Venetsanou, zangeres van het Griekse kunstlied, in Nederland; 'Komt hier, de hele wereld ben ik'

Concert: Nena Venetsanou (zang), Manos Avarakis (mondharmonica, fluiten), Jorgos Mavroïdis (gitaar), Thodoros Kotepanos (piano), muziek van o.a. Venetsanou, Chatzidakis, Theodorakis, Tsoupaki. Gehoord: 7/2 VSB-zaal Eindhoven, 8/2 Paradiso Amsterdam. Herhaling: 9/2 Utrecht, 10/2 Bornem (B).

Na drie nummers verdwijnen de begeleidende musici tijdelijk achter de coulissen en in deze bliksempauze verlaten een moeder en dochter schielijk de zaal. “Dit is een tè grote cultuurschok voor ons”, verklaren ze, alvorens rillend de vrieskou op te zoeken. De vrouwen zijn duidelijk niet voorbereid op een serieus recital met Griekse 'kunst'-liederen. Zonde, want het Griekse kunstlied, ontstaan in de jaren vijftig op reactie van de muzikale verkwanseling ten behoeve van de toeristen, heeft zeker evenveel historische en artistieke waarde als de traditionelere muzieksoorten uit Griekenland.

De Griekse zangeres Nena Venetsanou, bij uitstek vertolkster van het kunstlied, heeft zich inmiddels alleen voor het blauwe voetlicht opgesteld en begint onnadrukkelijk met haar vingers te knippen. De zaal is onmiddellijk muisstil.

'Komt hier, de hele wereld ben ik...', zo noodt ze zacht het publiek, dat geen vin durft te verroeren. Haar stem daalt nog een paar tonen en, haast fluisterend, zingt ze: 'Maar verlangt geen liefde van mij, jullie zullen mij niet voor jullie zien buigen...'

En die belofte maakt de volumineuze zangeres helemaal waar. Niet alleen laat Venetsanou zich naderhand niet tot een toegift verleiden, ook tijdens het recital houdt ze de toehoorders op afstand. Tot bewondering van de een, tot verdriet van de ander. Is het wel afstand? “Nee, eenzaamheid”, is het vriendelijke antwoord van Nena Venetsanou, die voor de vierde keer voor een optreden in Nederland is. “De eenzaamheid, die ieder mens kent en die de rode draad vormt in mijn werk. Eenzaamheid is voor mij overigens niet per se synoniem aan ongelukkig zijn. Ik wil geen dialoog met de zaal, maar ik doe telkens weer een bekentenis op het toneel.”

Deze uitspraak verklaart haar nogal statische houding op toneel, soms onwillekeurig extra benadrukt door de capriolen van de virtuoze Manos Avarakis, die bij het bespelen van zijn mondharmonica en blokfluiten nauwelijks op zijn stoel kan blijven zitten. Toch zegt Venetsanou ieder lied te beschouwen als een theaterstuk. Wat ze daar precies mee bedoelt, demonstreert ze met de grandioze uitvoering van Tête antichambre du ministre en Scène de la tour, de (onvertaalbare) teksten van de Italiaan Alberto Savinio, die Venetsanou zelf op muziek heeft gezet en waarbij ze zich zeer expressief beweegt.

De zangeres componeert graag, maar ze veegt in één armgebaar van tafel dat ze componiste zou zijn. “Joh, dat ben ik niet. Componeren is gewoon een hobby van me, zoals een ander postzegels verzamelt.” Figuren als Chatzidakis, Theodorakis of de in Nederland woonachtige oud-leerlinge van Louis Andriessen, Calliope Tsoupaki, van wie Venetsanou op het concert ook twee nummers ten gehore bracht, zijn in haar optiek wél geloofwaardige componisten. “Die hebben iets te vertellen. Ik niet. Ik ben maar zangeres.”

    • Florence van Berckel