De Nijl als legpuzzel

P.G.P. MEYBOOM: The Nile Mosaic of Palestrina. Early Evidence of Egyptian Religion in Italy

409 blz., geïll, E.J. Brill 1995, Serie Religions in the Graeco-Roman World nr. 121, ƒ 215,-

Aquileia, Ravenna, Rome, Ostia, Napels, Pompeii, Herculaneum, Piazza Armerina. De liefhebber ziet natuurlijk meteen welke naam ontbreekt in dit rijtje Italiaanse plaatsen met befaamde Romeinse mozaïeken: Palestrina, dat in de oudheid Praeneste heette en vermaard was vanwege het heiligdom van de godin Fortuna Primigenia. Op het hoogste punt van dit plaatsje, zo'n veertig kilometer ten oosten van Rome, ligt het voormalige paleis der Barberini, dat nu is ingericht als archeologisch museum. Daar, tegen de muur van een lege bovenzaal, hangt het Nijlmozaïek - een groots rivierlandschap, ruim vier meter hoog, bijna zes meter breed. Meer dan een half miljoen steentjes zijn erin verwerkt, de overheersende kleuren zijn groen, grijsblauw, bruin en rood. In bekendheid moet het alleen de Slag van Alexander tegen Darius uit het Huis van de Faun in Pompeii voor zich dulden.

Terwijl de twintigste-eeuwse bezoeker van Palestrina het hoofd in de nek moet leggen om het mozaïek te bekijken, wierpen de Romeinen in Praeneste de blik omlaag. Destijds was het Nijltafereel ingebed in de vloer van een nymphaeum, een grot met bron, en diende als prettig stemmende decoratie van een grote zaal in een openbaar gebouw, waarschijnlijk de curia (gemeenteraadszaal), aan het forum van de stad. Het lag onder een laagje licht kabbelend water, wat het schouwspel extra schittering verleende. De Romeinse bezoeker van Praeneste moet zich even in Egypte hebben gewaand.

Het mozaïek met zijn gedetailleerde schildering van de Egyptische flora en fauna en van religieuze rituelen is lang gehuld geweest in een waas van geheimzinnigheid. Deskundigen hebben zich de tanden stukgebeten op de datering en op de vraag hoe het in vogelperspectief afgebeelde Nijl-landschap moet worden uitgelegd. Gaf het een historische gebeurtenis weer - een bezoek van Alexander de Grote, Caesar, keizer Augustus of Hadrianus aan Egypte -, of was het een kunstzinnige poging in Italië de Egyptische culten te propageren? Tegenwoordig houdt men het wat algemener op een exotische genrescène, die blijk geeft van de Romeinse belangstelling voor Egypte, waarbij de vergelijking met de latere Europese interesse in Chinese snuisterijen (chinoiserieën) zich als vanzelf aandient.

De Leidse klassiek archeoloog P. Meyboom heeft het mozaïek in zijn proefschrift The Nile Mosaic of Palestrina aan een nieuwe analyse onderworpen, enkele problemen dichter bij een oplossing gebracht en er een eigen interpretatie aan toegevoegd. De datering (de meningen daarover varieerden van 80 voor Christus tot de derde eeuw na Christus) stelt hij op 120-110 voor onze jaartelling. Meyboom baseert zich op de enige bekende parallellen van het Nijlmozaïek: enkele wandschilderingen en mozaïeken met Nijlscènes in Pompeii. Daterend uit een iets latere periode vertonen ze alle één of meer motieven die in het mozaïek van Palestrina zijn verwerkt. Ze lijken zelfs door het Nijlmozaïek te zijn geïnspireerd; ja, de overeenkomsten zijn zo frappant dat het niet te boud is te veronderstellen dat de Pompeiaanse mozaïeken èn het Nijlmozaïek zijn vervaardigd door hetzelfde atelier, mogelijk gevestigd in Pozzuoli, de aanvoerhaven van Centraal-Italië. De datering in de laat-hellenistische periode sluit ook mooi aan op die van enkele aan het forum van Praeneste gelegen gebouwen.

In gruzelementen

Het mozaïek van Palestrina heeft een roerig leven gehad; het is verscheidene keren, al of niet hardhandig, van gedaante gewisseld. Na een eeuwenlange slaap onder de grond werd het in het begin van de zeventiende eeuw ontdekt. Omstreeks 1625 zaagde men het in een stuk of twintig stukken - zonder daarbij te noteren hoe die fragmenten zich tot elkaar verhielden - om het te laten restaureren in Rome, waar het in het bezit kwam van kardinaal Francesco Barberini. Bij terugkeer in Palestrina in 1640 kantelde de wagen met de mozaïekdelen en vielen de stukken in gruzelementen. Gelukkig waren er in Rome enkele jaren eerder in opdracht van de oudheidkenner Cassiano dal Pozzo kopieën in aquarel van gemaakt; die wierpen bij de reparatie meteen vruchten af. Dal Pozzo's kopieën raakten in de loop der tijd overigens zoek.

Halverwege de vorige eeuw verhuisde het mozaïek opnieuw tijdelijk naar Rome, nu in meer dan dertig delen, om in de pauselijke mozaïekfabriek een bewerking te ondergaan. In 1943, toen Palestrina werd bestookt door geallieerde bommen, verkaste het naar een veiliger plek. Grondig gerestaureerd in Rome kreeg het na de oorlog zijn definitieve bestemming.

Zo'n twintig jaar geleden werden de kopieën van Dal Pozzo teruggevonden; ze werden uit de collectie van koningin Elizabeth in Windsor Castle opgediept door de kunsthistoricus Anthony Blunt - die later ontmaskerd zou worden als spion voor Moskou. De vondst van de kopieën, die in feite een authentieker beeld verschaffen dan het huidige mozaïek, was voor Meyboom aanleiding de legpuzzel opnieuw te reconstrueren. Het meest in het oog lopende verschil tussen het antieke en het tegenwoordige mozaïek is dat het grote paviljoen dat nu rechts op de voorgrond prijkt, zich in de oudheid waarschijnlijk in het midden bevond. Ook een enkel ander tafereel is van plaats gewisseld. Meybooms conclusie luidt niettemin dat, hoewel een vrij groot deel van het antieke mozaïek verloren moet zijn gegaan, het in zijn huidige gedaante een redelijke gelijkenis vertoont met de oorspronkelijke compositie.

Twee delen

Compositorisch valt het mozaïek in twee delen uiteen. In de bovenste helft stofferen exotische planten een berg- en rotsachtig rivierlandschap. Een stoet dieren, reëel en fictief, bevolkt het toneel; tientallen soorten zijn afgebeeld, veelal met hun naam in het Grieks erbij: wrattenzwijn, dromedaris, giraf, cheetah, lynx, schildpad, rhinoceros, neushoorn, hyena, verschillende soorten apen. Een reuzenslang verslindt een vogel, een groepje zwarte jagers maakt met pijl en boog jacht op reigers, op een rots ontbloot een beest, dat het midden houdt tussen neushoorn en krokodil, zijn tanden. Een hoefdier met menselijke trekken en witte manen huppelt voorbij. HONOKENTAURA, staat eronder. Het is de vrouwelijke vorm van de ezel-centaur, mogelijk gebaseerd op de in de oudheid vagelijk bekende gnoe.

Het karakter van het landschap, de afwezigheid van bebouwing en het donkere pigment van de jagers duiden erop dat hier een didactisch exposé wordt gegeven van de flora en fauna van het gebied waar toentertijd de bron van de Nijl, de Egyptische levensader, werd vermoed: de huidige Soedan, dat destijds Aethiopia werd genoemd. Het gebied raakte bij de Griekse overheersers van Egypte bekend toen expedities langs de Rode-Zeekust zuidwaarts werden gestuurd. De missies naar 'het land van de zwarte mensen' hadden de vangst van krijgsolifanten ten doel, maar in één moeite door werden ook andere exotische dieren buitgemaakt en vervolgens te kijk gezet in de koninklijke dierentuin van Alexandrië. Zo zagen Griekse ogen voor het eerst de neushoorn, de giraf, de gevlekte hyena en de python.

In de onderste helft van het mozaïek meandert de rivier verder, maar het decor is sterk gewijzigd. Naast Egyptische gebouwen zijn heiligdommen in Griekse stijl afgebeeld. De bevolking van het Ptolemeïsche Egypte - Griekse militairen en feestvierders, Egyptische priesters en boeren in hun typerende kledij - houdt zich bezig met rituelen, jagen en vissen. Alles staat hier in het teken van de jaarlijkse overstroming. Een put stelt waarschijnlijk de Nijlmeter van Assuan voor, die de hoogte van de rivier mat en dus aangaf wanneer zij buiten haar oevers trad - en waarin de zon op haar hoogste punt op de langste dag van het jaar geen schaduw wierp. Voor de Griekse geleerde Eratosthenes vormde de Nijlmeter, in combinatie met een vergelijkbare put in Alexandrië, de basis voor zijn verrassend adequate driehoeksmeting van de omtrek van de aarde.

Voorts is er een reusachtig bouwwerk te zien met vier enorme beelden van Osiris, de god van het dodenrijk, en een Ptolemeïsche adelaar boven de toegangspoort. Het moet de beroemde tempel van Canopus bij Alexandrië zijn. Egyptische priesters dragen in processie een rituele sarcofaag met de mummie van de godheid naar een heilig bos, het Abaton, waar zich Osiris' grafkapel moet hebben bevonden. De plechtige bijzetting in de kapel vormde het sluitstuk van de riten die de weldadige overstroming jaarlijks begeleidden. Daarna konden de festiviteiten beginnen.

Paviljoen

Na de constatering dat het Nijlmozaïek dus de loop van de Nijl weergeeft, van de oorsprong in Aethiopia tot de vruchtbare delta-streek, met als hoogtepunt de overstroming, blijven er genoeg detailproblemen over. Zo is vóór het bovengenoemde paviljoen een groep Ptolemeïsche militairen geposteerd, die op het punt staan deel te nemen aan een banket ter viering van de overstroming. Rechts voor het paviljoen verheft zich een priesteres. In de linkerhand houdt zij een palmtak, met haar rechterhand heft zij een lepel voor het scheppen van wijn. Zij richt zich tot de hoge officier naast haar die, het hoofd bekranst, een drinkhoorn omhoog houdt. Lang is hij beschouwd als de hoofdfiguur van het gehele mozaïek en er is veelvuldig gegist naar de betekenis van de scène. De achttiende-eeuwse Duitse kunstkenner Winckelmann zag er een ontmoeting van Helena en Menelaos in, anderen suggereerden het bezoek van Alexander de Grote aan de oase van Siwa, of een reis van keizer Hadrianus naar Elephantine.

Meyboom geeft een andere, verrassende interpretatie. Daarbij baseert hij zich op een fragment van het mozaïek dat verloren is gegaan, maar waarvan op een aquarel-kopie van Cassiano dal Pozzo nog een deel zichtbaar is. Op die kopie is een grote rode parasol met gele franje geschilderd. Volgens Meyboom moeten voor het paviljoen enkele personen méér zijn afgebeeld, en wel ònder de parasol, die naar oosterse traditie diende als vorstelijk attribuut van het Ptolemeïsche koningspaar. De Griekse farao en zijn echtgenote werden beschouwd als de aardse vertegenwoordigers van Osiris en diens echtgenote Isis, de schenkster van de Nijloverstroming. Dat het koningspaar de hoofdrol speelde bij het overstromingsritueel, blijkt ook uit verschillende reliëfs in de tempel van Isis-Hathor te Denderah.

Daarmee zijn een onzichtbare farao en zijn onzichtbare echtgenote onder een even onzichtbare parasol de hoofdfiguren van het mozaïek geworden en is de bekranste officier van zijn vitale functie ontheven. Mogelijk was hij de provincie-gouverneur, misschien was hij niet meer dan de superieur van het handjevol gardesoldaten dat zich opmaakt voor een gang naar het buffet.

Overvloed

Toen Meyboom een oplossing had voor het probleem van de voorstelling, restte de vraag naar de functie van het mozaïek. Wat was de betekenis van een dergelijke schildering van Egypte in Midden-Italië, in een openbare ruimte in het laat-hellenistische Praeneste?

Meyboom ging eerst te rade bij de Nijlscènes in de huizen van Pompeii. Geen enkele daarvan vertoonde echter een aanduiding dat de bewoners zich in het bijzonder interesseerden voor de Egyptische religie. Bovendien bevonden de scènes zich voornamelijk in zalen met een representatief of feestelijk karakter; een propagandistisch-religieus element ontbrak. Deze Pompeiaanse Nijlscènes moeten dan ook, aldus Meyboom, louter hebben gefungeerd als illustratie van vruchtbaarheid en overvloed.

Datzelfde geldt voor het mozaïek in Palestrina, maar hier is mogelijk toch een religieus trekje binnengeslopen. Nijlscènes symboliseren de macht van Isis. Tijdens de hellenistische periode werd Isis met de Griekse godin Tyche geassimileerd. De Romeinen op hun beurt associeerden Tyche met de geluksgodin Fortuna, zodat Isis in de Romeinse wereld met Fortuna werd gelijkgesteld. Het is denkbaar dat de associatie Isis-Fortuna door het achterhoofd speelde bij de vervaardiging van het Nijlmozaïek en dat de decoratie dus een symbool was van de voorzienigheid van Fortuna Primigenia, Praeneste's beschermgodin. Dat zou het mozaïek ook voor de Romeinen een religieus cachet verlenen. De Romein die in Praeneste het Nijlmozaïek aanschouwde, zal zich dus niet alleen in een exotisch land hebben gewaand, de uitbeelding van de door de goden geschonken overvloed zal bij hem ook een gevoel van welbehagen hebben gewekt.

Meyboom heeft een intrigerend proefschrift geschreven, dat licht werpt op de relaties tussen Rome en Egypte in een periode waarover tamelijk weinig bekend is. Het boek telt zo'n 400 bladzijden. De laatste 200 bestaan uit noten; de eerste 200 zijn voor de geïnteresseerde buitenstaander, die al lezend de legpuzzel ziet groeien en zich hoogstens een iets speelser taalgebruik had gewenst.

    • Charles Coster