Britse regering hielp haviken binnen de IRA een handje

LONDEN, 10 FEBR. “Jullie dagen zijn voorbij”, zei de Amerikaanse president Bill Clinton in november tegen de Noordierse terroristen. Rondom hem durfden de bewoners van West-Belfast voor het eerst in vijftien maanden het staakt-het-vuren te vieren. Ze zongen uitzinnig over “nooit meer bommen”. Meer dan twee maanden later blijkt hun optimisme toch misplaatst geweest.

Op 31 augustus 1994 kondigde het Ierse Republikeinse Leger stopzetting aan van al zijn militaire operaties. Maar dat betekende niet dat de IRA ophield te bestaan. Zijn militaire structuur bleef intact en de IRA behield ook alle wapens. Om de stiel niet te verleren pleegden zijn aanhangers proefaanslagen, bij wijze van training. Om zijn gezag in de nationalistische wijken te bewaren, ranselde de IRA regelmatig ook vermeende misdadigers af.

Sinn Fein-president Gerry Adams zei het al in augustus tegen zijn aanhang. “De IRA is nog altijd onder ons”. De organisatie hield zich alleen maar gedeisd zolang ze met politieke middelen meer dacht te bereiken. Kennelijk ziet de militaire leiding van de IRA inmiddels toch meer heil in geweld.

De beslissing van de IRA om het staakt-het-vuren op te heffen is koren op de molen van unionisten en Britse regering. Zij hebben het altijd wel gezegd: terroristen zijn niet te vertrouwen. Als ze hun zin niet krijgen, grijpen ze direct weer naar de wapens. Kijk maar eens wat een gelijk Britten en unionisten hadden om te eisen dat terroristen eerst een begin met ontwapening zouden maken. Pas daarna zouden partijen die banden met de terreurorganisaties onderhouden, welkom aan de onderhandelingstafel zijn.

De sceptici hebben gelijk gekregen. Maar ze hebben het toeval een handje geholpen. Ze hebben de haviken binnen het Ierse Republikeinse Leger in de kaart gespeeld.

De Britse regering heeft altijd geweten dat er over de afkondiging van het staakt-het-vuren binnen de IRA grote verdeeldheid bestond. Eén vleugel onder leiding van Gerry Adams vond dat het gevecht voor een verenigd Ierland effectiever met politieke middelen gevoerd kon worden. De andere vleugel wilde doorgaan met de gewapende strijd. En dan was er nog de grote middengroep die zich uiteindelijk door Adams liet overtuigen. Maar die middengroep kon de balans ook weer naar de andere kant laten doorslaan als met overleg te weinig vooruitgang werd geboekt.

De kunst bij het vredesproces was van meet af aan om het evenwicht tussen unionisten en nationalisten te bewaren, ook al staan hun doelstellingen lijnrecht tegenover elkaar. De nationalisten willen een verenigd Ierland, terwijl de unionisten juist de band tussen Ulster en het Verenigd Koninkrijk intact willen laten. Het wantrouwen tussen beide groepen is groot.

Sinds vorig jaar juni verkeert het vredesproces in een impasse. De nationalisten wensen zo snel mogelijk centraal overleg over de politieke toekomst van Noord-Ierland. Maar de unionisten willen daar alleen maar aan mee doen als de IRA met ontwapening begint.

De regeringen van Groot-Brittannië en Ierland hebben geprobeerd om die patstelling te doorbreken door een internationale commissie in te stellen. Die commissie onder leiding van de Amerikaanse ex-senator Mitchell heeft twee weken geleden een Salomonsoordeel geveld. De Britse regering moest afzien van haar eis tot ontwapening vooraf. Alleen door zo'n gebaar zou het wantrouwen van de nationalisten kunnen worden weggenomen. Tegelijkertijd zou de IRA zich voor eens en voor altijd tot vreedzame methoden moeten bekennen. Alleen op die manier zou de gerechtvaardigde bezorgdheid van unionisten kunnen worden weggewerkt.

Maar de Britse regering besliste anders. Ze greep een bijzin in het Mitchell-rapport aan om verkiezingen in de provincie te bepleiten, zoals de unionisten al eerder hadden voorgesteld. Die verkiezingen zouden fungeren als een paspoort tot centraal overleg. De nationalisten legden dat plan uit als een Britse knieval voor de unionisten. Door het delicate evenwicht tussen de beide groeperingen te verstoren, heeft de Britse regering bijgedragen aan de ineenstorting van het vredesproces.

Zeventien maanden hebben de bewoners van Noord-Ierland zich gekoesterd in de illusie van een nakende vrede. Het valt moeilijk voor te stellen dat ze zich voetstoots zullen neerleggen bij een opleving van het geweld en een hervatting van de Britse legerpatrouilles. Maar waarschijnlijk is dat ook niet nodig. De IRA heeft al eerder ontdekt dat één bom in Engeland meer indruk maakt dan tien explosies in Noord-Ierland. De strijd verplaatst zich. De bomaanslag is Londen is nog maar het begin.

    • Dick Wittenberg