Een dodelijke pen

Het Haagse Gerechtshof begint 21 februari aanstaande met de behandeling 'ten gronde' van het hoger beroep van de zogenaamde balpenmoord. De verdachte, nu een rechtenstudent, kreeg op 13 oktober 1995 twaalf jaar gevangenisstraf (na een eis van vijftien jaar), omdat hij volgens de Haagse rechtbank met voorbedachten rade zijn moeder met een lichte kruisboog had gedood door een Bic-pen in haar rechteroog te schieten.

Op 16 januari jongstleden werd besloten zijn straf voorlopig te onderbreken op grond van nieuw, ontlastend bewijsmateriaal. Schietproeven met een lichte en sterke kruisboog op preparaten van mensen, die zich ter beschikking van de wetenschap hadden gesteld, hadden laten zien dat het schot, dat de rechtbank bewezen achtte, niet te reproduceren was. Een Bic bleek, na een schot van dichtbij, het oogkasdak òf niet te perforeren, òf wel, maar dan bezweek de pen: de schrijfpunt van de pen bleek steeds uit de huls te schieten.

De zitting hoeft niet lang te duren. Het nieuwste ontlastende materiaal zal eerst nader worden bekeken. Aan het Gerechtelijk Laboratorium werd gevraagd om, met TNO, te onderzoeken of een schot, zoals de rechtbank wettig en overtuigend bewezen achtte, mogelijk is. De verwachting is dat de pen het oogkasdak niet doorprikt, óf zij prikt er wel doorheen, maar begeeft het daarbij. Deze bevindingen zullen dan genoeg zijn om de voorlopige vrijheid van de veroordeelde om te zetten in een definitieve. Iemand kan niet veroordeeld worden voor wat niet kàn. Want dan is het immers niet gebeurd.

Over wat er fout gegaan is in deze cause célèbre het volgende. Toen bij de lijkschouwing, tot verbazing van de betrokkenen, een onbeschadigde Bic in de hersenen werd gevonden, heeft de Leidse politie dit van meet af aan zo'n gekke doodsoorzaak gevonden - het is natuurlijk ook bizar - dat ze gedacht moet hebben: dit kan geen ongeluk door een val zijn, dit moet moord zijn. Politie en pers hebben ook van meet af aan over de zaak gerept als 'de balpenmoord'. Zouden ze meteen geweten hebben dat dit voorval in de medische literatuur veelvuldig beschreven is als valtrauma, dan zouden politie, pers en justitie deze opvallende blinde vlek niet hebben gehad. Alles dat op een doodgewone val wees werd niet meegewogen. Het vonnis van 13 oktober ging zelfs met geen woord in op de, alleen al statistisch gezien, meest waarschijnlijke duiding van het voorval: een val op een scherp voorwerp is een klassiek trauma in de oogheelkunde. In de wetenschappelijke medische literatuur heb ik twaalf gevallen gevonden van mensen die op een potlood gevallen zijn, dat, net als bij het slachtoffer, door het bovenooglid en oogkasdak ging (zes met dodelijke afloop). Eén geval vond ik van iemand die ook liggend op de grond werd aangetroffen, bij wie, dankzij een röntgenfoto, een balpen in oogkas en hersenen werd gevonden, die, net als bij het slachtoffer, daarvóór niet gezien was. Het is natuurlijk een godsgeschenk voor alle betrokkenen dat schietproeven, die werden gedaan om te zien of een Bic door het oogkasdak geschoten kon worden, iets opleverden waar, voor zover ik weet, niemand ook maar aan gedacht had. Namelijk, dat àls het oogkasdak het begaf, de Bic het ook begaf. Deze serendipiteuze en steeds reproduceerbare waarneming werd de kroongetuige à décharge in deze zaak.

En deze bleek van cruciaal belang. Er was namelijk de belastende verklaring van een psychologe, die onder ede verklaarde dat de verdachte haar tijdens een therapiezitting verteld had zijn moeder met een kleine kruisboog, gepland, te hebben gedood. De geheugendeskundige prof. dr. W.A. Wagenaar zei over een dergelijke situatie, in een andere context, het volgende: “Freud (-) begreep al vroeg dat de herinneringen waarmee mensen aankomen in een therapeutische sessie een therapeutisch effect kunnen hebben zonder dat ze waar zijn. Freud is vrijwel onmiddellijk afgestapt van het idee dat je moet nagaan of een herinnering wel waar is. (-) Het leidt wel tot de constatering dat als die therapeut vervolgens een proces-verbaal zou gaan uitschrijven, dat hij geheel op het verkeerde spoor zit, want een therapeutische sessie is geen verhoor. Bij een verhoor gaat het wel om: is het waar of niet waar? Maar in een therapeutische sessie is dat helemaal niet van belang.”

In de snijzaal in Groningen hingen in mijn studietijd nog de woorden Hic locus est ubi mors gaudet succerere vitae (Dit is de plaats waar de dood zich verheugt het leven te hulp te snellen). Ik hoop en verwacht dat deze spreuk tijdens het hoger beroep weer waar zal blijken. De mijns inziens gerechtelijke dwaling heeft al zo onvoorstelbaar veel leed gegeven.

    • Pek van Andel