Vredige mensen bij de fontein; Peter Handke's mistige pleidooi voor de Serviërs

Peter Handke: Eine winterliche Reise zu den Flüssen Donau, Save, Morawa und Drina, oder Gerechtigkeit für Serbien. Uitg. Suhrkamp, 136 blz. Prijs: ƒ 34,70.

De ondertitel van Peter Handkes in 1994 verschenen roman Mein Jahr in der Niemandsbucht luidde: Ein Märchen aus neuen Zeiten. Dat is tevens een treffende aanduiding voor de jongste tekst van Peter Handke. Zijn reisverhaal Gerechtigkeit für Serbien, dat vorige maand acht hele pagina's van de Süddeutsche Zeitung in beslag nam en dat nu ook in boekvorm op de markt is gebracht, laat zich niet lezen als een journalistiek ooggetuigenverslag maar eerder als een sprookje, een dichterlijke fantasie.

Aan dichters neemt heden ten dage bijna niemand meer aanstoot - en toch heeft het lyrische reisverslag van de Oostenrijker Peter Handke heel Duitsland in beroering gebracht. Vooral de journalisten zijn over hem heen gevallen. Handke moet dat hebben voorzien, want in Gerechtigkeit für Serbien trapt hij hen keihard op hun ziel. Mijlenver boven de Auslandsreporterhorden verheft Peter Handke zichzelf; als Schreiber is hij steeds ontvankelijk voor nieuwe impressies en naarstig op zoek naar de waarheid bezijden de slogans van uitgekookte politici. Journalisten daarentegen zijn in Handkes ogen bevooroordeelde figuren die hun geest hebben verkocht aan de waan van de dag en, erger nog, aan de politieke machthebbers van hun land. Handke scheldt de correspondenten in het voormalige Joegoslavië, vooral die van de Frankfurter Allgemeine Zeitung, Der Spiegel en Le Monde, uit voor Kriegshunde die er ook nu nog, na het vredesakkoord van Parijs, op geilen Servië met hun pen te vernietigen. En dat terwijl ze het land helemaal niet kennen!

Bij wijze van opmaat tot zijn eigenlijke reisverslag probeert Handke, die verstand van Joegoslavië meent te hebben omdat hij een Sloweense grootvader had, eerst de gangbare opinies over Servië onderuit te halen. 'Wie was nou de agressor?' vraagt hij de lezer uitdagend. En hij suggereert dat Servië wel móest reageren op de provocaties van een landje als Kroatië, dat Joegoslavië naar de knoppen hielp door zich botweg tot zelfstandige staat uit te roepen. Handke stelt vragen, vragen en nog eens vragen en neemt daarbij de pose aan van een sensibele twijfelaar. Ondertussen deelt hij links en rechts klappen uit, behalve dan aan Servië, en nooit neemt hij de moeite om zijn insinuaties met bewijzen te staven. Dat laatste is een karweitje voor domme journalisten, vindt Handke kennelijk; híj heeft een belangrijker missie.

Zijn bericht, stelt hij plechtig in een interview in het weekblad Die Zeit, is niets anders dan een Friedenstext: elk woord moet bijdragen aan de vrede, moet verzoenen, bevrijden. Daarom vind je in Gerechtigkeit für Serbien vrijwel geen reisimpressies die aan de oorlog herinneren. Wanneer een Servische man schuimbekkend de Servische leiders vervloekt, wil Peter Handke daar niets over horen, 'niet hier in deze kamers, en ook niet in de stad en op het land, en niet nu, nu er misschien toch vrede komt...' Anderen worden überhaupt weinig aan het woord gelaten in Handkes egocentrische geschrift. Zijn vredestekst zou je ook een zelfbevredigingstekst kunnen noemen, met de ik-figuur in de dubbelrol van eenzame strijder tegen de publieke opinie en van vredestichter.

Dat deze reiziger er in wezen slechts op uit is zichzèlf vredig te voelen lijkt hem te ontgaan, evenals het feit dat Handke eigenlijk precies hetzelfde doet als dat wat hij de Duitse journalisten verwijt: hij neemt het vreemde land op een uiterst selectieve en vooringenomen manier waar. Alleen onschuldige taferelen en dingen bezingt hij: de 'wouddonkere' honing op de markt van Zemun; de vredig waterdrinkende mensen bij een fontein; de uitdrukking van 'waardige collectieve vereenzaming' op de gezichten van de passanten. En hij verhaalt van autotochtjes met zijn Servische vrienden, van beboste bergpassen en van eindeloze sneeuwbuien die het behaaglijke gevoel van isolement alleen maar versterken.

Sfeervolle beschrijvingen zijn het, genoteerd in gezapig voortkabbelende zinnen. De Servische soberheid, veroorzaakt door de handelsboycot, ervaart hij als een weldaad. Tegen de winter wapent de rijke schrijver zich door een dikke jas en hoge schoenen te kopen, waarna hij er te voet op uit trekt. En aan de stille oevers van de Drina, de grensrivier met Bosnië, beleeft hij zijn mooiste momenten, ook al komt er even een voorwerp langsdrijven dat - de wandelaar durft niet alles uit te spreken - het schoentje van een vermoord moslimkind zou kunnen zijn.

Door de jaren heen is Peter Handke, de goeroe van de Nieuwe Gevoeligheid, zo bedreven geraakt in het verjagen van onrustgevoelens dat er in zijn proza geen plaats meer is voor tragiek of innerlijke conflicten. Gaven onverhoedse geweldsuitbarstingen van zijn hoofdpersonen Handkes vroegere werk nog een zweem van authenticiteit, Eine winterliche Reise... oder Gerechtigkeit für Serbien maakt, op de agressie van de auteur jegens die Duitse journalisten na, een door en door onoprechte indruk. Ik kan me nauwelijks voorstellen dat Handke het Servische volk een dienst bewijst met zijn kwezelachtige, mistige proza. Hij heeft niets eens de moeite genomen om de wereld te overtuigen van het kruis dat dit volk klaarblijkelijk dragen moet. Tandeloosheid, een beetje honger, kou en eenzaamheid - meer leed gunt hij de Serviërs niet.

Valt er dan helemaal niets goeds over de nieuwe Handke-tekst te melden? Toch wel. Sommige van zijn landschapsschilderingen zijn, puur esthetisch gezien, heel meeslepend geschreven. En wijs, ideologisch gezien, lijkt me Handkes vermaning aan de Duitsers en Oostenrijkers om nog eens diep na te denken over de gruweldaden die zijzelf onder Hitler in Servië hebben begaan. Op zich is het ook een goede zaak dat Handke gepoogd heeft het clichébeeld van de barbaarse Serviërs te ontkrachten - alleen stelt hij er helaas een ander cliché tegenover, dat van de erudiete Balkanbewoner. Zalvend zegt hij, wellicht met het oog op een groep toekomstige kopers van zijn boek, dat de Serviërs altijd al een lezersvolk zijn geweest.

Handke maakte zijn reis in november vorig jaar, vlak na het wankele vredesakkoord van Dayton, en het ontwrichte Servië verandert hij in een idyllisch oord omdat dat goed is voor zijn gemoedsrust. Het gaat te ver om, zoals Gustav Seibt in de Frankfurter Allgemeine Zeitung deed, Handke ervan te beschuldigen dat hij een Blut-und-Boden-verhaal heeft geschreven. Bloed ontbreekt immers totaal in zijn reisverslag. En dat is nu juist het probleem, want met halfzachte sprookjes komen we geen stap dichter bij de door Handke zelf zo fanatiek gepropageerde waarheid over Servië.

    • Anneriek de Jong