ETA-schaduw over stembusstrijd

De Baskische afscheidingsbeweging ETA bracht dinsdag in San Sebastian een vooraanstaand lid van de socialistische partij PSOE om het leven. De afschuw in Spanje was groot. De politieke partijen sloten even de rijen en onderbraken de campagnes voor de verkiezingen die op 3 maart worden gehouden. De Basken zelf zijn verdeeld.

SAN SEBASTIÁN, 10 FEBR. Afgeschermd door een hekwerk markeert een berg rode rozen op een stoep in het centrum van San Sebastián de plek waar Fernando Múgica Herzog (62) werd doodgeschoten door een commando van de ETA. “Hier is een man gedood om het simpele feit dat hij een democraat was die de rechten van het Baskische volk verdedigde”, zegt een man die stilstaat bij het gedenkteken. “Een kleine minderheid tracht ons met dit soort acties haar wil op te leggen. Dit is de manier van de ETA om een verkiezingscampagne te voeren.”

Spanje maakt zich op voor de landelijke verkiezingen op 3 maart en meer dan ooit werpt de spanning in het Baskenland (2,5 miljoen inwoners) een schaduw over de stembusstrijd. De moord op Fernando Múgica, lid van de invloedrijke Baskische tak van de PSOE, de partij van premier González, vormt het voorlopig hoogtepunt in de jongste campagne van ETA-aanslagen. Múgica, in het dagelijks leven advocaat, werd door twee ongemaskerde ETA-terroristen op straat aangehouden, toen hij van de rechtbank naar zijn kantoor liep. Terwijl een van de overvallers zijn zoon José Maria met een pistool in bedwang hield, werd Múgica met een nekschot afgemaakt.

Een vierkante kilometer rondom de plek van de aanslag is het epicentrum van jaren niets-ontziend geweld van de ETA. In een restaurant vlakbij werd een jaar geleden de conservatieve kandidaat voor het burgemeesterschap Gregorio Ordóñez door zijn hoofd geschoten, terwijl hij met een groepje vrienden aan het lunchen was. Honderd meter in westelijke richting ligt het plein voor de kathedraal waar wekelijks verscheidene betogingen worden gehouden voor de vrijlating van de Baskische transportondernemer José Maria Aldaya.

Het is deze avond negen maanden geleden dat Aldaya door de ETA werd ontvoerd. Zijn familie wordt afgeperst met “revolutionaire belasting”, een losgeld dat de kassen van de afscheidingsbeweging moet vullen voor de financiering van nieuwe aanslagen. Als de klok van de kathedraal acht uur slaat, vangen de werknemers van Aldaya's transportbedrijf, zijn kinderen en enkele duizenden sympathisanten stilzwijgend hun protest aan. Van de andere kant van de straat klinken spreekkoren. Gescheiden door een haag van gemaskerde politie-agenten hebben zich honderden ETA-aanhangers verzameld. Een geluidswagen tettert staccato een leus over het plein waarin de bevrijding van Baskenland wordt bepleit. “ETA vermoordt ze”, brult de meute naar de zwijgende menigte bij de kathedraal.

In het hoofdkwartier van de PSOE, honderd meter oostwaarts,heerst nog altijd een bedrukte stemming. In de hal staat het marmeren borstbeeld van Enrique Casas, het socialistische parlementslid dat tijdens de verkiezingscampagne van 1984 door de ETA werd vermoord. Om de hoek hangt nu een ingelijst portret van Fernando Múgica. “Het is moeilijk voor te stellen dat hij er niet is”, zucht Ana Miranda (49), Baskisch lid van het Europarlement voor de socialisten. Als oudgediende, die zij aan zij met Felipe González gedurende het Franco-regime de illegale PSOE nieuw leven inblies, gold hij als een van de historische persoonlijkheden binnen de partij. Een energiek man met gevoel voor humor en een extroverte persoonlijkheid, aldus mensen die hem gekend hebben. “En in San Sebastián kende iedereen Fernando”, zegt Miranda. “Zijn vader sneuvelde aan de republikeinse zijde gedurende de burgeroorlog. Zijn moeder was een Poolse jodin die was gevlucht voor de pogroms. Het grootste deel van haar familie is omgekomen in de concentratiekampen van de nazi's. Samen met zijn broer Enrique heeft Fernando zich altijd sterk ingezet voor de contacten met de Arbeidspartij in Israel. Hij was aanwezig bij de begrafenis van Rabin. Het is een wrede speling van het noodlot dat hij nu zelf het slachtoffer is geworden van de intolerantie.”

Wat blijft is verbijstering, afschuw en haat. “Ik zal dit nooit vergeten, noch vergeven”, zo verklaarde bij de begrafenis Fernando's broer Enrique Múgica, voormalig minister van justitie en lijsttrekker van de lokale partij-afdeling. “Ik vergeef het de moordenaars nooit, noch degenen die hen hielpen of die de ETA verdedigen en verontschuldigen”.

Maar die verontschuldigingen lieten niet lang op zich op zich wachten. Herri Batasuna, de politieke tak van de ETA, liet in een verklaring weten dat de aanslag een protest was tegen “de Spaanse strategie om het Baskische volk te elimineren”. Múgica bekleedde een hoge positie binnen de PSOE toen deze partij in de jaren tachtig doodseskaders tegen de ETA organiseerde, aldus de verklaring. De affaire rond de doodseskaders van de politie, die opereerden onder de afkorting GAL (Gewapende bevrijdingsgroepen) en die in de periode 1983-1987 zeker 27 mensen vermoordden, heeft inmiddels de rechtszaal bereikt. Voormalig minister van binnenlandse zaken José Barrionuevo - prominent kandidaat op de kieslijst van de socialisten - zal zich samen met een tiental andere verdachten binnenkort voor de rechter moeten verantwoorden in een ontvoeringszaak van de GAL.

De ETA heeft als organisatie die zich niets gelegen laat liggen aan welke wet dan ook, geen enkel recht van spreken over de GAL, luidt de breed gedeelde mening in Baskenland en de rest van Spanje. “Fernando heeft niets met de GAL te maken. Hij was gewoon een makkelijk doelwit, omdat hij geen lijfwachten wilde hebben”, zegt Euro-afgevaardigde Ana Miranda. “Het doel van de ETA is het veroorzaken van paniek door middel van terreur. Het is voor ons extra pijnlijk dat een land als België vraagtekens zet bij de kwaliteit van onze rechtsstaat.”

De aanslag zorgde voor een plotselinge eenheid onder de politieke partijen in Spanje waarbij de onderlinge twisten korte tijd werden opgeschort. Afgezien van premier González en een groot deel van het kabinet kwamen vrijwel alle hoofdrolspelers van de democratische partijen naar de rouwplechtigheden. De rechtse oppositieleider en gedoodverfd winnaar van de verkiezingen José María Aznar, zelf vorig jaar op een haar na ontsnapt aan de dood bij een ETA-aanslag, kwam naar San Sebastián om Múgica de laatste eer te bewijzen.

Maar gisteren verbrokkelde de eenheid tegenover het terreurgeweld weer even snel als zij was ontstaan. De Catalaanse nationalistische leider Jordi Pujol viel venijnig uit naar de conservatieve partij van Aznar wegens de aanhoudende kritiek die deze partij de afgelopen maanden heeft geleverd op de socialisten inzake de GAL-kwestie. De ETA heeft hiermee op een presenteerblaadje een moreel excuus gekregen voor nieuwe aanslagen, aldus Pujol. De socialistische partij in Baskenland plaatste op haar beurt vraagtekens bij de manier waarop de autonome Baskische politie - de Ertzaintza - de daders van de aanslag door de vingers had laten glippen en trapte daarmee danig op de ziel van de regerende nationalistische partij in Baskenland, die in het lokale politiekorps een van haar paradepaardjes ziet.

Maar de werkelijke onrust speelde zich de afgelopen dagen af in de straten van San Sebastián en de rest van Baskenland. Zoals bij de manifestatie voor de vrijlating van de transport-ondernemer Aldaya, waar de agenten van de Ertzaintza met zwarte bivakmutsen over hun hoofd herkenning door hun mede-Basken trachtten te vermijden. “De moordenaars tonen vrij hun gezicht, terwijl het gezag bang is voor represailles”, aldus een van de demonstranten voor de kathedraal. “Het begint hier steeds meer op Algerije te lijken.”