Bouw worstelt met tekort vaklui

In de bouwnijverheid is een goede boterham te verdienen voor echte vakmensen. Dat kan niet zonder goed opgeleide bouwvakkers. Maar het Voorbereidend Beroepsonderwijs (VBO), de vroegere Ambachtsschool, kan die onvoldoende leveren.

SCHIEDAM, 10 FEBR. Het is een drukte van belang bij Rijnmond-Bouw. In een grote hal staan jongens en meisjes van dertien, veertien jaar enthousiast spijkers in een balk te slaan. Even verderop is het wat rustiger. Daar staan leeftijdgenoten een vogelhuisje te schilderen, en bij een schakelkast zijn kinderen bezig met een striptang. In een grote zandbak krijgen weer anderen tekst en uitleg over het beroep van stratemaker.

Bij het Opleidingsbedrijf Rijnmond-Bouw in Schiedam zijn deze week zo'n duizend leerlingen op bezoek geweest, afkomstig van zestien MAVO-scholen in de Rotterdamse regio. Ze zitten allemaal in de tweede klas. Rijnmond-Bouw hoopt hiermee meer bekendheid te geven aan de eigen opleidingsmogelijkheden in de bouw. Dit opleidingsinstituut is in 1977 opgericht door het Algemeen Verbond Bouwbedrijf (AVBB). Er zijn 125 aannemers uit het hele Waterweggebied bij aangesloten.

In het kader van het leerlingstelsel worden hier jongeren opgeleid tot timmerman of metselaar. Thans zijn er 107 leerlingen in vaste dienst.

Bedrijfsleider is Lavina van der Harg. Zij is blij met de grote toeloop deze week. “Er zijn tekorten in de hele bouw. Rijnmond-Bouw zou best zo'n 20 à 25 extra leerlingen kunnen plaatsen voor de opleiding timmeren, en een zelfde extra aantal voor het metselen. Een jaarlijkse opname van 150 leerlingen zou heel goed kunnen.”

Het wordt voorzichtig naar voren gebracht, en na enige aarzeling, maar Van der Harg blijkt duidelijk ontevreden te zijn over de kwaliteit van het Voorbereidend Beroepsonderwijs (VBO), de vroegere Ambachtsschool. In de praktijk blijkt het schooldiploma van het VBO, waarvoor jongeren vier jaar beroepsonderwijs hebben gevolgd, vaak niet voldoende om te kunnen worden toegelaten tot de opleidingen bij Rijnmond-Bouw.

Ze geeft een voorbeeld van vorig jaar: op een totaal van 77 leerlingen die meededen aan de toelatingstoets zakten er meteen 18 en moesten er 30 eerst naar een zogenoemd 'voorschakeltraject' dat één tot zes maanden kan duren. Niet meer dan 29 konden direct worden toegelaten tot de primaire opleiding timmeren of metselen.

Pag.18: 'Werkend leren' maakt leerling tot goed vakman

Van der Harg constateert het met spijt: “Het VBO is toch eigenlijk een soort rest-opleiding. Maar de opdrachtgevers in de bouw eisen kwaliteit. Een goede bouwvakker moet tekeningen kunnen lezen, hij moet kunnen stellen, hij moet weet hebben van maatvoering.” De aannemers werven daarom nu ook onder de MAVO-leerlingen.

De leerling-werknemers in Schiedam zijn voor de hele periode van hun opleidingstijd in dienst bij Rijnmond-Bouw. Vier dagen in de week zijn ze gedetacheerd bij een bouwbedrijf om daar het vak in de praktijk te leren. De vijfde dag zitten zij op de Streekschool voor de theoretische vorming. In het jargon heet dat het BBO, het beroeps begeleidend onderwijs. Als er een gat valt in de werkzaamheden of opleidingsmogelijkheden bij een aannemer, keren zij terug naar het opleidingscentrum Rijnmond-Bouw. Het 'loon' van deze leerlingen is gebaseerd op een volle werkweek van veertig uur. Ze worden betaald volgens de CAO in de bouw.

De leerlingen kunnen een traject doorlopen dat maximaal zeven jaar kan duren. Twee jaar primaire opleiding, twee jaar voortgezette opleiding, één jaar algemeen vormend onderwijs en dan nog, eventueel, twee jaar voor de opleiding tot assistent-uitvoerder. In de praktijk blijken de leerlingen na hun opleiding vaak te gaan werken bij de aannemer bij wie ze tijdens de opleiding het laatst hebben gewerkt.

In de bestanden van het Arbeidsbureau staan weliswaar veel mensen ingeschreven als bouwvakker, maar na een screening is volgens Van der Harg al eens gebleken dat niet meer dan tien procent van hen echt geschikt is. Rijnmond-Bouw neemt overigens uitsluitend jongeren aan die van school komen.

De meeste leerlingen zijn afkomstig uit het VBO, het Voorbereidend Beroepsonderwijs; enkelen komen van de MAVO. Ze moeten een diploma hebben om te kunnen worden toegelaten. In een zeldzaam geval wordt die eis niet gesteld, bijvoorbeeld als een leerling na één of twee jaar afhaakt van de MTS, omdat hij het op school niet langer uithoudt en liever met zijn handen werkt.

Voor alle aspirant-leerlingen geldt dat zij een toelatingstoets moeten maken die zowel gericht is op kennis als op handvaardigheid. Mevrouw Van der Harg: “Wij beslissen pas over toelating na een persoonlijk, individueel onderhoud met de leerling. Wij willen dat ook de ouders daarbij aanwezig zijn, of in elk geval een van de ouders. Want een opleiding krijgen is mooi, maar daar staan ook verplichtingen tegenover. Wij willen dat de leerlingen en hun ouders dat goed beseffen.”

Mevrouw Van der Harg houdt van duidelijke afspraken, van handen uit de mouwen en van discipline. “Je moet weten hoe je dat jonge spul moet aanpakken. Als iets niet kan of niet mag, dan moet je dat duidelijk zeggen. Als ze les krijgen, moeten ze geen rotzooi lopen trappen. Dat pakken we meteen aan. En de Playboy moeten de jongens ook maar ergens anders lezen.”

De opleiding hier wordt afgesloten met een diploma. Het is een systeem van 'werkend leren', waarbij de leerlingen zeer intensief worden begeleid. Van der Harg: “Wij hebben een nauw contact met de aannemers en uitvoerders op het werk. Het is namelijk de bedoeling dat de jongeren echt iets leren. Wanneer zij alleen maar wat lopen te vegen, kunnen zij daarover bij mij aan de bel trekken.”

Over de kansen op de arbeidsmarkt voor haar leerlingen is ze heel stellig: “Wie gemotiveerd is, en hier zijn best doet op de opleiding, die heeft gegarandeerd werk, en goed betaald werk.”

    • Koos Metselaar