Huizinga als pionier (1)

Met grote instemming heb ik Wesselings geestige satire op het beoordelen en bespreken van onderzoeksvoorstellen gelezen (NRC HANDELSBLAD, 1 februari). Het bevestigt mijn ervaring als docent culturele antropologie.

Inderdaad is Huizinga een ongelukkig voorbeeld. Als hij niet eens de scripties, laat staan de onderzoeksvoorstellen van zijn studenten las of zou hebben gelezen, schoot hij tekort als docent. Niet alleen goede onderzoekers - zoals Wesseling terecht stelt - maar juist en vooral goede, toegewijde docenten inspireren studenten en andere onderzoekers. Daar schort het, volgens de ervaring van hedendaagse studenten, nu juist aan. Zij voelen zich vaak alleengelaten bij het schrijven van scripties en bij het formuleren van de vermaledijde onderzoeksvoorstellen, tenzij de docent er zelf belang bij heeft.

Een docent is er in de eerste plaats om te doceren en zijn onderzoek daaraan dienstbaar te maken. Mij heeft het als oud-docent, veel voldoening gegeven als je bijdraagt tot de ontplooiing als mens en als wetenschapper van studenten. In dat beeld past tevens dat de leerling zijn meester overtreft, ook de echte meester, niet slechts een leermeester, zoals Wesseling meent. Wanneer dat niet het geval is, dan schort er niet alleen wat aan de docent, maar ook aan de voortgang van de wetenschap. Uit het oogpunt van die voortgang dienen op zijn minst enkele studenten hun meester te overtreffen, op straffe van stagnering van het proces van weten, verstaan en verklaren.

    • Prof.Dr. J. Pouwer