Bolivia zoekt het graf van Che Guevara; De resten van de revolutie

Sinds Ernesto Guevara de la Serna in 1967 werd geëxecuteerd, is zijn lijk spoorloos verdwenen. Het graf van de meest gezochte revolutionair van het westelijk halfrond mocht geen bedevaartsoord voor rebellen worden.

Maar nu de staatsgrepen in Bolivia definitief ten einde lijken, kan het grote opgraven beginnen.

En al is er nog genoeg om voor te vechten, met de resten van 'Che' lijkt de strijdlust niet terug te keren.

Duim bij duim en pink bij pink verdwijnen de vingerkootjes in een plastic zak met een afsluitstrip. Voor elk botje is er een verpakking op maat, lang en smal voor de sleutelbenen, krom voor de ribben. Patricia Bernardi, grafdelver van naamloze doden, beklopt een broze schedel die over de lengte is gebarsten en gedeukt.

Ze zit in een ondiepe kuil in de schaduw van een cactushaag - ergens in een godverlaten oord in Bolivia.

Als ze opkijkt van haar spatels, borstels en zeefjes ziet ze de neuzen van de soldatenschoenen. Het leger heeft de opdracht haar te helpen, maar de militairen spugen op de grond en maken scabreuze grappen. Dat Patricia necrofiel is, en zo meer. “Ach”, zegt ze. “Ik ben het gewend, die soldatenhumor.”

Als lid van het Instituut voor Forensische Antropologie dat tien jaar terug in Argentinië is opgericht om de vermisten uit de Vuile Oorlog op te sporen en te identificeren, heeft Patricia de afgelopen jaren massagraven blootgelegd van Chili tot El Salvador.

In het regenwoud van Guatemala vond ze in een dertien meter diepe put honderdzestig geraamten van vrouwen, kinderen en honden uit een dorp dat onderdak had geboden aan rebellen. Het leger gromde, maar greep niet in.

“De tijd van de caudillo's en de vrijheidsstrijders is voorbij”, zegt Patricia. “Het grote opgraven kan beginnen.” Ze veegt de rode aarde van haar broek en stopt de botten in een doos. Raadsverkiezingen december 1995, staat erop, en bovenin zit een gleuf. De bottendoos blijkt een stembus.

De onthulling van het 28 jaar oude, best geconserveerde militaire geheim van Latijns-Amerika, de begraafplaats van Ernesto Guevara de la Serna, beter bekend als 'Che' Guevara of kortweg Che, hangt al jaren in de lucht. Zoals de Noordamerikanen speculeren over de moord op John F. Kennedy, zonder er ooit genoeg van te krijgen, zo matten de Zuidamerikanen zich af met theorieën over het lijk van Che Guevara, de Argentijnse comandante die in 1966 naar Bolivia was gekomen om het hele continent te 'bevrijden'.

Als gezant van Fidel Castro, met wie hij Cuba had gezuiverd van Amerikanen en hun handlangers, was Guevara onbetwist de meest gezochte revolutionair van het westelijk halfrond. GI's met groene baretten en CIA-agenten openden een klopjacht op Che's junglecommando van 49 mannen en één vrouw. Ze lieten zich bijstaan door tweeduizend soldaten van het reguliere leger en door een handvol gusanos (letterlijk wormen): lokale communisten die de strijdgroep van binnenuit moesten aanvreten.

Zeker is dat Papá, zoals de militairen hem noemden, dood is.

Dat hij op 9 oktober 1967 in een schooltje in het gehucht La Higuera is geëxecuteerd en dat zijn lichaam de volgende dag als een jachttrofee aan het publiek is getoond op twee wastafels in het ziekenhuis van het plaatsje Vallegrande. Daar zijn foto's van. Rene Cadima, schoenlapper, heeft ze uitgestald in een glazen kast tussen de eerste communie- en trouwreportages. 'Fotografie heb ik er altijd bij gedaan', zegt de nu 60-jarige Cadima in zijn winkel aan het Wapenplein.

Guevara, dood, kijkt nog net zo visionair uit zijn ogen als op het klassieke Verkerke-affiche. In Europa is zijn beeltenis losgeweekt van de zaak waar hij voor streed. Hij leeft voort als een symbool van een generatie, iemand van het kaliber Jim Morrison, waarbij het niet uitmaakt wie het geweer droeg en wie de gitaar.

Che had kastanjebruine haren, zo meldt het autopsierapport, lichtblauwe ogen, dunne lippen, alsmede negen kogels in zijn borstkas. Op de foto's van de schoenmaker van Vallegrande lijkt hij op Jezus na de Kruisafname.

Wat is er met de resten van Che gebeurd? Zuster Susana, die het lichaam heeft gebalsemd, bewaart een haarlok van hem. Che's handen zijn afgehakt en in een pot formaline naar Buenos Aires verstuurd, ter identificatie, samen met een afgietsel van zijn gezicht.

Zijn dagboek ligt in een kluis van de centrale bank van La Paz.

Maar zijn lijk? Het zou met veertig liter benzine zijn overgoten en verbrand, het zou uit een vliegtuig boven een krokodillenpoel zijn gegooid of naar een luchtmachtbasis in Amerika gesmokkeld.

“Indianenverhalen”, zei generaal Mario Vargas Salinas in november in de New York Times. “Ik kan het nu wel vertellen, er is genoeg tijd verstreken, de resten van Che liggen onder de landingsbaan van Vallegrande.”

De timing van deze aanwijzing is veelzeggend en verre van willekeurig. Bolivia is geen dictatuur meer, maar een democratie. Al vijftien jaar op rij. Dat is een hele prestatie voor de meest karikaturale republiek van Zuid-Amerika, waar de staatsgrepen elkaar sinds de onafhankelijkheid in 1825 opvolgen met een ritme van eens per elf maanden. 's Lands huidige president is een Harvard-econoom met een voorliefde voor krijtstreeppakken, die direct na het lezen van de New York Times de opgraving van het lijk decreteerde. De atheïst Guevara had volgens hem recht op een christelijke begrafenis.

Maar: wisten de president en de generaal eigenlijk wel wat ze deden? Guevara mag dan ruim 28 jaar dood zijn, de verdwijning van zijn lijk diende een groot geopolitiek belang: er moest rust en orde komen op het chronisch instabiele continent. “Het leger vreesde dat zijn graf een permanent brandpunt van subversieve activiteit zou worden”, zegt John Lee Anderson, de Guevara-biograaf, die het 'secreto militar' tijdens een tuinwandeling aan generaal Vargas Salinas had ontfutseld. “Che dirigeerde of inspireerde in de jaren zestig en zeventig praktisch alle guerrillabewegingen van Latijns-Amerika. Zelfs de Vietcong vereerden hem.”

Pas in de jaren tachtig stond er een opvolger op die zich qua cultus met Che kon meten: Abimael Guzman, ofwel Presidente Gonzalo, de leider van het Lichtend Pad in Peru. Maar zijn ideeën waren zo buitenaards (“sinds de Big Bang is de materie onstuitbaar op weg naar het wereldsocialisme”) en zo van bloed doortrokken (“wij dragen de dood op onze vingertoppen, klaar om hem te overhandigen wanneer de partij erom vraagt”) dat hij, zeker na zijn arrestatie in 1992, kan worden beschouwd als een laatste ontspoorde exponent van een traditie.

Op Castro's Cuba na is Latijns-Amerika sinds kort een democratisch geregeerd werelddeel. Generaal Noriega van Panama staat niet langer op de loonlijst van de CIA, maar doodt de tijd op een hometrainer in een Amerikaanse cel. Pinochet is weliswaar nog steeds de sterke man van het Chileense leger, maar zijn schrikbewind is voorbij. En in een uniek proces in Argentinië bekennen legerofficieren op tv dat ze in de jaren zeventig politieke gevangenen levend uit een vliegtuig hebben gegooid.

De vraag is of de cirkel revolutie-contrarevolutie voorgoed is doorbroken. Is een come back van linkse rebellen en rechtse juntas nog steeds mogelijk? Of markeert de zoektocht naar het lijk van Che de afsluiting van de Koude Oorlog in Latijns-Amerika?

Een ex-dictator onder huisarrest protesteerde hevig toen generaal Vargas Salinas op het punt stond het graf aan te wijzen. Hoge officieren zeiden dat ze zich vernederd voelden en dat de nieuwe openheid zo zijn grenzen kende.

Die waarschuwing ten spijt wandelde de generaal onder het oog van tientallen journalisten over de piste van Vallegrande, parallel aan het kerkhof. Af en toe bleef hij staan om zich te oriënteren, hij bukte, deed een paar passen opzij en verdwaalde in de leegte. Maakte hij theater? Was hij onder druk gezet door zijn geüniformeerde vrienden? In ieder geval zei hij: “Ik kan me de exacte plaats niet meer herinneren.”

De president gelastte dat het graafwerk hoe dan ook van start moest gaan - je kon de toegestroomde pers niet teleurstellen.

Rekruten met gemillimeterde koppen hakten gaten in de landingsbaan, lukraak. Er gingen tien dagen voorbij zonder dat er ook maar een vogelskeletje werd gevonden. Onderwijl begon er onder de bevolking iets te broeien.

Op de bewoners van Vallegrande, een kom huizen van klei en pleister, had het lichaam van Che een mystieke uitwerking. Er bestond een legende over de ogen van de dode, waarmee hij de nieuwsgierigen glazig en strak had aangestaard. Het verhaal wil dat Zuster Susana zijn oogleden tot drie keer toe had gesloten, maar telkens als ze even niet keek waren ze weer geopend.

Pater Nicolás Schmitz, een redemptorist uit de Elzas, 88 jaar oud en blind, zegt dat hij op verzoek drie tot vier maal daags bidt voor de zielerust van Che. “Mijn parochianen noemen hem San Ernesto. Net als Christus heeft hij geleden voor de zaak van de verdrukten. Hij is een heilige.” De taxichauffeur die journalisten van en naar de landingsbaan rijdt heeft een Guevara-bidprentje op het dashboard gelijmd. Weduwen in de rouw branden kaarsen onder zijn portret. Che, de goddeloze marxist, heeft in december zijn eerste wonder verricht: een boerin die haar paard niet kon vinden, waarmee ze haar zieke zoontje naar het ziekenhuis wilde brengen, had ten einde raad San Ernesto aangeroepen, en zie, daar kwam het dier hinnikend uit het kreupelhout.

De opwinding in Vallegrande zorgde ervoor dat het carnaval uitbundiger werd gevierd dan anders. Onder het dansen op kopergetoeter klampten de bewoners de buitenlandse journalisten aan.

Ze vergaten hun angst voor het leger en zeiden dat de guerrillero's niet onder de landingsbaan lagen.

Carlos Cortez, in 1967 chauffeur van het Derde Genie Bataljon, beweerde dat hij op een nacht drie rebellen (“wie weet zat Che erbij”) had begraven in een erosiegeul, niet ver van het slachthuis.

Het was op die door stekelplanten overwoekerde plek dat Patricia Bernardi, de Argentijnse antropologe die de leiding van het onderzoek op zich had genomen, op menselijke botten stuitte.

Het graf is afgezet met rood-wit politielint en overdekt met een blauw zeil tegen de zon. Onder de nieuwsgierigen die zich rond de put verdringen bevindt zich een indiaanse vrouw met een strooien hoed, Loyola Guzman, een veterane uit de beweging van Che. Ze schenkt cola uit een thermoskan.

Naast haar staat Chato Peredo, een psycholoog uit Santa Cruz, die op zoek is naar de botten van zijn broer Coco, die twee weken voor de dood van Che in een hinderlaag van het leger was gelopen.

“Een gebarsten en gedeukte schedel!” zegt hij. “Wat heeft dat te betekenen?”

“Voor het leger is dit de doos van Pandora”, voorspelt Loyola.

Als boekhoudster en coördinatrice van de stadsguerrilla in La Paz onderhield ze het contact met de opstandelingen in het bos, die zich het Nationale Bevrijdingsleger noemden, het ELN. “Ze is erg jong nog en zacht van karakter, maar haar sterke toewijding is voelbaar”, schrijft Che in zijn dagboek.

Aan de hand van een door het regeringsleger buitgemaakte foto - waarop ook de broer van Chato te zien is - was Loyola opgepakt en gemarteld. Om niet door te slaan tijdens de verhoren sprong ze tot twee keer toe uit een raam, maar overleefde de val. Tegenwoordig zet ze zich als een Dwaze Moeder in voor de familie van vermiste Bolivianen. “Maar de belangstelling voor het verleden ebt weg”, constateert ze.

“Het mensenrechtencomité dat ik voorzit krijgt nauwelijks nog financiële steun uit het Westen.

Men zegt: Er is nu toch democratie? Wat willen jullie nog meer?''

Loyola is een van de weinige overlevenden die het 'zink-huis' aan het riviertje Ñancahuazú hebben bezocht, het basiskamp van de guerrilla dat was uitgerust met een openluchttheater van boomstammen voor de verplichte lessen in wiskunde (op drie niveaus), geschiedenis, Quechua en politieke economie. Che zette zijn legertje van Boliviaanse mijnwerkers en Cubaanse rietkappers aan tot de studie van Hegel, Marx, Trotsky en Régis Debray, de Franse Harry Mulisch die de daad bij het woord voegde en een maand lang kwam meevechten. Debray had een hoog-theoretisch werk geschreven (La revolucion dans la revolucion) en kreeg van Fidel Castro de opdracht om Che op te zoeken in Bolivia. Maar voor de guerrillastrijd was de Parijse schrijver te fijnbesnaard. Zo gauw hij kon verliet hij het kamp, zogezegd om Jean Paul Sartre en Bertrand Russell bij de beweging te betrekken, maar in het dorp Muyapampa werd hij opgepakt en in het cachot gegooid. “Debray is ten prooi gevallen aan zijn haast, wanhoop bijna, om te vertrekken”, noteert Che in zijn krijgsjournaal.

Het proces tegen de onbesuisde Fransman was een spektakel.

President De Gaulle schreef een pleitbrief, zijn moeder bezocht hem in zijn cel, in Europa werden handtekeningen verzameld, maar dat mocht niet baten. Debray werd tot dertig jaar opsluiting veroordeeld (waarvan hij er drie heeft uitgezeten). “Het rumoer rond de zaak-Debray heeft onze beweging meer agressie gegeven dan tien succesvolle veldslagen”, schrijft Che. En dat is precies waarom de legertop dan al heeft besloten om hem, eenmaal gevangen, geen proces te gunnen.

Zover is het dan nog niet, al worden de beproevingen die het guerrillaleger moet doorstaan steeds zwaarder, zodat op het laatst niemand aan de wanhoop ontkomt, ook Che niet. Aan het begin van de expeditie had hij zichzelf vergeleken met Don Quichote, de bevechter van windmolens. “Temidden van het stof dat de hoeven van Rossinante (het paard van ridder Quichote) doet opwaaien, met mijn lans gereed voor de strijd tegen de vijandelijke reuzen, zend ik je dit bericht”, schrijft hij in een nieuwjaarsgroet (1967) aan zijn vader. In de zomer slaat de twijfel toe. “Ik heb m'n 39ste verjaardag bereikt”, mijmert hij op 14 juni, dat wil zeggen: drie maanden voor zijn dood.

“Mijn leeftijd dwingt me stil te staan bij m'n toekomst als guerrilla-strijder. Nu nog ben ik een man uit één stuk.”

In zijn jeugd had niets gewezen op zijn latere roeping, of het moeten de loopgraven zijn geweest die Ernesto op zijn zevende groef om 'republikeintje' te spelen in zijn eigen Spaanse burgeroorlog. Als zoon van een architect uit Buenos Aires groeide hij op in een beschermde, gegoede omgeving.

Vanwege zijn astma verhuisden de Guevara's naar Cordoba, in de Argentijnse Andes, waar Ernesto op de middelbare school bekend stond om zijn Elvis Presley-kapsel. Hij hield van zweefvliegen, motorrijden en rugby, maar kreeg onder het sporten vaak onbedaarlijke stuiphoest-buien.

Na zijn studie - medicijnen met allergie als hoofdvak - zwierf hij op de motor door Latijns-Amerika. Onderweg zag hij hele wijken van gribushuisjes aan de rand van een riool en kinderen op blote voeten die onder de schurft zaten. Hij schrok en wond zich op over zoveel armoede en onrecht. In 1954 in Guatemala maakte hij mee hoe een linkse president door de Amerikanen werd verjaagd omdat hij een bananenplantage van de United Fruit Company wilde onteigenen.

Later in Mexico, 27 jaar oud, ontmoette hij Fidel Castro, met wie hij in een met wapens afgeladen bootje op Cuba landde. In twee jaar tijd verdreven ze dictator Batista.

Fidel, el lider maximo, benoemde zijn 'tweede man' tot minister van Industrie en directeur van de Nationale Bank. Het rondtoeren in een Chevrolet over Havanna's zeeboulevard, de Malecón, en het roken van drie decimeter lange sigaren, dat alles beviel Guevara wel, maar hij liet zich er niet door corrumperen. Hij schreef boeken en pamfletten over De Nieuwe Mens, over de planeconomie en de guerrillastrijd (La guerra de guerrilla). “Op het gevaar af belachelijk over te komen, moet ik zeggen dat de ware revolutionair wordt bewogen door gevoelens van liefde.”

Che, inmiddels getrouwd en vader van vijf kinderen, verdwijnt van de ene op de andere dag van het Cubaanse toneel. In het grootste geheim zal hij de revolutie naar Afrika en de rest van Latijns-Amerika exporteren.

“Twee, drie, vele Vietnams scheppen, dat is het parool”, schrijft hij in een laatste pamflet voor zijn verdwijning. Vermomd als een halfkale diplomaat met een bril en een Uruguayaans paspoort neemt hij afscheid van zijn familie.

“Mamma, die meneer die mij op schoot heeft vindt me aardig”, zou Aleida, z'n dochtertje, bij die gelegenheid hebben gezegd.

Na een mislukte poging in de Congo om de aanhangers van de vermoorde president Lumumba aan de macht te helpen, reisde hij via Havanna, Madrid en Sao Paulo naar La Paz, waar hij op 3 november 1966 aankwam. Che had voor Bolivia gekozen omdat het aan vijf andere landen grenst.

Naar zijn concept van het 'foquismo', de brandhaardtheorie, zou de vonk vanzelf naar de buurlanden overslaan.

Hoe koud moet de douche van onbegrip en apathie zijn geweest waarop de campesinos, om wie het allemaal begonnen was, hun onthaalden. In elf maanden oorlog sloot niet één boer zich bij de rebellen aan. “Om de bevolking te spreken te krijgen moet je er eerst jacht op maken. Het is net klein wild”, schrijft Che. De Guarani-indianen van het dorp El Espino aan de spoorbaan naar Argentinië kijken 'verlegen en schaapachtig' uit hun ogen. Zelfs de koffie die de guerrilleros uitdelen, durven ze amper aan te raken.

Che concludeert: “We kunnen hoogstens de neutraliteit van de boeren winnen door het zaaien van terreur; sympathie komt later.”

Het lijkt wel of iedereen de anti-imperialistische zaak saboteert.

Over de radio hoort Che dat de kameraden in Budapest hem 'pathetisch' noemen. Dichterbij is 'het verraad' van de Communistische Partij van Bolivia, die Guevara botweg negeert. Ook niet goed voor het moreel is het drinken van urine bij gebrek aan water en het amechtige hijgen van de leider, die steeds vertwijfelder naar de vaporisator grijpt.

Op zondag 7 oktober stopt het dagboek abrupt. Che en zijn uitgedunde groep van 22 volgelingen ontdekken dat ze als ratten in de val zitten: de Churo-kloof is omsingeld door het leger. Zowel de voor- als achterhoede raakt het contact met hun commandant kwijt. Een vijandelijke kogel boort een gat in de loop van Che's karabijn; en nog een in zijn rechterbovenbeen. Leunend op de schouders van een kameraad staat hij ineens oog in oog met een patrouille onder leiding van kapitein Gary Prado.

“Ik ben Che, ik heb gefaald”, zou hij - volgens het leger - bij zijn arrestatie hebben gezegd.

“Nee, dat was propaganda”, zegt Prado in zijn huis in Santa Cruz, de coca-capital van Bolivia.

“Hij zei: Niet schieten, ik ben Che”.

Met zijn koppel had de jonge officier de handen van de gevaarlijkste man van de Amerika's vastgebonden en hem naar het schooltje van La Higuera gevoerd. In afwachting van CIA -agent Felix Ramos hield hij een nacht lang de wacht bij zijn gevangene, een wapenfeit waar hij nog altijd trots op is.

“Dat ik de overmeestering van Che Guevara op mijn naam heb staan, heeft me in mijn verdere loopbaan enorm geholpen”, zegt hij. Prado had het geschopt tot generaal, maar hij nam ontslag uit het leger toen de staatsmacht in civiele handen overging. Tegenwoordig is hij een provinciaal politicus, opmerkelijk genoeg van een pro-Cubaanse partij die tot voor kort de revolutie predikte.

Hoe valt dat te rijmen? “Wat Castro op Cuba heeft bereikt dwingt respect af. Maar Che Guevara?

Wat kwam hij doen in Bolivia?

Ons bevrijden? Ik zeg: bevrijden van wat? Bolivia is een soeverein land dat de naam draagt van de libertador Simón Bolívar. We waren al vrij.''

In de laatste nacht van Che's leven, in het schooltje van La Higuera, voerde de kapitein een lang gesprek met zijn gevangene. Prado bood hem sigaretten aan van het merk Pacific, maar die sloeg hij af. Hij rookte zware tabak. Uit een pakje Astoria nam hij er twee tegelijk en stopte daarmee zijn pijp.

“Ik heb het idee dat u zich van het begin af aan heeft vergist in Bolivia, als decor voor uw avontuur”, zei Prado.

“De revolutie is geen avontuur”, viel Che hem in de rede.

Om zijn pols zat een Rolex Perpetual, hoorbaar tikkend.

Prado vroeg naar Che's guerrillatactiek, en de verschillen met de leerstellingen van Mao. Op de militaire academie had hij het handboek van zijn gevangene zowat uit zijn hoofd moeten leren.

Maar Che hervatte: “Misschien was het een vergissing om Bolivia te kiezen, ik weet het niet, maar het uiteindelijke besluit kwam niet alleen van mij.”

“Maar van Fidel, neem ik aan?”

Guevara ging daar niet op in.

Hij informeerde naar wat de generaals met hem zouden doen. “Levend ben ik vast meer waard dan dood”, zei hij. En: “Word ik in Santa Cruz of Camiri berecht?”

De politicus Prado, 28 jaar later: “Hoe naïef! Hij moet geweten hebben dat de legerleiding geen keus had. De Boliviaanse grondwet kent de doodstraf niet, dus was er maar een manier om van hem af te komen.”

Bij het ochtendgloren arriveerde per helikopter de CIA-man. Hij zette Che buiten tegen de schoolmuur en nam foto's. Een paar uur later kregen zijn bewakers het bevel om hem te doden. Sergeant Mario Terán mocht het beulswerk verrichten omdat hij die dag jarig was.

Al voor hij aan de wereldrevolutie begon, had Ernesto Guevara ingecalculeerd dat hij haar niet zou overleven. In het blad Tricontinental schreef hij: “Waar de dood ons ook mag verrassen, laat hij welkom zijn, wanneer althans onze strijdkreet een gewillig oor heeft bereikt en wanneer een andere hand zich uitstrekt naar onze wapens en andere mannen gereed zijn om de lijkzang aan te heffen met het staccato-gezang van de machinegeweren en met nieuwe strijdkreten van oorlog en overwinning.”

In La Higuera heeft niemand de wapens opgepakt, dat zie je zo.

Het gehucht is ondergedompeld in loomheid. Niets beweegt, honden houden zich dood in de schaduw van de adobehutten. Siësta-tijd? Schoolvakantie? Waar zijn de 209 stemgerechtigden, die hier volgens het recent opgestelde kiesregister moeten wonen? Waar zijn hun kinderen?

Het dorp ligt aan een stoffig weggetje op de flank van een berg, tegenover een andere berg. La Higuera heeft niets aantrekkelijks, zelfs geen voetbalveld. Het borduurwerk dat er wordt gemaakt staat bekend als het lelijkste van de streek, de kaas als de zoutste.

Van de botsing der ideologieën die hier heeft plaatsgehad, is niets te merken. Wel is er een pleintje in de vorm van een vijfpuntige ster met een stenen kop van Che op ware grootte, een eerbetoon van linkse studenten uit La Paz. Verder betaalt Fidel Castro het salaris van Carlos Medina, een 37-jarige arts die een medisch postje runt in het schoollokaal waar het martelaarsbloed is vergoten.

Op de rand van de behandeltafel zit een meisje met een hondebeet in haar gezicht. Haar zoute tranen prikken in de wond, maar ze kan niet ophouden met huilen.

“Ik voel me verwant aan Che”, zegt Carlos, terwijl hij een tetanusspuitje prepareert. “Hij was arts, ik ben arts.” Vroeger op de lagere school dacht hij dat Che een 'superman' was uit een stripverhaal, en dat beeld was hem altijd bijgebleven. In de vensterbank staat een koperen plaatje met de spreuk IK WIL ZIJN ZOALS CHE met daarnaast een crucifix.

Hoe nu? “Che èn Christus zijn mijn voorbeelden.”

Voor Milton, een weeskind verderop uit de straat, is Che een vader. “Hij helpt me bij het maken van mijn huiswerk”, zegt hij.

Je kunt zo een aantal dingen bedenken waar je voor zou willen vechten als je in La Higuera bent opgegroeid, schoenen bijvoorbeeld, maar toch zul je er geen strijdlust aantreffen. De levensstandaard is er nog even belabberd als op de dag van Che's dood. Stroom is er niet. Zestig procent van de bevolking lijdt aan chagas, een ziekte die op latere leeftijd hartstilstand tot gevolg heeft. Maar een revolutie ontketenen is niet eenvoudig. Zelfs in het politiek bewuste Nicaragua, waar de Sandinisten in de jaren tachtig de macht in handen hadden, weigerden de boeren om kinine te slikken tegen malaria, omdat je er communist van zou worden.

Dokter Medina deelt afgetrapte schoenen uit. “Mijn werk is de voortzetting van de guerrillastrijd, zij het met de middelen van deze tijd”, zegt hij. Als kandidaat voor de gemeenteraad kreeg hij bij de laatste verkiezingen 22 van de 209 stemmen. “Net als Che, die had ook 22 volgelingen toen hij in la Higuera aankwam.”

Achter het politielint bij de put heerst opwinding. Een van de drie lijken heeft gebroken polsen. De handen ontbreken. Waar zijn de handen? Patricia Bernardi graaft korrel voor korrel verder, onverstoorbaar.

“Natuurlijk hoop ik dat dit het geraamte van Che is”, zegt ze. “Hij is de eerste verdwenen Argentijn.

Na hem, in de jaren zeventig, zijn er nog eens tienduizend verdwenen. Om het verleden af te sluiten moeten de botten een naam krijgen.''

Een uur later vindt de antropologe de ontbrekende handen.

Geen Che, maar het zoeken gaat door. Chato Peredo mag de gevulde stembus in de laadbak van de pick-up schuiven, want de botten die er in zitten zijn vermoedelijk van zijn broer Coco.

    • Frank Westerman