Vrede bestaat niet

Donderdag: het sneeuwt in Jeruzalem. De inwoners van de moeder aller steden kijken verbaasd. Het is jaren geleden dat sneeuw viel in het labyrint van nauwe straatjes. Orthodoxe joden slaan de kragen van hun donkere jassen op en binden een plastic zak om hun bontgerande, zwarte hoeden. Arabische straatverkopers vluchten hun winkeltjes in om warmte te zoeken bij een blik met gloeiende kolen.

Op straat kijk ik naar de melting pot die het oude deel van Jeruzalem is: zwarte mannen met keppeltjes en donkerhuidige vrouwen in shawls en doeken. Blanke kinderen, gekleed in krijtstreep pak en donkerblauwe regenjas en met hoed op het hoofd, passeren de toeristen. Terwijl in Amsterdam de buren al klagen wanneer ze de oproep van een mollah tot het avondgebed horen, vindt hier een ieder ongestoord zijn weg naar moskee, synagoge en kerk. In het portaal van de Heilige-Grafkerk - waar volgens de overlevering Jezus is begraven - is de oproep te horen tot de avondbede aan Allah. Zoveel geloven leven hier vredig naast elkaar.

Vrijdag: in de Arabische wijk van Jeruzalem ligt Orient House, het kantoor van de PLO waaraan minister Van Mierlo onlangs een bezoek bracht. Binnen Orient House loopt een Palestijnse wachter, buiten patrouilleren Israelische militairen. Ostentatief knijpen de Israelische dienstplichtigen hun neus dicht en imiteren de oproep tot het avondgebed. Spottend roepen ze “Allah Ahkbar, Allah Ahkbar”. De Palestijnse wachter kijkt stoïcijns voor zich uit. Zaterdag: het is de dag van de eerste Palestijnse verkiezingen. Onder een strakblauwe lucht trekken de Palestijnen richting stembureau. Het kiesvolk straalt, dit is hún dag en Israel zal het weten ook. Onder het oog van CNN en de wereld voelen ze zich zeker. Palestijnse jongens lopen uitdagend over de door militairen afgebakende lijn, ze lachen de agenten uit en dringen brutaal met hun buiken tegen wegversperringen aan. De spanning stijgt voelbaar.

Opeens breekt achter ons paniek uit in de kashba. Tientallen joodse kolonisten zouden door de nauwe straten rennen en Arabische verkopers met traangas bespuiten. Een Palestijn verhaalt hysterisch over zijn buurman die het gas in zijn gezicht kreeg, waarna de kolonisten zijn winkel verbouwden. Israelische soldaten sluiten het gebied direct af.

Ik moet terug naar Jaffa Gate, waar steegjes overgaan in straten. Hier is ook een postkantoor waar Palestijnen hun stem kunnen uitbrengen. Beducht voor aangekondigde bomaanslagen staan tientallen militairen en agenten bij de ingang. Dan stormt een Palestijn het kantoor uit. In zijn hand houdt hij een mes. In de ondergaande zon flikkert het tien centimeter lange lemmet.

Een seconde duurt het, dan springen dertig soldaten op de man. Ze schreeuwen, het geluid klinkt van knuppels die hard op iemands lichaam neerkomen, een politiewagen zet zijn sirene aan. Op de daken verschijnen scherpschutters. Toeristen verdringen zich in de deur van een evangelische koffieshop en orthodoxe joden houden hun handen voor klikkende camera's. Enkele minuten later wordt de Palestijn afgevoerd.

Voor mijn ogen verdampt het beeld van de melting pot. Er is geen smeltkroes. En verdraagzaamheid is er ook niet.