Wat doen 's nachts de kwallen? De nacht is de dag op de tentoonstelling 'By Night'

Overdag lijkt het onbelangrijk, maar 's nachts rijst al snel de vraag wat iedereen uitspookt op de trappen, de pleinen en de straten. In Parijs, op de tentoonstelling 'By Night', wordt duidelijk dat de nacht een onderwerp is dat in de stad thuishoort. “Schimmen wachten in auto's, op de keien zwerven mensen met zwembrillen voor hun ogen.” En nergens is een bed te bekennen.

By Night. Tot 19 mei in Fondation Cartier pour l'art contemporain. 261, Boulevard Raspail, 75014 Parijs, métro Raspail. Geopend: di. t/m zo. 12-20 uur, do. tot 22 uur. Catalogus: Ffrs. 350.

De zaal ligt verscholen in de kelder. Het is er aardedonker en leeg. Alleen wat stemmen vertellen dat er leven op komst is. Die stemmen mompelen, ze raspen en ze schuren over elkaar heen, zonder ook maar een zinsnede te laten begrijpen. Ze lijken afkomstig uit een oceanische diepte of een hemels gat. Gesprekken, die misschien na vele eeuwen en na vele lichtjaren per schotelantenne konden worden opgevangen.

Een enkele bezoeker gaat zitten op de grond en wacht af. Hij wacht op beelden, op een verhaal, of tenminste op iets waarvan hij wijzer wordt. Waarom zou hij hier anders zijn tijd doorbrengen? En precies op het moment dat nieuwsgierigheid in ongeduld dreigt om te slaan, wordt rechts in de zaal een asgrauwe schim geprojecteerd. Even loopt er een vlek van gewassen inkt over de wand.

De steenkleurige gestalte krijgt steeds meer lijn en vorm. Hij treedt vanuit de donkerte statisch naar voren en introduceert zich nu duidelijk als een jongetje dat lachend op de lens afloopt. De camera is stilgezet op het moment dat het kind onbesuisd zijn armpjes beweegt, zoals het alles in zijn leven nog onbesuisd zal doen. Waar grijpt het toch naar?

En dan plotseling, als de toeschouwer zich meer vragen gaat stellen, als zijn oog zich het beeld eigen wil maken - dan ineens, met een lichtflits en met het messesliepende geluid van iets dat desastreus naar de bliksem gaat, neemt de duisternis bezit van de zaal. Zo traag als het kwam, zo snel is het kind weggegaan.

Op de video Tiny deaths van Bill Viola, uit 1993, herhalen zich deze kortstondige ontmoetingen aan een stuk door. Viola biedt geen verhaal, geen afleiding, geen troost. Op drie van de vier zaalwanden treden met onregelmatige tussenpozen mannen, vrouwen, kinderen, jong en oud, mooi en lelijk, even voor het voetlicht. Ze staan er vriendelijk en ontspannen bij, als op een familiefeestje; onvoorbereid op het fatale schot naar de duisternis. Intussen sleept het gemompel op de achtergrond zich eindeloos voort. De woorden doen er niet toe. Wat is destijds niet gezegd dat wèl gezegd had moeten worden? En wat is van al die andere woorden overgebleven?

Elk lot wordt onverwachts een noodlot. Iets dergelijks moet deze video van Viola betekenen. En men dient er goed van doordrongen te raken hoe snel die lotsverandering zich kan voltrekken; hoe onberekenbaar de dood is en hoe absoluut het afscheid. Want de mens sluimert maar wat voort. 'We bestaan uit dood', schreef Fernando Pessoa: 'Wat wij als leven beschouwen, is de slaap van het werkelijke leven, de dood van wat wij waarachtig zijn (-); we gaan leven wanneer we op sterven liggen'.

Soms licht dat besef van aardse kortstondigheid even op als voor een bekende de reis naar het 'onverhoeds onnoemelijke' - van de dichter Hans Andreus - is begonnen. Maar na het afscheid gaat het in de meeste mensehoofden snel weer een beetje misten. De achterblijvers nemen de alledaagse draad weer op; met de dood is niet lang samen te leven. Ze triomferen ingetogen over het eerdere vertrek van de ander en wanen zich voorlopig weer onsterfelijk.

Om die reden is die electronische machine, opgesteld in het Musée d'Histoire Naturelle in Parijs zo'n akelige, ontnuchterende uitvinding. Hij telt digitaal dag en nacht hoeveel mensen iets eerder die dag zijn geboren en gestorven. Een enkele seconde staat hij stil, meestal raast het apparaat maar door, met vijf, tien, twintig tikken per oogopslag. Je zou willen dat het onmiddellijk kapot ging. Want het aardse komen en sterven van mensenmassa's is geen aangenaam kijkverdrijf, ook niet in cijfers. Niemand wil de dood, dus straks zijn eigen dood, tot zo'n klik gereduceerd zien. En, trouwens, ook de geboorte van zijn kind niet.

Roze

Bill Viola is een van de tachtig kunstenaars - van de fotograaf Alfred Stieglitz tot striptekenaar Hergé - die met een of meer werken deelnemen aan de tentoonstelling By Night, vorige week geopend in de Fondation Cartier in Parijs. De nacht is een aanlokkelijk, weids onderwerp, dat onherroepelijk in deze stad thuishoort. Want dankzij alle weerschijn van pompeus verlichte Grands Travaux, van onvermoeibaar verkeer en neon-boulevards krijgt de nacht hier geen poot aan de grond. Hij blijft een beetje roze. En in dat rozige grijs slaapt de dag nooit helemaal.

Viola is een zwaarmoedig buitenbeentje. Van de meeste exposanten koos men werk dat naar de aardse nacht en niet naar het eeuwige duister verwijst. Je wandelt langs de sterrenhemel, de maan, het amusement, het geweld, de angst en de fantasmen, die juist na de avondschemering met de mens op de loop gaan: de nacht als 'jour articifiel', wanneer mensen als muggen naar het licht toe zoemen. Of wanneer ze gegronde redenen hebben om er ver vandaan te blijven.

Niet alleen de zaal van Viola is donker, de hele tentoonstelling is in een schemer gehuld, zodat de teksten, in witte inkt op zwarte wanden, zich met moeite laten lezen. Maar dat is niet zo erg. De maan, bijvoorbeeld, hoeft zich niet meer voor te stellen. In 1805 heeft de Brit John Russell hem geaquarelleerd. Hij deed dat met een nauwkeurigheid die doet vermoeden dat hij er stiekem met een kwast in de hand is langsgevlogen. Hij zag een planeet die keer op keer van meteorieten en ander contact zoekend gesteente op zijn sodemieter had gekregen, en die ondanks zijn bleke pokdaligheid op een grote schare bewonderaars kan rekenen.

Ook de Duitse kunstenaar Thomas Ruff tuurde bijna twee eeuwen later het heelal in. Hij fotografeerde op kolossaal formaat de sterrenhemel als een sprookje-uit-duizend-en-een-nacht. Het duister geeft als een fijnmazige vergiet op elke vierkante centimeter wel een paar lichtpuntjes te zien. Dankzij een lange sluitertijd lijken onmetelijke, halogene stelsels de aarde nauwlettend in de gaten te houden. Het is daar boven drukker dan beneden.

Hoe zou het zijn om in een kamer te leven die volledig met deze hemelse foto's is behangen? Zou een mens zich nietig en verdrietig voelen? Of verschrompelen alle zorgen tot stofdeeltjes? Zal men dan eindelijk één worden met de kosmos, waar menige New Age-schare naar streeft?

Schaduw

Wie in de kunstgeschiedenis op zoek gaat naar de nacht wordt teleurgesteld. Schilders hebben zich eeuwenlang tot het licht gewend, of tot het clair-obscur dat tot het rijk van de schaduw moet worden gerekend. Rembrandt, Caravaggio en Caspar David Friedrich bijvoorbeeld, schilders die nu even aan nachtelijke doeken doen denken, scherpten niet de duisternis maar juist het licht aan. Hun doeken onthulden taferelen die zo gaaf nauwelijks of helemaal niet in de werkelijkheid zichtbaar konden zijn.

In deze eeuw, waar de tentoonstelling By night zich grotendeels toe beperkt, waren het symbolisten als Odilon Redon die in de verfnacht hun mysteriën kwijt konden, zoals dat alom wakende, onaangename oog. Als Bill Viola's defaitisme op deze Parijse tentoonstelling thuishoort, dan moeten eigenlijk de droeve doeken uit Picasso's blauwe periode ook tot de nacht worden gerekend, want depressies van dat gehalte hebben zich in zijn latere leven niet meer voorgedaan.

Waarom is de Belg Frans Masereel buitengesloten? Hij kon op zijn houtsneden niet genoeg krijgen van het dompige stadsleven. Het zwerven, het zoeken en het beminnen laat zich in het helduister van de drukinkt stapsgewijs als een drama volgen. En waarom ontbreken de 'kinderaltaren' van Christian Boltanski of de neon-werken van Bruce Nauman? Neon heeft toch alles aan de duisternis te danken?

Van deze kunstwerken is hier inderdaad geen spoor terug te vinden. De scheidslijn van By Night is schemerig. Maar Magritte is als nachtschilder wèl geselecteerd. Hij kwastte dat bizarre schilderij Chasseurs au bord de la nuit (1928): twee stompige mannen in jagersuitrusting verstoppen zich als misdadigers tussen zachte blauwe wanden van lucht. Aan de horizon dreigt de zonsopgang hun identiteit te verraden. En dat mag niet. Het is beter schieten als mens en dier, onwetend als vage silhouetten, kwetsbaarder zijn.

Toevluchtsoord

Gelukkig is op deze tentoonstelling ook de schilder Edouard Vuillard niet over het hoofd gezien. Want hij zocht als geen ander de avondlijke beslotenheid van het warm gestoffeerde interieur. Vaak moest een enkele schemerlamp zorg dragen voor de rommelige intimiteit die van een kamer een toevluchtsoord maakt. Zijn moeder was naaister en met haar weefsels in oker, bruin, blauw en een vleugje rood wist Vuillard wel raad op zijn stoelen en tapijten.

Op zijn kleine doek Interieur Mystère (1895) staat een volgepropt kamertje te somberen. Een verdwaald schijnsel, misschien kwam de maan langs, kietelt de dingen, net zoals het in de Nocturnes van Chopin de tonen doet kabbelen. Er gebeurt niets, en toch is er leven in de brouwerij. Eindelijk, nu de bewoners zijn weggedoken tussen de dekens, hebben de lampen, de meubels en de stoffen het rijk alleen. Misschien roddelen ze wel.

De fotografen hebben het op deze tentoonstelling voor het zeggen. En zeker niet de schilders of een nu populaire video-maker als Douglas Gordon, die op reusachtige schermen steeds twee mannegezichten laat veranderen in monsters met vertrokken bekken. We weten zo langzamerhand wel dat een flinke klont kwaadaardigheid zich in een ieder schuilhoudt. Dat angstaanjagende gegeven levert als Dracula-videospektakeltje geen effect op.

Ook de 720 stills, waar Nan Goldins bekende video The ballad of sexual dependency (1979-1995) uit bestaat - van ruige jeugdjaren aan de zelfkant, via mislukte huwelijken en heroine-spuiten naar de beelden van jonge, opgebaarde mensen - schieten uiteindelijk hun doel voorbij. De melancholisch stemmende liedjes van Lotte Lenya, Charles Aznavour, Sylvie Vartan, Dean Martin en Randy Newman doen daar helaas niets aan af.

Goldin scheept ons op met de honderden anonieme gezichten van haar 'vrienden', die zich niet zò opvallend anders gedragen dan hun tijdgenoten - met dat verschil dat ze vaker een blauw oog oplopen, vaker met zichzelf overhoop liggen, zich vaker laten tatoeëren, en soms in armoedige omstandigheden doelloos de tijd doden.

Eenmaal weer thuis, en bladerend door het beknoptere fotoboek dat al enige tijd geleden uit diezelfde Ballad of Sexual Dependency is samengesteld, valt ineens veel scherper op hoe schrijnend sommige opnamen zijn. Ruim zevenhonderd stills kan een mens niet even hap-snap tot zich nemen en verwerken. In Parijs raasden ze als een fotografisch snelweg over de wand. Nu, stil aan tafel, geeft zich de akelige leegte prijs, waarin gefeest en gevreeën wordt. Nu pas blijkt hoe radeloos de apathie is van die geportretteerde twintigers en dertigers, hoe volstrekt zinloos er gewacht wordt op iets of iemand die beterschap belooft.

Stilleven

'Fotografie heeft iets van doen met de wederopstanding', schreef Roland Barthes in De lichtende kamer. Letterlijk opgevat, hoop je van ganser harte dat de twee Japanse meisjes, die Felice A. Beato in 1865 in hun slaap fotografeerde, nooit zo'n wederopstanding tussen Goldins generatiegenoten hoeven mee te maken. Het is een van de mooiste foto's op deze tentoonstelling. De opname is met bruintinten ingekleurd. De meisjes dromen in een bijna leeg vertrek. Een vredig stilleven, net zo verleidelijk gearrangeerd als een doosje sushi's.

Alle andere foto's missen die esthetische geruststelling. Ze zijn meestal op straat of in een etablissement genomen. En dan is de nacht opvallend vaak verdacht. Schimmen wachten in auto's, op de keien zwerven mensen met zwembrillen voor hun ogen, er zijn natuurlijk ook glitterige acrobaten en striptease-meisjes driftig in de weer en in een Afrikaans dorp wordt gedanst tot het bittere eind van de ochtendstond.

Nergens aan de tentoonstellingswanden is een bed te bekennen. Vreemd, dat die schuilplaats, die eigenlijk het mooiste meubelstuk in huis moet zijn, geen blik waardig is bevonden. Fotografen willen blijkbaar, net als schilders, uiteindelijk van de nacht de dag maken en daar passen geen bedden in.

De Amerikaan Gordon Parks zag bijvoorbeeld ter hoogte van zijn enkel hoe een zwarte man vanonder een putdeksel nachtelijke voorbijgangers bespiedt. Als een roofdier, met een hol in het riool, is hij op zijn qui vive. Zijn landgenoot Eugene Smith laat de avond dalen over een armoedige straat in Pittsburgh, wanneer autodaken als diamanten nog even naflonkeren. En William Klein vloog in de jaren zestig als een vleermuis met een onverzadigbare camera over Broadway om het neon te laten dartelen. Filmtitels en sterrenamen werden toen nog handmatig met fikse, zwarte letters op lichtbakken aangebracht. Eenmaal staccato gefilmd leveren die mannen en hun alfabet een oogstrelend, typografisch ballet op.

Maar is een mens eenmaal alleen in een slapende stad, ver van het verleidelijk vertier, dan lijkt hij op de foto eenzamer dan ooit. Er is geen uitzicht meer, de horizon laat het afweten. In een kader van donkerte, dat door het kader van de foto nog eens wordt geaccentueerd, krijgt de wandelaar hooguit wat gezelschap van hemellichamen of een straatlantaarn. Hij loopt als een schim in een striemende regenvlaag over een trap in Brest, zoals René-Jacques hem in 1939 portretteerde. André Kertesz kwam 25 jaar eerder diezelfde nachtganger tegen, als schaduw op de stompe keien van Boedapest, waar de idyllische huizen in die buurt allang hebben plaatsgemaakt voor deerniswekkende woonkazernes.

Wat men zich zelden overdag afvraagt, gebeurt bij deze stille nachtfoto's wèl: wat spoken die mannen toch uit op trappen en pleinen? Wat zijn ze van plan, waar komen ze vandaan? Misschien huizen boven hun hoofden wel zwermen zwarte Hitchcock-vogels, waarvan de Japanse fotograaf Masahisa Fukase de spierwitte oogjes als linke nachtkijkertjes wist vast te leggen. Iets verderop lag misschien het lijk van een jonge man op het asfalt, geliquideerd met een enkel hoofdschot. Want de Newyorkse misdaadfotograaf Weegee was er in de jaren dertig altijd als de kippen bij als er bloed vloeide.

Merry Alpern gaat nu 's nachts in Weegee's New York veel stiekemer te werk. Met haar lens tast ze vanuit nabijgelegen kamers de verlichte gevelvensters af. Wat achter die ramen gebeurt stemt niet altijd vrolijk. Dit keer bespieden we in een bordeel op Wall Street de torso's van nachtvlinders. Een bijna naakt telt de dollarbiljetten van die avond. Een ander naakt moet zich onwillig laten betasten. En achter het volgende venster doemt een net zo schimmige mannenarm op, waar een stevige hand aan vast zit, die een nog steviger ketting in de aanslag houdt.

Terwijl Alpern onthult wat men dag en nacht liever niet wil zien, portretteerde de Japanner Hiroshi Sugimoto, ver weg op de Arctische Oceaan de eindeloosheid van de Noord Kaap. Er is geen stipje stad of ster in zicht. De zee ligt als een gestolde peklaag onder een diepgrijze, fluwelige hemel. En ook dan vraag je je net als bij die eenzame wandelaars onwillekeurig af wat er toch onder die peklaag schuilgaat? Wat doen kwallen eigenlijk 's nachts? Dansen ze dan nog steeds of vrijen ze met elkaar? Wat rommelt er op de riffen? Hoe slapen de walvissen daar? En hoe diep moet je zinken om een voet op het zeegebergte te kunnen zetten?

Ach, laat de nacht maar vragen stellen en laat de dood maar mistig zijn. We hoeven niet alles te weten. 'As long as one lives, one lives in trouble', meende de net overleden schrijver en dichter Joseph Brodsky. Zoveel is zeker. En menige foto hier in Parijs bevestigt die stelling direct of indirect. Van andersoortige opnamen mag simpelweg worden genoten.