De ambassadeurs van twintig nieuwe landen zoeken hun plaats in Brussel en Den Haag; Diplomatieke debutanten

Sinds de val van de muur erkende Nederland twintig nieuwe landen. Eenmaal gearriveerd in Den Haag of Brussel proberen de debuterende ambassadeurs hun plaats te bevechten. Maar hoe houd je een receptie als je regering maar geen meubels stuurt? Een koude start in het gevestigde Europa.

Het is dringen op de trap naar de ontvangstkamer waar de scheidende Oostenrijkse ambassadeur Otto Maschke en zijn echtgenote handen schudden. Zorgvuldig gekapte dames in 'tenue de ville', ambassadeurs, consuls, hoge ambtenaren van de ministeries van buitenlandse zaken en defensie. De ambassadeur van Kroatië Branko Salaj, sinds december in Den Haag, heeft op het laatste moment moeten afzeggen, maar zijn afwezigheid is niemand opgevallen. Salaj is een van de novieten die zich sinds de val van de muur bij het 'corps diplomatique' proberen aan te sluiten. Tussen 1991 en 1992 heeft de Nederlandse regering twintig nieuwe landen erkend uit de vroegere Sovjet-Unie en de Federale Republiek Joegoslavië. Drie van hen zijn in Den Haag vertegenwoordigd, de overigen 'doen' Nederland vanuit Brussel. “Om u de waarheid te zeggen”, zegt de Britse ambassadeur, Sir David Miers, die wat staat te keuvelen met zijn Belgische collega Jan Willems, “ik wist niet eens dat er een Kroatische ambassadeur wás. Wist jij dat?” vraagt hij aan Willems. “Ik had er wel van gehoord” zegt deze. “Heeft hij ons dan al aangeschreven?”, vraagt de Brit. “Ja” antwoordt de Belg. “Oh, dan moet ik daar overheen hebben gekeken”.

Aan zijn fysiek kan het niet hebben gelegen. Ambassadeur Branko Salaj is groot, heeft glinsterende lichtblauwe ogen en lijkt op Laurence Olivier. Aan zijn gevoel voor humor ook niet. “Ik heb begrepen dat bijna alle kranten in Nederland in handen zijn van één uitgever”, zegt hij grijnzend, “daar zullen ze in Kroatië van opkijken”. In het gehuurde pand aan de Amaliastraat staan een bureau en verhuisdozen, maar verder is het leeg. Hij heeft nog geen tijd gehad om veel recepties te bezoeken. Salaj is te druk met allerlei praktische sores. “Ik had de meubels liever in Nederland besteld” zegt hij in perfect Engels. “Maar de regel is nu eenmaal dat een ambassadeur geen zaken aanschaft, die hij ook thuis kan kopen.”

Salaj gleed op nieuwjaarsdag uit, sindsdien loopt hij mank. Zijn secretaresse is ook gevallen; met een arm in het gips is het moeilijk typen. Salaj: “Als ik zeg: 'Ik heb mensen nodig en meubels', heeft onze regering nog niet de bestuurlijke routine om die meteen te leveren.” Hij leunt achterover in zijn stoel en zegt: “Ach, de oude landen zijn ook ooit allemaal door die nachtmerrie gegaan”. Salaj weet nog niet goed wie wie is in Nederland. “Is er niet een Nederlandse Who Is Who?” vraagt hij. Hij heeft alle ambassades per brief laten weten dat hij er is, en daarop brieven teruggekregen waarin staat dat men verheugd is over zijn komst. Maar dan? “Ik kan de eerste maanden geen recepties geven. Eerst moeten de meubels er zijn.” Hij moet ook nog kennismakingsbezoeken afleggen. “Maar niet aan iedereen”, zegt hij terwijl hij het mapje brieven met standaardformuleringen als: “Wij verheugen ons op zakelijke én persoonlijke contacten met u” doorbladert. “Ik heb het aan de 'doyen' (de dienstoudste ambassadeur, red.) in Parijs gevraagd en hij zei: 'bezoek alleen de landen die belangrijk voor je zijn'.”

Volgens Gerhard Almer, pers-attaché van de Duitse ambassade en kenner van de etiquette, is de volgorde waarin een nieuwe ambassadeur zijn kennismakingsbezoeken aflegt belangrijk. “Als iemand twee dagen na aankomst al een afspraak met ons maakt, noteer ik dat hij contact met ons belangrijk vindt”. De ambassadeur biedt in zo'n eerste gesprek altijd hulp aan, zegt Almer. “Die moet daar vervolgens niet drie keer per dag om komen vragen, maar hij kan best een week later bellen voor advies. Iedereen doet zijn best om net zo met ze om te gaan als met nieuwe ambassadeurs uit de VS of uit Engeland.” Volgens Almer is de introductie in het corps voor de nieuwelingen 'een soort tentamen':“Zo hoort het en zo willen ze het graag kunnen. Net zo als de anderen.”

Tegengevallen

Geen van de nieuwkomers heeft het zo moeilijk als Djordje Lopicic, de zaakgelastigde van Joegoslavië (Servië en Montenegro), sinds 1993 in Den Haag. Zijn land is nog niet officiëel erkend, dus Lopicic wordt nergens uitgenodigd en moet alles alleen doen. Hij is net op bezoek geweest bij de van zware oorlogsmisdaden verdachte Bosnische Serviër Dusko Tadic, die in de gevangenis van Scheveningen zijn berechting afwacht. “Wie heeft u eigenlijk verteld dat ik bij hem was?” vraagt hij verstoord. Nee, hij bezoekt hem niet zo vaak, hooguit eens in de tien dagen. “Het is mijn plicht om de Servische burgers te verdedigen”, zegt hij. “Natuurlijk is Tadic onschuldig, er zijn géén bewijzen.” Het VN-oorlogstribunaal is een farce, vindt Lopicic “Er zijn 46 Serviërs aangeklaagd, zes Kroaten en helemaal geen moslims.” Hij maakt een wegwerpgebaar. “Dat is toch geen rechtbank.”

Altijd weer die vooroordelen. Twee jaar zit hij in Den Haag, en nu kent hij ze wel. Dat zijn land schuldig is aan de oorlog, dat zijn volk heeft gemoord en verkracht. De laatste ambassadeur van Joegoslavië in Den Haag was een Sloveen, die na het begin van de oorlog is vertrokken. Daarna is de ambassade een tijdje onbezet geweest. In 1993 kwam Lopicic, die hoofd was van de juridische afdeling van het ministerie van buitenlandse zaken in Belgrado. Lopicic wist tevoren wel dat hij het moeilijk zou krijgen. Maar wat ìs het tegengevallen. Niemand wil hem ontvangen, nooit krijgt hij uitnodigingen, zelfs universiteiten weren hem. Voor de opening van het parlementaire jaar en de nieuwjaarsreceptie van de koningin wordt het hele corps diplomatique uitgenodigd. Maar Lopicic niet. Lopicic had een “hoger niveau van beschaving verwacht”, zegt hij. Op de feestjes die hij zelf geeft, komt niemand. “Vorig jaar heb ik een receptie gegeven ter ere van onze nationale feestdag. Ik heb honderd uitnodigingen verstuurd, bijna niemand is gekomen. Allemaal hadden ze excuses. De één zei dat zijn kind ziek was, de ander moest net die dag in Brussel zijn.” De Kroatische ambassadeur Salaj heeft ook geen behoefte om Lopicic te ontmoeten. “Hij erkent mijn land niet, dus dat maakt een gesprek weinig zinvol”. Salaj heeft overigens nog wel een appeltje met hem te schillen: de voormalige ambassade van Joegoslavie aan de Groot Hertoginnelaan, moet verdeeld worden tussen alle ex-Joegoslavische republieken, vindt Salaj. “Volgens de verdeelsleutel die is overeengekomen in het Internationaal Monetair Fonds heeft Kroatië recht op 28 procent van het gebouw”.

Het negeren van Lopicic is volgens een woordvoerder van buitenlandse zaken een “duidelijke opdracht”. “Joegoslavië beschouwt zich nog altijd als de Federale Republiek Joegoslavië en die bestaat wat ons betreft niet meer.” De twintig nieuwe landen die wel zijn erkend zullen waarschijnlijk geen van alle voor het jaar 2000 tot de Europese Unie worden toegelaten. De onderhandelingen met de eerste groep van Cyprus, Malta, Tsjechië, Hongarije, Polen en Slowakije zullen pas eind '97, begin '98 beginnen, zes maanden na de herziening van het Verdrag van Maastricht. Eerst moeten de constitutionele problemen van de EU - federatie of gemenebest - worden opgelost. Aan de praktische problemen moet dan worden begonnen. Zijn de Europese landen bereid om de interne subsidies voor onderontwikkelde gebieden straks ook aan Oost- en Midden-Europa uit te keren? En wie gaat de nu al veel te hoge landbouwsubsidies betalen? Bovendien wordt aan het democratisch gehalte van de meeste regeringen in de nieuwe landen nog getwijfeld.

Doorgedrukt

Niet dat nieuwkomers in het 'corps' slecht worden behandeld. “Ik heb nog nooit ergens vijftien minuten moeten wachten omdat ik uit Kroatië kom”, zegt Salaj, die zijn land eerder vertegenwoordigde in Parijs. Formeel is de hiërarchie goed geregeld, zegt Salaj. Wie het langst is gevestigd, heeft de hoogste rang. “Als we ergens in een rij moesten staan, stond ik dus vóór Pamela Harriman, de Amerikaanse ambassadeur die na mij in Parijs was aangekomen”. Maar Salaj begreep ook wel dat de Franse president makkelijker tijd vrijmaakte voor een onderhoud met Harriman. Mitterrand, die helemaal niet gelukkig was met de door Duitsland doorgedrukte erkenning van Kroatië, was allerhoffelijkst tegen Salaj. Toen hij zijn geloofsbrieven overhandigde, bood Mitterrand zelfs financiële hulp aan.

“Regel in het diplomatieke spel is: toon altijd groot respect voor je gesprekspartner” zegt Salaj. “In de diplomatie worden altijd de best mogelijke voorwaarden geschapen om ideeën uit te wisselen. De harde realiteit komt pas daarna. Ik heb hele aardige gesprekken gehad met Pamela Harriman. Maar in mijn èn in haar gedachten speelde altijd dat ik klein ben en zij groot. De ambassadeur van een groot land zegt gewoon: 'dit is ons standpunt', een klein land moet altijd zorgen dat zijn logica overtuigend is.” Salaj heeft de etiquette onder meer geleerd uit een Frans boekje en uit ervaring. Zo leerde hij in Zweden tijdens het uitbrengen van een toast zijn wijnglas vast te houden ter hoogte van het derde knoopsgat van zijn jasje en afwisselend naar rechts, naar links, en naar de gastvrouw- of heer te kijken. Tijdens diners in Frankrijk prees hij uitgebreid de menus. Hij leerde ook zijn onvrede over politieke ontwikkelingen voor zich te houden. De internationale gemeenschap die niet ingreep in de oorlog in Bosnië, het wapenembargo voor de Bosniërs en de Kroaten dat van kracht bleef, Salaj wist in Parijs te zwijgen. “Met vreselijk zuur zijn tegen je gastheer en hem vertellen dat hij niets waard is, kom je niet ver”. Oude landen hebben gespecialiseerde diensten, informatie en geheime diensten tot hun beschikking. Nieuwe landen vallen terug op gezond verstand en haalbare doelstellingen, zegt Salaj. “De meest effectieve diplomatie voor ons is proberen om in een vroeg stadium de voorwaarden te beïnvloeden die tot een besluit kunnen leiden.”

Excellentie

Agressief optreden is ook niet de aanpak van de ambassadeur van de ex-Sovjetrepubliek Kazachstan, Aoueskhan M. Kyrbassov, die in 1993 naar Brussel kwam. Hij zetelt in een kapitaal buitenhuis van de vroegere Belgische koning Leopold II. “Wij hebben meteen duidelijk gemaakt dat we geen confrontatie zoeken, maar samenwerking. We hebben het non-proliferatie verdrag getekend en gezegd dat we streven naar een democratische maatschappij.”

Zijne Excellentie, zoals hij graag genoemd wil worden, spreekt Engels, Duits noch Frans, maar dat is volgens hem geen probleem. Zijn belangrijkste partners zijn immers Rusland en Oost-Europa. Hij heeft wel gebrek aan “specialisten” voor de diplomatieke missies. “Op dit moment hebben we slechts de helft van het personeel dat we nodig hebben”. De ambassadeur zelf is als voormalig hoofd van de Kazachse Kamer van Koophandel - in de Sovjet-tijd het enige instituut voor buitenlandse betrekkingen - voldoende opgeleid. “Ik heb veel gereisd, veel contacten gelegd en zodoende het protocol geleerd.” Over de behandeling in Brussel heeft hij “niet te klagen”. Maar Kazachstan is ook minder gespitst op integratie in Europa dan veel nieuwe landen. “Wij willen vooral economische samenwerking. Daarom denk ik dat men ons snel heeft geaccepteerd”, zegt Kyrbassov. Nederland krijgt als twee na belangrijkste handelspartner van Kazachstan speciale aandacht. “Philips zit in Kazachstan, DAF wil zaken doen in Kazachstan, de ABN Amro was de eerste bank die zich vestigde in Kazachstan en de KLM vliegt twee keer per week op onze hoofdstad, Almaty”, vertelt Kyrbassov. Kyrbassov is naar Brussel gekomen met “een open hart en de wil tot samenwerking”.

Met klachten over de democratie in Kazachstan, waar president Nazerbajev op tamelijk totalitaire wijze regeert, moet je bij hem niet aankomen, dat maakt Zijne Excellentie snel duidelijk. “Wat bedoelt u met gebrek aan democratie?” zegt hij verstoord. “We hebben twee Kamers, net als in Frankrijk. Voor de ontwikkeling van de democratie hebben we alles gedaan dat nodig is. Nu moeten we werken aan onze toekomst.” Punt uit. Kyrbassov kan het zich veroorloven, zijn land wil toch geen lid worden van de Europese Unie.

De nieuwe landen die dat wèl willen, hebben het moeilijker. Litouwen bijvoorbeeld. Dalius Cekuolis, Litouws ambassadeur voor de Benelux en de NAVO in Brussel, kent de “romantische hobby” van veel Westeuropeanen maar al te goed. “Enige leiding en assistentie bij het proces van democratisering in mijn land is welkom”, zegt hij. “Maar jullie moeten er begrip voor hebben dat het niet makkelijk is als je vijftig jaar opgesloten hebt gezeten.” Vaak wordt hem gevraagd: 'Hoe zit het eigenlijk met de mensenrechten? Jullie hebben toch nog de doodstraf?'. Cekuolis zucht. “Onze maatschappij is nog niet gereed voor afschaffing van de doodstraf. Als wij de mafia willen bestrijden, is afschrikking nodig.” Rechten van minderheden, ook zoiets, zegt Cekuolis. “Jullie zeggen: 'Hop! Litouwen moet de Russische minderheid beschermen'. Maar jullie begrijpen niet dat wij vijftig jaar lang door de Russen zijn onderdrukt. Het is allemaal een kwestie van tijd, drijf ons niet in een hoek.”

De Kroatische ambassadeur Salaj kent het ook, dat gehamer. “Op de een of andere manier vindt men dat wij lessen nodig hebben in democratie. Alsof we er zelf niets van weten. De waarheid is dat de internationale gemeenschap zich helemaal niet bekommert om onze democratie. Ze halen het onderwerp uit de kast wanneer het ze uitkomt. Waarom hebben ze het nu over democratie als ze vier jaar lang een ondemocratische oorlog hebben toegestaan?” Salaj geeft toe, de democratie in zijn land is niet ideaal. Tudjman heeft de neiging zich autoritair op te stellen, hij is al oud en oude mensen verander je niet meer.

“Maar je kunt ook niet van ons verwachten dat wij een systeem, waar jullie driehonderd jaar de tijd voor hebben gehad, op een presenteerblaadje aanbieden.” Salaj is bezig Nederlands te leren, misschien kan hij dan uitleggen hoe het in zijn land écht toegaat. “Veel mensen denken: in Kroatië is iedereen half gek en wil men hoofden afhakken. Men accepteert niet zo makkelijk dat Kroaten net zulke mensen zijn als Nederlanders.”

Besmettelijk

Voor recepties heeft de Litouwer Dalius Cekuolis, die zichzelf een “carrière-diplomaat” noemt, niet veel tijd en geld. “Je kunt niet teveel geld aan champagne besteden als je eerste zorg is om een huis te kopen”. Litouwen heeft in drie jaar tijd wereldwijd 26 nieuwe ambassades met 28 ambassadeurs moeten neerzetten en dat kost geld. Het kantoor in Brussel is betaald door een vereniging van Litouwse Canadezen. Cekuolis vertegenwoordigt zijn land in de Benelux, bij de Navo en bij de Westeuropese Unie (WEU) waar Litouwen geassocieerd partner is. “Mijn bestaan is niet zo romantisch. Als iemand vraagt: 'Vindt u Brussel een leuke stad?', zeg ik: 'Ja, maar gaat u voor de details naar mijn vrouw.” Cekuolis werd in 1991, nog vóór zijn land werd erkend, door zijn regering vooruit gestuurd naar Denemarken om een informatie-kantoor op te richten. Enkele maanden later werd Litouwen - onder sterke druk van de Deense minister van buitenlandse zaken, Uffe Elleman-Jensen - erkend door alle EU-landen: Cekuolis herinnert het zich als een “wonderful moment”. Na maandenlang te zijn behandeld alsof hij “een besmettelijke ziekte' had, stond plotseling de fax niet meer stil, stroomde de post binnen en werd de ambassadeur van Litouwen overal uitgenodigd.

Hij was in Denemarken gewend aan de afhoudende benadering die de vertegenwoordiger van een onduidelijk land ten deel valt. Door de Britse ambassadeur in Kopenhagen werd Cekuolis samen met zijn Letse en Estse collegas niet zonder cynisme 'The Baltic Trio' genoemd. “Wij waren nieuwkomers in het leven van het corps en tegenover hen bestaat altijd een natuurlijke distantie. Je moet je aanwezigheid in het corps verdienen.”

In Brussel, waar hij in december 1994 arriveerde, kreeg hij het nog moeilijker. “Ze kenden ons in Denemarken beter dan hier”, zegt hij. “Veel mensen weten niet eens waar mijn land ligt.” Maar Cekuolis vindt de 'emballage diplomatique' niet het belangrijkste. “Als het aankomt op het promoten van je land, kan je beter een Litouws kamerconcert organiseren.” Hij voelt wel een “zeker gebrek” aan integratie. “Een Westeuropese ambassadeur zei laatst tegen mij: 'U zult het wel moeilijk hebben want u heeft ons meer nodig dan wij u'.” Cekuolis slaakt een zucht. Voelen die Westeuropeanen dan helemaal geen morele verantwoordelijkheid? “Wij zijn vijftig jaar lang aan ons lot overgelaten. Jullie dachten: laat die landen maar een bufferzone zijn, wij zijn gelukkig. Maar je kunt niet spreken van de Europese Unie als het maar om een deel van Europa gaat”. Woedend kan hij worden als mensen zeggen: 'Maar u heeft toch ook in Moskou gestudeerd? U collaboreerde toch ook?' “Nee!” antwoordt hij dan altijd. “Ik had liever aan Georgetown gestudeerd, maar Moskou was in die tijd de enige mogelijkheid.” De meest onaangename ervaring, zegt Cekuolis, is de verkeerde perceptie die in West-Europa bestaat van de geschiedenis. “Je kunt niet zeggen: jullie hebben vijftig jaar in de gevangenis gezeten, dus jullie waren schuldig. Wij konden niet met messen en vorken vechten tegen het Sovjet-regime.” Pas een jaar na zijn komst, mocht Cekuolis koningin Beatrix zijn geloofsbrieven overhandigen. Voor die tijd kon hij in Nederland niet deelnemen aan officiële ontvangsten. Hij begrijpt niet waarom hij zo lang heeft moeten wachten, maar voelt zich niet gekwetst. Wel noemt hij het “opvallend” dat de ministers in zijn eigen land zoveel toegankelijker zijn voor westerse diplomaten dan omgekeerd het geval is. Maar ach, Cekuolis kan het zich met een budget van een miljoen gulden per jaar toch niet veroorloven om al teveel te reizen. In Brussel heeft hij alle ambassadeurs die hij wil spreken bij elkaar. “Als ik aan tafel zit bij de WEU, kan ik op een knop drukken en wordt er door 26 ambassadeurs naar mij geluisterd.”

    • Daniela Hooghiemstra