Achterhaalde argwaan

Drop out. Engelse woorden, maar langzamerhand vertrouwde klanken in het Nederlands. Er bestaat ook geen mooi Nederlands equivalent voor. 'Uitvaller' voelt niet hetzelfde aan. Uitvallen doet iemand bij de Elfstedentocht of de Tour de France. Drop-out is veel fundamenteler, want heeft niet met een bepaalde activiteit, maar met iemands plek in de samenleving als totaal te maken. Opgeven is tijdelijk, drop-out is definitief.

Om een geïntegreerde medeburger te zijn is een zeker onderwijsniveau van belang. Vandaar de leerplicht tot zestien jaar. Maar zie, zoals zo vaak bij in het Nederlands gebruikte woorden die iets ernstigs aangeven, is de betekenis van het begrip drop-out aan inflatie onderhevig. Een lot dat het deelt met begrippen als depressie, trauma en rouw. Wie sacherijnig is vanwege het mislopen van een promotie, noemt zichzelf depressief. Zien dat een hond wordt overreden, is traumatisch en moeten verhuizen uit een geliefd huis leidt tot een rouwproces.

En zo worden jongeren die onmiddellijk na de leerplichtige leeftijd de school de rug toekeren drop-outs genoemd, ook al hebben ze een diploma. Dat staat tenminste te lezen in het onlangs verschenen rapport 'Schoolverlaten na vijf jaar onderwijs' van het Instituut voor Toegepaste Sociale Wetenschappen van de Nijmeegse Universiteit. Daarin wordt onderscheid gemaakt tussen gediplomeerde en ongediplomeerde drop-outs. Ik heb de tekst een paar keer gelezen, omdat ik aanvankelijk dacht de strekking toch niet goed begrepen te hebben. Want wat is erop tegen als zestienjarigen met een voltooid VBO of MAVO niet langer op school willen zitten? Zetten die zichzelf buiten de maatschappij, zoals het woord drop-out suggereert?

Het gebruik van het begrip is des te curieuzer daar het rapport niet alleen optimistische onderzoeksresulaten laat zien over de positie van deze schoolverlaters, maar ook over de 2,1 procent die zonder diploma van school gaat. Naar afkomst zijn er grote verschillen binnen dat percentage. Van jongeren uit modale of hogere milieus is maar 1 procent diplomaloos, van degenen uit Nederlandse achterstandsgezinnen 2,5 procent en van allochtone jongeren 6,4 procent. Maar binnen die laatste groep zijn er weer grote verschillen, bijvoorbeeld 12 procent van de Marokkaanse jongens en slechts één procent van de Surinaamse meisjes. Maar zijn dit drop-outs in de betekenis van buiten-de-maatschappij-vallers? Volgens het rapport is de grote meerderheid van deze jongeren na enige tijd redelijk tevreden: zij werken - zij het vaak in tijdelijke banen - of volgen een specifiekere vorm van scholing. “De kleine groep die in ongunstige omstandigheden verkeert, had veelal ook al vóór het school verlaten grote problemen.”

De voorzichtige conclusie moet dan ook zijn dat het ongediplomeerd verlaten van school geen oorzaak is van bijvoorbeeld jeugdcriminaliteit. Wie jongeren op het goede pad wil houden moet de oplossing niet zoeken in het onderwijs, zoals in Rotterdam met de grootscheepse anti-spijbelmaatregelen wordt getracht. De oorzaak dat jongeren in de criminaliteit terechtkomen moet elders worden gezocht. Dat zij vaak ook mislukken op school is slechts één van de verschijnselen van hun problematiek. Zoals alle appels vruchten zijn, maar lang niet alle vruchten appels, zo hebben de meeste jeugdige delinquenten wel een mislukte schoolcarrière, maar worden jongeren met een mislukte schoolcarrière zelden delinquent.

Nog afgezien van de vraag of het gaat om een mislukte schoolcarrière. Misschien wel als je uitgaat van wat de beleidsmakers van de samenleving graag zouden zien dat jongeren zouden bereiken. Zelf zijn die beleidsmakers meestal verregaand en breed opgeleid en hanteren dat als norm. Dat heeft er bijvoorbeeld toe geleid dat in 1990 werd vastgesteld dat het diploma van VBO en MAVO slechts zou gelden als een minimumniveau, waarop verdere scholing moet volgen om een zogenaamde 'startkwalificatie' te krijgen voor de arbeidsmarkt. Daarmee is de leerplicht stiekem verlengd en wel erg lang geworden voor de vele jonge mensen die zo graag iets willen dóen en willen verdienen.

In dat verband is het ook een onzalige gedachte om paal en perk te stellen aan wat in Nederland tamelijk bizar als kinderarbeid te boek staat. Dertien- en veertienjarigen mogen geen baantjes meer hebben, alleen nog kinderachtige werkjes doen, zoals auto's wassen of boodschappen doen voor de buurvrouw. D66-Kamerlid Bakker heeft voor hen op de bres gestaan, maar ze zullen het hem niet in dank afnemen. Een mooie luchtledige uitspraak van hem in de Telegraaf: “Kinderarbeid is toch zeker afgeschaft. Laat kinderen lekker kind zijn en zich concentreren op hun school”. In de eerste plaats zijn het geen kinderen meer, zoals Bakker ze waarschijnlijk in hun aanvalligheid voor ogen heeft. Volgens de laatste onderzoeksgegevens zijn velen van hen bijvoorbeeld seksueel al aardig ervaren. In de tweede plaats is je lekker concentreren op school niet iets des kinds, maar iets dat moet van grote mensen. Leren moet, maar leuk is anders.

Overigens is dat willen dóen niet voorbehouden aan de lager opgeleiden. Een citaat uit de Volkskrant van afgelopen woensdag: “De moderne student stroopt z'n mouwen op, werkt halftijds, studeert de ene maand 's avonds en werkt 's middags en verwisselt dat patroon de volgende maand met alleen werken en niet studeren. Om het een maand later weer andersom te doen.”

Er bestaat in progressieve kring als het om onderwijs gaat een zekere argwaan tegenover het concrete en praktische en een overwaardering van het theoretische. Een achterhaalde argwaan, geworteld in een tijd dat voor kinderen uit arbeidersmilieu de ambachtschool goed genoeg was, ook al hadden ze voldoende intellectuele begaafdheid voor de universiteit.

Er is ook een overschatting van het onderwijs als instituut waar intellectuele vorming kan plaatsvinden. Een school kan echter alleen - als het een goede school is - een aanwezige aanleg daartoe uitdagen en voeden. En velen hebben zo'n aanleg niet. Wat zou het onderwijsbestel er een stuk eenvoudiger op worden als men dat eens onder ogen wilde zien en jongeren eens wat meer hun eigen gang zou laten gaan in de manier waarop zij zich op de arbeidsmarkt willen voorbereiden, en na enige tijd willen nascholen of bijscholen. Zo blijkt bijvoorbeeld uit het eveneens recente onderzoek van het SCO-Kohnstamm instituut “dat ongediplomeerde onderwijsverlaters van HAVO en VWO zich na enkele jaren toch weer verder geschoold hebben. Opmerkelijk is dat, hoewel ongediplomeerde onderwijsverlaters meteen na het schoolverlaten vaker werkloos worden dan gediplomeerde onderwijsverlaters, dit verschil na enkele jaren is verdwenen. De algemene conclusie is dat de positie van uitvallers uit de hoogste klassen van HAVO en VWO weinig zorgwekkend is.”

Er wordt te veel gedacht dat leerlingen van school gaan uit lamlendigheid, terwijl je er ook eigen initiatief in zou kunnen zien. Eigenlijk vind ik het een teken van grote braafheid dat de jeugd in zo groten getale de rit op school uitzit en geen drop-out wordt in de nieuwe inflatoire betekenis van het woord.

    • Rita Kohnstamm