De winter van '96

De Nederlandse winter van 1996 is eerder tot de wereldkrant doorgedrongen dan het nieuws over de Nederlandse opsporingsmethoden.

Mensen die alleen de International Herald Tribune lezen zijn nog onkundig van de postmoderne vaardigheid waarmee de agenten hier elkaar de zakken met hasj doorgeven. Meer dan ooit denken ze dat in het land van Rembrandt de tijd heeft stilgestaan. Een paar dagen geleden heeft de krant op zijn voorpagina een foto afgedrukt van een klassiek Hollands ijstafereel: schaatsers op de Keizersgracht bij tegenlicht. Als je die foto zou vergroten, op linnen plakken en met een beetje handigheid in olieverf zou overschilderen, had je een doek van een onbekende meester, ergens tussen 1450 en 1996. Het idee is niet van mij. Ik had een vriend, Charles Grewel, die een poosje zijn brood heeft verdiend door op zo'n manier prentbriefkaarten van zeegezichten te behandelen.

De schoonheid van het ijstafereel op de foto heeft - om het kunstkritisch te analyseren - twee componenten. Daar is ten eerste de foto op zichzelf, gemaakt door een vakman met een kunstzinnig oog; en dan is er de toegevoegde tijdloosheid. Hier, op de Keizersgracht, op deze middag is de geschiedenis tot stilstand gebracht, zoals de geschiedenis in strenge Nederlandse winters altijd halt maakt. Dit heeft weer twee oorzaken. Het decor van de ijspret valt niet te moderniseren of te professionaliseren. Aan grachten, plassen, winterse sloten en kaal geboomte kan niets worden verbeterd. En schaatsen kun je in principe maar op één manier doen, door je benen beurtelings uit te slaan, en daarbij kun je je maar op één manier aankleden. Wat er door de tijden heen aan modieuze franje bij is verzonnen, zinkt in het niet bij de klassieke basics.

Omdat die taferelen zo mooi zijn en omdat het Nederlandse volk in de kunst er vóór alles een van schilders is, hebben we het ijstafereel tot zo'n hoge graad van ontwikkeling gebracht. Dat blijkt uit de totalen, de panorama's, en als je goed kijkt, ook uit het detail. Het schilderen van een strakke ijsvloer, de glans en kleur te treffen, niet helemaal blauwzwart, ook niet diep donkergrijs maar iets daartussen, bewerkstelligd met een onnavolgbaar puntje wit gemengd met het kleinste likje blauw, dat kunnen alleen Hollandse schilders. Dan gaat het misschien even dooien, of een schip breekt zich een weg door de vaart, maar door de strenge nachtvorst vriezen de schotsen weer aan elkaar. Dan, op de 'hechtlijn', zal ik maar zeggen, ontstaan van die eigenaardige korstbobbelrandjes, onregelmatig, lichtblauwgrijs en dat weer in nuancen. Daar laat de schilder van de Hollandse winter zijn talent pas goed zien. Op zijn doek worden die randjes ijskoud, tastbaar in hun gladde kartelingen. En dan, niet te vergeten, de bellen onder het ijs, de diepe verticalen van de barsten, de langgerekte geodetische gedeuktheid langs de kant van de vaart als er gemalen is. De Hollandse winter en de Hollandse schilders maken er omstreeks deze tijd een mooi, eeuwig landje van.

Donderdag moest ik de IJsselmeerpolders in. Na Weesp, na het bedrijf van de familie Pover die op de fabrieksmuur heeft laten schilderen POVER WEESP, buigt het spoor naar het noorden. Binnen een paar minuten verlaten we het oude land en rijden we over de Hollandse Brug; links het IJmeer, rechts het Gooimeer. Het is alle jaargetijden mooi, maar nu! Tot aan de horizon zijn de watervlakten bevroren. Het was een heldere dag, hoog in de hemelkoepel overheerste het lichtblauw, dat dan met meer grijs werd gemengd naarmate het de horizon naderde, daar niet eindigde in een scherpe lijn, maar via een niemandsland, een niemands-strook van nuancen overging in het blauwachtig wit van de ijsvlakte. Nova Zembla. Wat een vrijheid van geluk, of een geluk van vrijheid, dat komt op hetzelfde neer. Daar tussen de oevers was al het gezeur en gebeuzel van het oude land even weggeblazen en doodgevroren. Hoe lang doet de trein over de brug? Een minuut? Een halve? Lang genoeg in ieder geval om te beleven wat ik hier beschreven heb. Ook aan de andere kant, in het nieuwe land valt trouwens de wijdheid niet te verwaarlozen: de eindeloosheid van omgeploegde bruine klei met daarboven een paar zwarte kraaien en hoog in de lucht in V-formatie een stuk of twintig ganzen, alsof ze voor een demonstratievlucht waren besteld.

Op het ogenblik dat ik dit schrijf gaat de Elfstedentocht niet door, maar daarvoor in de plaats hebben we een paar andere attracties. Wat die tocht aangaat is het seizoen in de eerste plaats de winter van de heer Kroes, de man die nee zegt. Wie in deze tijd is nog in staat op zo'n manier geen krimp te geven, weerstand te blijven bieden tegen het dringen en beuken van het televisiepopulisme? Politici, kunstenaars, wetenschappers, journalisten, allemaal waren ze allang door de knieën gegaan. Ik zou niet graag de post ontvangen die de heer Kroes vandaag en morgen uit zijn bus moet halen. Maar hij bleef nee zeggen. Ook hier moeten we een poosje in de vaderlandse geschiedenis teruggaan om iemand van gelijkwaardige vastberadenheid te vinden. Ik weet wel zeker dat als hij ja had gezegd er iets was gebeurd dat we de volgende week zouden hebben omschreven als een puinhoop. En al zal dat nooit kunnen worden bewezen, het valt in ieder geval te veronderstellen dat hij een paar mensen het leven heeft gered.

De taferelen van ijspret zijn door de eeuwen heen dezelfde gebleven, maar de mensen zijn anders geworden. Het is jammer dat er geen statistiek wordt bijgehouden van schaatsers die tegen een brug hun hoofd stoten. Lezers van boven de vijftig, raadpleeg uw geheugen. Hoeveel keer is het in de strenge winter van 1963 voorgekomen dat u of iemand uit uw omgeving al schaatsend zich het hoofd heeft gestoten tegen een brug? De winter van 1996 zal de geschiedenis ingaan als die waarin de heer Kroes nee zei, en waarin de ziekenhuizen de toevloed van hoofdstoters niet meer aan kon. Dat zegt wel iets, maar wat?

Afgelopen zondag - er zijn al veel beschouwinkjes over geschreven maar ik kom er toch nog even op terug - wilden tienduizenden mensen onder auspiciën van een vereniging van Enkhuizen naar Stavoren schaatsen. Misschien had er een jaar of dertig geleden geen haan naar gekraaid. Geoefende schaatsers waren op weg gegaan, een paar hadden iets gebroken en dat was dat geweest. In deze tijd wordt zoiets tot evenement en voor een evenement hoef je niets te kunnen. Als dan in de voortgang het tegendeel blijkt, laat je je opvangen. Na evenement komt opvang, dat is een wet, en is er geen opvang dan komt er verontwaardiging.

Dit weekeinde gaat het sneeuwen. Dat belooft ook een evenement te worden. Het heeft zijn goede kanten. In de vier dagen van de sneeuwstorm waaronder vorige maand New York het zwaar te verduren heeft gehad, is er geen moord gepleegd. De eerste dag van de dooi werden er weer vier geregistreerd.

    • S. Montag