Alfred Marshall (1842-1924); Pietluttige man, briljant econoom

F. GROENEWEGEN: A soaring eagle: Alfred Marshall 1842-1924

XIV + 874 blz., geïll., Edward Elgar, Aldershot 1995, ƒ 183,40

Alfred Marshall werd in 1842 geboren in het onaanzienlijke Londense stadsdeel Bermondsey als zoon van een eenvoudige kantoorbediende bij de deftige Bank of England. Zijn vader was niet vrij van excentriek-religieuze trekken, maar wel vastbesloten zijn kinderen een goede schoolopleiding te bezorgen. Met grote financiële zelfopoffering door het gezin Marshall en flinke steun van de werkgever van zijn vader volgde Alfred middelbaar onderwijs op Merchant Taylors' in Londen.

Op St. John's college in Cambridge behaalde hij een comfortabel fellowship dat de aanzet vormde tot de eerste en voornaamste levenskring van Marshall, die van academisch docent, leermeester en vormgever van de enigszins georganiseerde universitaire economiestudie in Engeland. Ten tijde van Marshall bestond deze eigenlijk niet, zoals ook zijn eigen studie laat zien. Zijn tweede levenskring werd het schrijven over economie. Hoogtepunt daarvan is de bijna veertigjarige werkzaamheid voor zijn handboek, dat tijdens zijn leven acht drukken beleefde. Enigszins terzijde hiervan staat de derde levenskring met zijn invloedrijke rol als adviseur van de overheid voor fiscale, arbeids- en monetaire vraagstukken. De Australische econoom van Nederlandse afkomst P. Groenewegen verhaalt in zijn biografie van Marshall op minutieuze en zorgvuldig gedocumenteerde wijze van deze verschillende levenskringen in 21 hoofdstukken, zonder overigens de min of meer impressionistische maar vereenvoudigde indeling aan te brengen die ik hier hanteer.

Over Marshalls kinder- en jongelingsjaren zijn de gegevens schaars, zo niet afwezig en dit is, volgens zijn biograaf, geen toeval want Marshall verdrong deze episode geheel. Dit gedrag past volgens Groenewegen heel wel in het standsbewuste Engeland van toen waar het leven van een eenvoudige en arme doch begaafde jongeman op een prestigieus college in Cambridge niet gemakkelijk was. De wiskunde bood de jonge Marshall echter de kans te excelleren en zijn benoeming tot fellow van St. John's opende voor hem een unieke mogelijkheid zich verder te ontplooien. Door zijn lesgeven in 'moral philosophy' en tal van psychologische en wijsgerig-methodologische omzwervingen ontdekte hij de politieke economie als zijn roeping en kon hij de precisie van de wiskunde gebruiken om het vak op een hoger peil te brengen.

Echtelijk boek

Het lesgeven bracht hem ook in contact met de studente Mary Paley, een welgestelde predikantendochter, met wie hij in 1877 zou trouwen. Met haar schreef hij zijn eerste boek, het in 1879 verschenen inleidende leerboek: Economics of industry. Het werk werd verschillende malen herdrukt en was met een totale verkoop tot 1892 - toen het op verzoek van Marshall uit de markt werd genomen - van 15.000 exemplaren een groot succes. Niettemin heeft Marshall dit gemeenschappelijke boek nooit echt gemogen en de terugtrekking ervan brengt een van Marshalls vreemde karaktertrekken, zelfs jegens zijn eigen vrouw met wie hij bijna 50 jaar getrouwd zou zijn, aan het licht.

In 1877 wordt Marshall hoogleraar in de economie en rector van de nog nieuwe universiteit van Bristol. Deze overstap was een direct gevolg van zijn huwelijk, dat zijn afscheid als fellow van St. John's inhield omdat volgens de toen geldende regeling dit alleen voorbehouden was aan celibataire geleerden. Dit fellowship heeft voor Marshall veel betekend en markeert zijn groei van jong en onzeker maar geslaagd wiskundige tot gevestigd econoom. Het intellectuele milieu in Cambridge, de talrijke collega's en zijn zeer uiteenlopende onderwijstaak brachten hem in aanraking met filosofie, ethiek en staathuishoudkunde, maar leverden hem ook maatschappelijke waardering op. Zijn wiskundige vorming had hem geleerd in het feitelijke detail algemene structuren te zoeken en dit stimuleerde hem weer zijn theoretische inzichten te toetsen aan feitelijke waarnemingen. Die deed hij vooral op in talrijke bezoeken aan fabrieken en volksbuurten tijdens de zomervakanties. Hij bleek - evenals zijn vrouw overigens - ook een begenadigd docent die zijn werk met veel overgave verrichtte.

Bristol werd niet de gelukkigste tijd in Marshalls leven, want de administratieve kant van zijn baan viel hem zwaar en zijn gezondheid verslechterde. De vacature in Oxford, ontstaan door het plotseling overlijden van de hoogleraar politieke economie Arnold Toynbee in 1883 was dan ook een uitkomst. Hij zou echter niet lang in Oxford blijven. In 1885 keerde hij naar Cambridge terug als opvolger van de plotseling overleden hoogleraar economie Fawcett. Hij werd opnieuw fellow van St. John's - de regels waren intussen veranderd - en hij zou de rest van zijn leven in Cambridge blijven.

In Cambridge kwam Marshall ten volle tot ontplooiing. Met veel zorg en inzet gaf hij colleges en besteedde hij blijkens de door Groenewegen aangehaalde jaarverslagen aan de universiteitsbestuurders veel tijd aan de individuele begeleiding van studenten. Hiertoe ontving hij studenten thuis op Balliol Croft om gedurende drie à vier dagen per week enkele uren in de namiddag tijdens de thee diepgaand met hen van gedachten te wisselen over theoretische of praktische economische vraagstukken. Daarbij ontwikkelde hij de gewoonte het initiatief voor het onderwerp bij de student te leggen. De vormende waarde voor de student evenals het tijdsbeslag voor Marshall moet groot zijn geweest. De colleges varieerden in de loop van de jaren ingrijpend en gingen over uiteenlopende onderwerpen als prijstheorie, de leer van de belastingheffing, monetaire vraagstukken of arbeidseconomie en aandelenmarkten.

Status

Marshall ijverde ook voor verhoging van de academische status van het vak. De oprichting in 1890 - veertig jaar later dan in Nederland! - van een vereniging voor staathuishoudkunde met het Economic Journal als lijfblad is hiervan de vrucht. Dit streven werd verder in 1903, vijf jaar voor zijn emeritaat, bekroond met de instelling van een afzonderlijke tripos (het Honours Examination voor de B.A. graad) voor economie in Cambridge. Hierdoor verwierf de staathuishoudkunde een volwaardige academische status in het Verenigd Koninkrijk. Dit schonk Marshall veel voldoening. Hij zou ook de grondvester worden van de school van Cambridge die een geheel eigen stijl van economie-beoefening ontwikkelde. Marshall dankt zijn grote en blijvende bekendheid echter ook aan zijn leerboek Principles of Economics dat in juli 1890 verscheen en tot zijn dood in 1924 acht drukken beleefde. Dit boek, door tijdgenoten geprezen als een meesterwerk, was vrucht van meer dan tien jaren intellectuele arbeid. Het bouwde voort op de klassieken als David Ricardo en John Stuart Mill met hun nadruk op de kosten als aanbodbepalende factor en de meer moderne stromen waarin subjectieve voorkeuren en grensnut op de voorgrond stonden. Marshalls verdienste is dat hij beide beschouwingswijzen met elkaar wist te verbinden en aldus analytisch een synthese bewerkstelligde. Bovendien had hij het bewonderenswaardige vermogen de zaken niet onnodig gecompliceerd te maken. De Principles is volgens Groenewegen - en daarin heeft hij gelijk - ook om een andere reden een prachtig boek. Het brengt de economische theorie als middel om de concrete werkelijkheid op niveau van producent en consument, vakvereniging en bedrijfstakken te vatten.

Jeugdervaring

Verbetering van de woonomstandigheden voor arbeiders met toegang tot de natuur vond in Marshall een krachtig pleitbezorger. Hierin, zo suggereert zijn biograaf, speelde niet alleen zijn overtuiging dat dit de produktiviteit van de fabrieksarbeider ten goede zou komen, maar ook de jeugdervaring van de vroegere 'slum boy' een rol. Verschillende malen was Marshall adviseur voor de hervorming van het hoger onderwijs in Engeland. Hij bleek tegelijkertijd een fel tegenstander van verruiming van de toelating van vrouwen tot het universitair onderwijs. Dit laatste is des te verwonderlijker, gezien zijn huwelijk met de feministische en vooruitstrevende Mary Paley, met wie hij bij zijn huwelijk contractueel vastlegde dat de bekende gehoorzaamheidsclausule in de kerkelijke inzegening op hen niet van toepassing was. Vreemd is ook Marshalls zienswijze dat er verschil in IQ zou zijn tussen de seksen, maar dit verklaart mede zijn vrouwvijandige houding binnen het academisch onderwijs.

Alfred Marshall leeft vooral voort als een van de grondleggers van de moderne economische theorie. Zijn invloed is tot op de dag van vandaag merkbaar in denkwijze en begrippenapparaat van de econoom en in het bijzonder de micro-econoom, terwijl zijn behandelwijze algemeen gebruikelijk werd onder de economen sinds de eeuwwisseling. Het bijzondere daarbij was ook zijn niet aflatend streven om theoretische analyse en feitelijke informatie over economische gebeurtenissen in samenspel te bezien. Hierdoor bleef economie in zijn handen geen bloedeloos vak.

In het levensverhaal van Marshall krijgt deze sympathieke trek van zijn werk veel aandacht. Groenewegen vraagt op subtiele wijze ook aandacht voor de andere, meer persoonlijke kant van zijn hoofdpersoon. Voor de lezer rijst aldus ook de eigenaardige persoonlijkheid op die Marshall was. Dit is de man die zich geen blijvende vrienden wist te maken vanwege zijn ambities en grote moeite had te erkennen dat ook anderen interessante wetenschappelijke prestaties leverden. Eigenlijk erkende hij alleen reeds overleden voorgangers, die geen bedreiging meer konden zijn voor zijn eigen faam. Hij was ook een egocentrische persoonlijkheid, die zelfs de wetenschappelijke prestaties van zijn vrouw negeerde. Het olieverfportret, gemaakt door W. Rothenstein bij gelegenheid van zijn emeritaat in 1908, kon dit niet geheel verhullen. Nieuw en nuttig, zeker als aanvulling op Keynes' eenzijdig lovend opstel uit 1925 over zijn leermeester, is te vernemen dat Marshall bij al zijn intellectuele kracht eigenlijk een vervelende, pietluttige man was. De schitterende biografie wordt er nog sympathieker door.

    • M.M.G. Fase