Voorstel surséance maand te verlengen

DEN HAAG, 9 FEBR. Het ministerie van Economische Zaken bereidt een wetsvoorstel voor waarin de maximumtermijn voor surséance van betaling wordt verlengd van één naar twee maanden. Volgens Economische Zaken zal de verruiming de overlevingskansen voor bedrijven die in surséance verkeren, vergroten. Dat meldt vandaag 'Economische Zaken' de tweewekelijkse huispublicatie van het ministerie.

In het wetsvoorstel zijn alle partijen gehouden aan een zogenoemd 'uitwinningsverbod' van een maand. De rechter mag dit vervolgens met een maand verlengen. In deze periode kunnen de bewindvoerders zonder dat ze de hete adem van de schuldeisers in hun nek voelen, kijken of het bedrijf of delen ervan nog te redden zijn. Bovendien worden crediteuren en leveranciers nog twee tot vier weken lang verplicht om zaken te doen met een noodlijdende onderneming. Nu komt het nogal eens voor dat banken de geldkraan direct dichtdraaien bij uitstel van betaling.

In het wetsvoorstel, dat naar verwachting nog dit jaar voor advies naar de Raad van State wordt gestuurd, krijgt de rechter meer bevoegdheden dan volgens de huidige regels uit 1893. Een aanvraag tot uitstel van betaling, de eerste stap op weg naar een mogelijk faillissement, wordt in de toekomst niet automatisch gehonoreerd. Als meteen al duidelijk is dat de onderneming niet levensvatbaar is, kan de rechter de surséance-aanvraag afwijzen.

Curator F. Meeter, die zich bezighield met de twee grootste industriële debâcles tot nu (RSV en DAF), ziet de voorgestelde wetswijziging als een belangrijke steun in de rug voor bewindvoerders die orde op zaken proberen te stellen bij kleinere bedrijven. De doorlevering en doorfinancieringsplicht noemt hij het belangrijkste hulpmiddel. “Bij grote surséances, zoals DAF en nu ook Fokker, gebeurt dit al omdat er zulke grote belangen op het spel staan, dat iedereen wel bereid is rustig aan te doen. Maar bij de kleinere surséances kan de bewindvoerder wel wat extra steun gebruiken”, aldus Meeter in de EZ-publicatie.

Hij wijst de kritiek van de hand dat de doorfinacieringsplicht een lege huls is omdat het bedrijf al aan de kredietlimiet zit. Meeter: “Nu gaan alle betalingen die een onderneming gedurende de periode van surséance binnenkrijgt, rechtstreeks naar de bank. Het nu voorgestelde systeem biedt in mijn ogen de ruimte om de bedragen die nog bij het bedrijf binnenkomen als kredietruimte te bewchouwen.”

De discussie over de surséance-wetgeving werd actueel nadat Nederland in 1983 te maken kreeg met een hausse aan faillissementen. De Commissie-Mijnssen werd geïnstalleerd die eind jaren tachtig met concrete voorstellen kwam die veel verder gingen dan het huidige wetsvoorstel. Mijnssen wilde een periode van drie tot zes maanden waarin de schuldeisers niets konden claimen en de afgesproken leveringen en financieringen ook gewoon moesten doorgaan.

In 1994 vroegen 459 bedrijven uitstel van betaling aan. De meeste aanvragen betroffen eenmansbedrijven en kleine ondernemingen met minder dan tien werknemers. Het overgrote deel van de surséances leidde tot een faillissement. Slechts 21 wisten alsnog tot een akkoord met schuldeisers te komen.