Hoe meer stad èn meer natuur het uiterlijk van Nederland gaan veranderen; Het illusie-landschap

Het Nederlandse landschap is na eeuwen van drooglegging en dijkenbouw nauwelijks nog natuurlijk te noemen. Ook het landschap van de toekomst zal door mensen gemaakt moeten worden: tussen oprukkende steden, op de vrijkomende landbouwgrond. Wie wil daar nog op de knieën voor een plantje? Over verdwaalreservaten, bossen in een wei en schilderen met de bulldozer. Na 'het klapstoelkantoor' en 'het bewoonde eiland': het illusie-landschap.

Aan het Nederlandse landschap, en het gevoel erover van de mensen die erin wonen, ligt een fundamentele tegenstelling ten grondslag. Enerzijds is er de trots op wat de mens vermag: dijken en polders aanleggen, huizen onderheien, het water dirigeren. Die lichte zwelling van de borst omschreef de dichter Remco Campert onlangs na een tocht door de Noordoostpolders als zijn 'Rijkswaterstaatgevoel'. Maar juist omdat de mens en zijn maaksels zo alomtegenwoordig zijn, leeft er een even sterk verlangen naar ontsnappingen, naar plekken van puur natuur, zonder hoogspanningsmasten en kerktorens en flats en het verre razen van de snelweg.

Wat voor Amerika de giant sequoia en de Rockies zijn, zijn voor Nederland de populier en de zeedijk. De grootsheid is aan de luchten te danken. Het landschap in het bergloze Nederland, waar honderden jaren geschiedenis in schuil gaan, is subtiel, gelaagd, fijnmazig en in vèrregaande mate kunstmatig. Het lezen van dit “prentenboek van ons geheugen”, zoals de schrijver Willem van Toorn het zegt, vergt een zeker geduld en kennis van zaken - maar dan wordt de lezer wel beloond met een lang en rijk verhaal.

Nederland is een fascinerende case study, een soort hogedrukpan waar alle vaak tegengestelde belangen op een kleine oppervlakte tegen elkaar aan worden gedrukt. Hoe ziet de toekomst van een landschap eruit dat de mens eeuwenlang en telkenmale door zijn handen heeft laten gaan?

Er zijn nu verschillende ontwikkelingen gaande die het aanzien van Nederland ingrijpend veranderen. De meest evidente is de oprukkende verstedelijking. Waar vroeger wallen en vestingmuren de grenzen van de bewoning aangaven, knabbelen nu woonwijken zich een weg in kringen rond steden en stadjes. De nieuwe bewoners proeven het genoegen van een weids uitzicht over de weilanden, maar het plezier is meestal van korte duur: dan komt er weer een nieuw wijkje tegenaan, zeker op de 'Vinex'-locaties die de overheid als de toekomstige uitbreidingsgebieden heeft aangewezen. Ook de infrastructuur legt beslag op steeds meer ruimte. Iedereen die de TGV zich wel eens als een speer door het Franse land heeft horen en zien werpen, beseft wat een majeure ingreep de hogesnelheidslijn in het dichtbevolkte Nederland zal zijn. Hetzelfde geldt voor de Betuwelijn.

Nog grootschaliger zijn de veranderingen in het agrarische landschap. Een groeiend aantal boeren sluit met de overheid een 'beheersovereenkomst' om landbouw met natuurbeheer te combineren. Bovendien komt er door het snel afnemende aantal boeren steeds meer landbouwgrond vrij. In 1992 voorspelde de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid dat het landbouwareaal in de EG met meer dan de helft zal krimpen. Voor Nederland zou dat betekenen dat er de komende twintig jaar twee- tot vierhonderdduizend hectare vrijkomen.

Nu al wordt voormalig landbouwgrond - vaak met grove ingrepen - veranderd in natuurgebied dat moet lijken op wat het vroeger was. Een sprekend voorbeeld zijn de meanderende beken die ooit in een nette rechte lijn waren gekanaliseerd en nu met graafmachines weer in slingers worden gelegd. Deze 'hermeandering' is al toegepast op de beek de Tongelreep bij de Achelse Kluis, aan de Belgische grens - wel moest men daarbij in acht nemen, dat de slingers niet buiten de hiervoor aangekochte strook land kwamen. De beek De Reusel, die door het landbouw- en natuurgebied De Hilver bij Hilvarenbeek stroomt, heeft dezelfde behandeling ondergaan en is daarbij zelfs vijf kilometer verlengd. Zo loopt de strakke, Mondriaan-achtige vlakverdeling van het landschap zienderogen terug.

Dijken doorsteken

Er komt in Nederland dus meer stad, maar er komt óók meer natuur. Daar schuilt wel iets paradoxaals in, dat nieuwe natuurgebieden worden aangelegd. Maar uiteindelijk is alle natuur in Nederland kunstmatig, dat wil zeggen door de mens gemaakt, of op z'n minst door de mens mogelijk gemaakt. De ironie van de geschiedenis: eerst maakten we van water land om er landbouw te bedrijven, nu geven we na eeuwen gebruik, of soms maar enkele decennia, nog grotere oppervlakten terug aan de natuur. Nederland schildert zijn landschap met de bulldozer.

In 1990 werd het Natuurbeleidsplan van de overheid van kracht. Een van de hoofdbestanddelen is de aanleg van de zogenaamde Ecologische Hoofdstructuur (EHS), een duurzaam, stabiel netwerk van 250.000 hectare aan beschermde natuurgebieden en half-natuurlijke terreinen dat zich over het hele land uitstrekt. Hiertoe worden 50.000 hectare boerenland in natuurgebied veranderd (de zogenoemde 'natuurontwikkeling'). Alles bij elkaar is dit nu het grootste inrichtingsproject van Nederland, voor een gebied dat groter is dan de Noordoostpolder en waar een uitgebreid Schiphol, alle Vinex-locaties en een tweede Maasvlakte moeiteloos in kunnen.

Een doorbraak in het denken over herstel van de natuur was het Plan Ooievaar, winnaar in 1986 van een prijsvraag voor het Rivierengebied. Een van de ontwerpers was ir. Dirk Sijmons, toen hoofd van de afdeling landschapsarchitectuur bij Staatsbosbeheer en nu zelfstandig landschapsarchitect bij het Utrechtse bureau HNS: “Ons idee was de zomerdijken door te steken om de rivier binnen de winterdijken weer vrij spel te geven. Door de cyclus van overstroming, sedimentatie en erosie komen de rivierbegeleidende ooibossen terug zoals je ze vier eeuwen terug ook in Nederland had, afgewisseld met moerassen, open water en grazige stukken. Zo ontstaat er een wildernisachtige situatie, met elementen die al eeuwen uit Nederland weg waren. Nadat de natuur in Nederland decennialang dood was verklaard wilden wij laten zien dat die terugkeert, als de omstandigheden maar juist zijn. In een zeer gereguleerd land als dit voorzien dergelijke gebieden in de behoefte aan verdwaalreservaten.”

Lachend herinnert Sijmons zich de ophef die er toen over ontstond: “Minister Smit-Kroes maakte het plan tot groot nieuws. Het bericht werd ook in het buitenland opgepikt, waar met grote verbazing werd geconstateerd dat Nederland met opzet dijken ging doorsteken. Zeker te veel hasj gerookt, was de teneur.” Inmiddels worden de principes van Plan Ooievaar toegepast in verschillende deelprojecten in het rivierengebied, met poëtische namen als De Blauwe Kamer en de Gelderse Poort.

Knotwilgen

De schaatsers schuiven tussen de weilanden als eendjes in een schiettent. De zwanen stappen onhandig rond op het land, hun poten bezerend aan de harde aarde. Tussen de knotwilgen staat langs de weg een handgeschilderd bord: 'Pas op, overstekende watervogels'. Winter in de Krimpenerwaard, een eeuwoude polder als een eiland van weteringen, tiendwegen en knotwilgen tussen de rivieren de IJssel, de Lek en de Vlist.

De Krimpenerwaard is aangewezen als 'kerngebied' in het Natuurbeleidsplan. Dit is dan ook het eerste grote oppervlak waar de nieuwe lijn van de Ecologische Hoofdstructuur wordt ingezet. Van de 10.000 hectare worden er 4000 heringericht voor de natuur; daarvan worden er 2500 aan de landbouw onttrokken voor natuurontwikkeling, 1500 blijven er boerenland met een beheersovereenkomst. Die houdt in dat de boer zich - tegen vergoeding - verplicht om het gebruik van kunstmest en bestrijdingsmiddelen te verlagen en tot 15 juni niet te maaien, het land niet vlak te rollen en er geen vee op te laten lopen.

Hier op de karakterisieke lange, smalle kavels hebben Jan de Jong en zijn vrouw met hun acht kinderen een boerenbedrijf met zo'n vijftig koeien en ruim honderd fokzeugen. De Jong is 'import', hij boert pas sinds 1982 in de Krimpenerwaard. Direct het jaar daarop werd hij door zijn collega-agrariërs afgevaardigd als hun vertegenwoordiger in de Landinrichtingscommissie. Gezeten aan de keukentafel vertelt hij over zijn ervaringen. “Het begin was heel vervelend”, zegt hij. “Er ging bijna tien jaar heen met gesteggel over het aantal hectare voor de natuur. Ik voelde me door de overheid gebruikt om een onduidelijke beleid aan mijn achterban te verkopen. Mijn collega's hielden me natuurlijk ook met argusogen in de gaten. Uit protest zijn wij als boeren een jaar lang weggebleven van de onderhandelingen. Ik heb zelfs de koningin hier op bezoek gehad om over dat gesteggel te praten.” Ook in de keuken? “Nee, maar ze kwam wel door de achterdeur binnen.”

Jan de Jong is ervan overtuigd dat de herinrichting een goede zaak is voor de Krimpenerwaard - vooral omwille van de boeren. “Dankzij de landrinrichting krijgt de polder subsidies voor verbetering van de infrastructuur, bijvoorbeeld de wegen en de bemaling. Daarmee wordt de bedrijfsvoering efficiënter en de kostprijs lager. Zo kan de boer zijn concurrentiepositie voor de toekomst veilig stellen.” Dat is belangrijk in een gebied waar volgens De Jong een smet op rust: “Er gaan hier veel agrariërs weg, bijna één per maand, maar er komen geen nieuwe bij. Ik was in 1982 een van de laatsten. Het zijn veelal kleine bedrijven waar moeilijk opvolgers voor te vinden zijn. Nu telt de Krimpenerwaard 360 boerenbedrijven, maar in 2010 zal daarvan nog maar de helft over zijn. Er komt zoveel grond vrij dat de provincie niet genoeg geld heeft om het allemaal aan te kopen.”

Bossen

Veel boeren zien de 'natuurontwikkeling' met lede ogen aan. De Jong: “De gemiddelde agrariër denkt dat de landinrichting niet voor hem is bedacht, maar alleen voor de natuur.” Voorzitter van de Landinrichtingscommissie J.A. Andel bracht dat gevoel goed onder woorden: “Boeren hebben een andere natuuropvatting (dan natuurliefhebbers, red.). Het strijkt hen tegen de haren in dat er moerasbos komt. Tijdens een vergadering waarin een natuurontwikkelingsplan werd gepresenteerd, stond er een boer op die zei: “Ik heb de indruk dat u over mijn grond praat, daar waar u moerasbos tekent. Dat is grond die mijn voorouders nog hebben drooggemaakt - zet u uw eigen tuin maar onder water'.” In het noordoosten van Overijssel worden polders rondom een kern van rietlanden weer onder water gezet om er een natuurgebied van te maken. Die polders dateren pas uit de jaren veertig en vijftig; voor de mensen die daar wonen, die hun ouders die polders hebben zien aanleggen, is het moeilijk dit anders te zien dan als de teloorgang van veel geld en arbeid.

Toch is ir. Paul Terwan, coördinator agrarisch natuurbeheer bij het Centrum voor Landbouw en Milieu in Utrecht, optimistisch. “Het landschap in Nederland wordt gevarieerder. Er wordt nieuwe natuur gecreeerd, dus komt er meer natuur op meer plekken. Bovendien is het aantal boeren dat aardigheid krijgt in agrarisch natuurbeheer, de laatste jaren enorm gegroeid: ze kunnen ervoor kiezen om melk, graan, vlees èn natuur te produceren. Er zijn nu door het hele land tussen de twintig en de dertig initiatieven, waaronder een vereniging in het Noordhollandse Waterland van liefst 130 boerenbedrijven.” Die vereniging krijgt vier jaar lang driekwart miljoen per jaar van rijk en provincie; met dat geld moeten er bloemrijke slootkanten en moerasjes ontstaan en een gastvrije omgeving voor weidevogels en ganzen.

Terwan ziet een verheugende toename van de biodiversiteit in Nederland, niet alleen in de aparte natuurgebieden - 'de bloempotten' - maar ook daarbuiten. “Als we al onze kaarten op de Ecologische Hoofdstructuur zetten valt Nederland straks uiteen in tien procent puur natuur en negentig procent ecologische woestijn. Dan moet je eerst vijftig kilometer in de auto voordat je natuur tegenkomt.” Die biodiversiteit is, merkwaardig genoeg, ook aan Europese subsidieregelingen te danken. “In de eerste plaats ligt er veel boerenland braak - 12 duizend hectare in Nederland alleen al - waar vaak 'groenbemesters' op worden gezaaid. Dat kunnen mooie bloeiende gewassen zijn die veel zangvogels en vlinders trekken. In de tweede plaats gaan er steeds meer boeren houtproduktiebossen aanleggen in plaats van graan, die twintig tot dertig jaar blijven staan. Vooral in het noorden van Nederland komen die weidse akkerbouwgebieden vol te staan met bossen! Het landschap verandert daardoor ingrijpend. Biodiversiteit is prima, maar je kunt je toch afvragen of dit een goede ontwikkeling voor het landschap is.”

Hond en hei

Het in 1932 gestichte Gooise Natuurreservaat (GNR) is zo'n plek waar natuur en recreatie botsen. “Het is een 'illusielandschap',” zegt GNR-voorzitter en VVD-gedeputeerde voor Noord-Holland Frans Tielrooy. “De hei heeft dankzij de strategische plaatsing van bosschages de weidsheid van de toendra. Maar het is ook een compromislandschap.” Hij schetst het dilemma van het GNR: “De hei raakte overwoekerd door gras. De meest sympathieke manier om de hei te herstellen, is door schapen en runderen het gras te laten opeten. Om dat stuk hei hebben we een hek moeten neerzetten om te voorkomen dat die beesten de A1 opwandelen. Binnen het hek moeten honden aan de lijn, maar in de stroken daaromheen mogen ze vrij lopen. Die stroken zijn tezamen twee maal zo groot als het Vondelpark, met een goed onderhouden stelsel van paden, maar toch hebben we het aan de stok gekregen met de Stichting Hekvrije Heide.” Rentmeester ing. Henk Korten ziet tot zijn verbazing hoe mensen er hun hond uitlaten door die naast de rijdende auto te laten rennen: “Een consumptiementaliteit, lijkt mij.” Er bestaat niet één soort recreant, het zijn er vele, zegt Korten: “Fietsers, wandelaars, hondenuitlaters, mensen die op hun knieën naar de plantjes kijken. Natuur zit tussen de oren. Maar de optelsom van al die recreanten maakt dat het gebied eronder gaat lijden.”

Het komt ook voor dat recreatie- en natuurgroeperingen de handen ineen slaan, kennelijk in het besef dat er een gemeenschappelijk belang is. Zo hebben Wereldnatuurfonds en de ANWB samen Dirk Sijmons' bureau HNS een plan laten maken voor 'het groene metropool'. “Ons verhaal is een waarschuwing”, zegt Sijmons, “dat we keuzes moeten maken en niet nog vijf jaar doorgaan met de huidige homeopathische beleidsverdunning. Het is duidelijk dat het restrictieve beleid voor bebouwing weinig succes heeft. Daarom hebben wij een aantal gebieden aangewezen met een zekere allure en natuurlijke waarde en daarvan gezegd: aankopen en inrichten. Waterland, de Vechtplassen, de Ronde Venen, de Biesbosch, het Hollands Diep, het Haringvliet - dit zijn onze 'groene briefjes van duizend'. Als we ze niet nu veiligstellen zijn het over tien of twintig jaar negen snippen en wat kleingeld. In de toekomst zullen de mogelijkheden voor recreatie mede bepalend zijn voor de aantrekkelijkheid van steden. Buitenlandse bedrijven zullen niet alleen kijken naar de infrastructuur en het opleidingsniveau van het personeel, maar ook naar wat er naast het werk te doen is.”

Luchtjes naar keuze

De Landinrichtingsdienst, een onderdeel van het ministerie van Landbouw en Visserij, schreef in 1994 een essayprijsvraag uit over het thema 'Het Landschap in 2010'. In de inleiding van de bijbehorende bundel essays roert Harry Harsema, hoofdredacteur van het landschapstijdschrift De Blauwe Kamer, een van de conflicten aan die inherent zijn aan een klein land: dat tussen natuur en recreatie. “In een tijd met meer ruimte voor recreatie, letterlijk en figuurlijk, kent de landschapsontwikkeling een fundamenteel probleem”, schrijft hij. “De behoefte aan opgelegde en oppervlakkige consumptie staat tegenover de behoefte aan authentieke ervaringen.” Op het dashboard van een wegenwacht-auto is ooit een bumpersticker gesignaleerd met de wrange tekst: 'Iedereen wil terug naar de natuur, maar niemand wil lopen'.

Het landschap is onderwerp van beleid geworden, maar daarmee is de vraag nog niet beantwoord: welk landschap? Voor veel mensen is zo'n netjes afgebiesd recreatiegebiedje als het Spaarnwoude bij Amsterdam met z'n paaltjes en paadjes en vijvertjes een gruwel van gekneveld groen, een staaltje van de 'verantonpiecking' van Nederland. Maar voor anderen, die helemaal geen hang hebben naar Dirk Sijmons' 'verdwaalreservaten', is dit een overzichtelijke, goed bereikbare vervanging van de tuin die ze in de stad ontberen. Op zondagmiddag zijn er honderden gezinnen die naast de auto barbecuen, op een deken een dutje doen en met de kinderen een balletje trappen.

De bioloog Sybren de Hoog bond jaren geleden al de strijd aan met het gekunstelde 'façadelandschap'. Het ideaalbeeld dat landschappen wordt opgedrongen, resulteert volgens hem alleen in voorgekookte 'avontuurlandschappen'. Zo wordt in een van de essays in Het Landschap in 2010 voorgesteld een landbouwgebied om te toveren in een recreatiepark, compleet met 'luchtjes naar keuze' en 'vrijen in het hooi'. Het landschap als pretpark.

Het terughalen van de natuur in Nederland heeft iets nobels, maar wekt ook veel verzet. Met het afgraven van polders, het doorsteken van dijken en laten onderlopen van uiterwaarden verdwijnt immers ook een deel van de geschiedenis waarvan het landschap getuigt. Het landschap is meer dan natuur alleen, het is ook cultureel erfgoed. “We zouden ons langzamerhand moeten afvragen”, schrijft Willem van Toorn in zijn bijdrage aan Het Landschap in 2010, “hoeveel landschap we nog willen opofferen aan georganiseerde, gestuurde vrijetijdsbesteding. Maar een even grote bedreiging van het 'leesbare' landschap zie ik in de nieuwe droom van de 'natuurbouw', de neiging overal waar het mogelijk is (en soms waar het onmogelijk is) 'natuur' terug te brengen in de de vorm van moerasgebieden, namaak-oerbossen en andere mooie illusies.”

Ir. Sim Visser, hoofd afdeling verkeerswegen bij de Landinrichtingsdienst: “Nederland is erg verstedelijkt. De natuur haar gang laten gaan, is een bij uitstek culturele daad. Die quasi-natuurlijke patronen, slingerwegen en eilandjes - heel romantisch allemaal. Het is interessanter, en eerlijker, om een harde, rechte lijn te trekken en daarlangs de omstandigheden te scheppen waar de natuur uit de voeten kan en uiteindelijk haar eigen vorm bepaalt. Je kunt beter de voorwaarden scheppen dan de natuur zelf, en die voorwaarden moeten in overeenstemming zijn met het karakter dat Nederland nu heeft.” Cultuur en natuur gaan heel opvallend samen in een ontwerp van zijn dienst voor de 'overhoeken' bij de Vlakebruggen in Zuid-Beveland. Dat zijn restruimten tussen een kanaal, een tunnel, hoogspanningsmasten, een snelweg en een spoorbrug. In een grid van vijftig bij zestig meter zijn veertig ronde kraters aangelegd, ieder dertig meter breed. Tussen de cirkels wordt gemaaid, maar daarbinnen is het een vrijplaats voor konijnen, kikkers, zeeasters en muizen waar vanuit de lucht torenvalken op azen. Visser: “Onder de natuur in Nederland is altijd een culturele dimensie zichtbaar. Het verstedelijkte landschap waar we in wonen, moeten we niet lijdelijk ondergaan, maar gebruiken.”