een deels zelfgetrokken vacuüm”.

Dit verontrustende oordeel slaat niet alleen op de inlichtingendiensten van de 25 regionale korpsen plus de Nationale CID op landelijk niveau. Ook gespecialiseerde opsporingsdiensten als de Algemene inspectiedienst van het ministerie van landbouw en de Economische controledienst doen aan inlichtingenwerk, al ontbreekt daar iedere wettelijke basis voor. Binnen de geheime politiediensten zijn er nog weer eens extra geheime afdelingen (de 'embargoteams') en wordt supergeheime zogeheten 00-informatie verzameld.

Deze geheimzinnigdoenerij is aardig uit de hand gelopen. De kwaliteit van het inlichtingenwerk is vatbaar voor discussie, afgaande op het vermoeden van de commissie dat veel personen ten onrechte bij de CID'en staan geregistreerd. Deze hebben alles bij elkaar 70.000 namen verzameld; geen kleinigheid. De enquêtecommissie concludeert dat de aparte status van de CID binnen de politie-organisatie dient te worden opgeheven en dat de werkwijze wettelijk genormeerd moet worden. Deze omslag is minder groot dan wellicht lijkt. Binnen de politie zelf bestonden er al voor de enquête toenemende weerstanden tegen de status aparte, al was het alleen vanwege het risico dat geheime teams elkaar voor de voeten lopen.

De 'sectie stiekem', zoals het geheime deel van de politie wel wordt genoemd, heeft nog andere vreemde kostgangers. De DTOO bijvoorbeeld (Dienst technische operationele ondersteuning), die in twee jaar tijds een kleine 400 peilzenders hielp aanbrengen en zo'n 350 videocamera's; afgezien van 25 'kolibri's' (een soort scanner) en pakweg 390 'semafoonklonen'. Sommige videocamera's waren gekoppeld aan een bewegingsdetectiesysteem. Dit soort diensten behoort volgens het rapport nauwkeurig in de wet te worden vastgelegd. En vergeet de BVD niet, die allerlei 'dwarsverbanden' met de politie onderhoudt. Dit grensvlak behoeft volgens de commissie nadere normering.

De zes interregionale rechercheteams die mede aanleiding voor de enquête vormden, krijgen intussen tot het jaar 2000 het voordeel van de twijfel. Ze zijn inmiddels omgedoopt tot 'kernteams', maar terecht noemde het Tijdschrift voor de Politie deze etikettenwissel “absoluut onvoldoende” om de vraagtekens weg te nemen. Interregionale teams vallen in een regionaal bestel moeilijk te controleren en dat geldt helemaal voor het landelijke kernteam dat er, ondanks alle waarschuwingen tegen een 'Nederlandse FBI', nog eens bovenop wordt gezet. De commissie-Van Traa houdt het bij het vermaan dat de kernteams “een wat gewrongen en moeizame constructie” zijn, die haar toegevoegde waarde nog daadwerkelijk moet bewijzen.

Dat Inzake opsporing méér behelst dan de IRT-affaire blijkt uit het scala van bijzondere opsporingsmethoden dat aan de orde komt. Er is veel aandacht besteed aan de Deltamethode, die er dan ook een eind uitsprong, maar dat neemt niet weg dat er heel wat meer aan de hand is. De commissie inventariseert een stuk of twintig bijzondere opsporingsmethoden, overigens zonder “de illusie dat zij door haar onderzoek een volledig beeld heeft”. Het arsenaal varieert van de klassieke 'postvang' (hengelen in brievenbussen) tot eigentijdse video-observaties en inzage van computerbestanden of het inrichten van complete dekmantelfirma's om boeven in de val te lokken (frontstores).

Wettelijke basis

Voor de smakelijke details moet de liefhebber terecht in een aparte bijlage (V, 573 blz), maar het uittreksel in het eindrapport liegt er ook niet om. Zo zal niet iedereen zich realiseren dat er in 1993 in dit land bijna 3600 'taps' werden geplaatst. Opmerkelijk is dat het ministerie van justitie voor dat jaar nog slechts een aantal van 2100 opgaf (memorie van toelichting bij de begroting 1995). Over controle gesproken. Ter vergelijking: de New York Times meldde een paar maanden geleden dat de FBI de laatste jaren onder een gemiddelde van 850 telefoontaps met rechterlijke machtiging blijft.

De hoofdconclusie van de commissie-Van Traa is dat alle opsporingsmethoden een wettelijke basis behoren te hebben. Het rapport bevat dan ook enkele pittige wetgevingsschema's. Is wettelijke scherpslijperij echter niet weer het andere uiterste? “Zoals het tot dusver ging leverde het alleen maar chaos op”, was de droge repliek van het Kamerlid Korthals (VVD) op dit bezwaar. Er zal trouwens weinig anders op zitten dan te zorgen voor adequate wetgeving, omdat Nederland onderworpen is aan het Europees verdrag voor de mensenrechten. Dit eist voor iedere inbreuk op de persoonlijke levenssfeer door de overheid een expliciete wettelijke grondslag. Er is weinig ruimte voor twijfel dat dit rechtsgoed in het geding is bij de geheime politiemethoden.

Hoe kan het dan dat de politie deze methoden bij ontstentenis van de geboden wetgeving zo massaal heeft toegepast? Dat ligt aan de rechter, die in het ontbreken van een wettelijke grondslag geen reden heeft gezien het groene licht te onthouden. Illustratief is de recente uitspraak van de Hoge Raad in de zaak van de hasj-baron Charles Z. Het college billijkt het ontbreken van een specifieke wettelijke legitimatie, zolang het maar gaat om “een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer”. Daartoe rekent de Hoge Raad in elk geval observatie en schaduwen en het in het openbaar fotograferen van personen (door de politie dan, want een persfoto van een verliefd paartje in het Vondelpark werd enkele jaren wel degelijk hoog opgenomen). Het gebruik van scanners in de zaak-Z kon weliswaar niet door de beugel, maar wordt niet zo ernstig opgenomen dat een sanctie dient te volgen. Snuffelen in vuilniszakken is helemaal vrij.

Ook als iedere door de politie toegepaste methode als een beperkte inbreuk valt aan te merken - hetgeen overigens al discutabel is - dan vormt de combinatie in elk geval toch een serieuze inbreuk, zou men zeggen. En bijzondere opsporingsmethoden worden volgens de commissie vrijwel nooit geïsoleerd toegepast maar altijd in combinatie. “Het plaatsen van een peilzender heeft weinig zin zonder volgen.” Dit blijkt men echter niet te moeten zien als een extra inbreuk op de privacy, maar slechts als 'ondersteuning' van observatie - en die was door de Hoge Raad nu juist toegestaan zonder wet.

Het staat nog te bezien of het na 'Van Traa' met dit soort juridische 'verdwijntrucs' afgelopen zal zijn. De vice-president van het Amsterdamse gerechtshof Willems - die een reputatie als crime fighter heeft te verliezen - kwam in de televisiemarathon bij de presentatie van het rapport-Van Traa vertellen dat dit “zeer nauw aansluit bij de jurisprudentie”. Hij zag “niet veel relevante verschillen”. Een omslag valt van hem dus kennelijk niet te verwachten.

Laconiek

De commissie biedt trouwens zelf ontsnappingsmogelijkheden, bijvoorbeeld door verschillende graden van verdenking te hanteren die vereist zijn voor het inzetten van bepaalde methodes. Zij vervaagt de grens tussen het strafrechtelijk onderzoek en opereren in het 'voorveld'. De enquêtecommissie is verder ook wel erg laconiek over een ontwikkeling als het 'fenomeen-onderzoek', waarbij een heel stuk van de samenleving onder de loep wordt genomen. Het klinkt als een nieuw academisch specialisme, maar is op de keper beschouwd een vorm van binnenlandse spionage. Fenomeen-onderzoek behelst niet alleen het doorlichten van 'misdaadvelden', maar ook van een geografisch gebied, bevolkingsgroep of maatschappelijk verschijnsel.

Opsporingsmethoden mogen volgens de commissie voor deze doorlichting niet worden gebruikt, maar wel CID-gegevens. Dat is allemaal goed en aardig zolang het om infiltratie door de mafia gaat. Maar fenomeen-onderzoek leent zich ook voor toepassing tegen maatschappelijk minder onomstreden doelwitten - onwelgevallige media bijvoorbeeld. Aan dit potentieel voor misbruik en manipulatie gaat de commissie in haar eindrapport voorbij. Ook zwijgt zij over nieuwe technieken als politiële 'visexpedities' in computerbestanden, hoewel dit toch niet zonder belang is voor de elektronische snelweg waarvoor het kabinet-Kok zich zo inzet.

Er ligt nog een heel rechtspolitiek mijnenveld voordat de bestseller van februari ook de wet van het land is. Voor de politie markeert dit rapport in elk geval een 'waterscheiding', zoals het werd uitgedrukt in de bespreking van de hoorzittingen in het Tijdschrift voor de Politie: “Voortaan zal het zijn 'voor of na Van Traa'.” For better or for worse.

    • Frank Kuitenbrouwer