Ontsnappen aan de natte voeten; De grenzeloze verbeelding van Louis Couperus

De literaire produktie van Louis Couperus was adembenemend. In één jaar schreef hij bijvoorbeeld het psychologische drama Langs lijnen van geleidelijkheid, de visionaire roman De stille kracht en de symbolistische novelle Babel. Couperus was een schrijver tegen wil en dank. “Zijn hele leven moet Couperus ernaar hebben verlangd niet te bestaan, op te gaan in een zalig en weldadig niets, waarin zijn ziel voor altijd en eeuwig kon antichambreren.”

Dit is een bekorte versie van een rede die op 8 februari werd uitgesproken ter gelegenheid van de presentatie van de Volledige Werken van Louis Couperus.

Pas zo'n vijf jaar geleden zag ik het gezicht van Louis Couperus voor het eerst. Natuurlijk kende ik de fotoportretten van hem. Ik was vertrouwd met de kleine gestalte in zijn pose van zorgvuldig zelfbewust fronsende auteur, met zijn ronde, vlezige hoofd, meestal met een opengeslagen boek in de hand. Ook de meer spontane foto's uit zijn leven had ik wel eens gezien: een verklede Couperus als amateurtoneelspeler tijdens een verblijf in Indië, Couperus tijdens een klein partijtje bij hem thuis in Nice, Couperus met handschoenen en wandelstok, wandelend over het Lange Voorhout in 1910, en een oude, nogal gezette Couperus, leunend over de railing van De Prins der Nederlanden, naast zijn vrouw Elizabeth, in 1921. Op die foto's lacht hij beschaafd en zonder veel uitdrukking of kijkt hij strak in de camera; een beetje ongeduldig, alsof hij iets van de fotograaf verwacht in plaats van de fotograaf iets van hem.

Ik kende al die portretten en nooit had ik het gevoel dat ik zijn gezicht ook werkelijk zag. Zijn uiterlijk is vaak genoeg door tijdgenoten beschreven, er is zelfs een reeks foto's, kort na elkaar genomen, van een van zijn fameuze voorleesavonden in de 'kunstzaal' Kleykamp tegen het einde van zijn leven. Maar ik zag altijd een plaatje, nooit een gezicht. Of liever gezegd, ik zag zijn gezicht wel, maar ik kreeg nooit de indruk dat hij ook eens terugkeek.

Had Couperus wel een gezicht? Ik heb er lang aan getwijfeld. Hij was een ongrijpbaar mens. In zijn leven zwierf hij, zijn bestaan was ontworteld. Het grootste gedeelte van zijn volwassen leven bracht hij door in pensions of voor korte tijd gehuurde kamers. Het beeld dat oprijst uit de getuigenissen van mensen die hem ontmoet of gekend hebben, is niet dat van een man die de wereld naar zijn hand zet, een man die het magnetisch centrum van zijn eigen universum wordt, maar van iemand die vluchtig opduikt in de levens van anderen, nu eens in Den Haag, dan weer in Nice, een tijdje in Batavia en Pasoeroean, wat langer in zijn geliefde Italië. Maar nooit echt lang, nooit voor altijd. Hij gaat zijn eigen, vaak onzichtbare weg, die hem door kringen, stromingen en coterieëen voert, zonder veelzeggende sporen achter te laten. Wat hij wel achterlaat zijn indrukken, talloze, maar de meeste indrukken spreken elkaar tegen. Behalve zijn vrouw Elizabeth, dat staat wel vast, zijn er weinig mensen die hem echt gekend hebben. En als er iemand was die dat wel gedaan heeft, dan heeft hij zijn mond gehouden.

Ook de schrijver is ongrijpbaar. Niet alleen beoefende Couperus zo'n beetje alle denkbare literaire genres, ook zijn verbeelding was ogenschijnlijk grenzeloos. In zijn werk zwierf hij met een rusteloosheid die die van zijn reizend bestaan evenaarde: van psychologisch realisme naar het symbolisme van het kunstsprookje, van de causerie naar de historische roman, van cerebrale vertelling naar hitsig melodrama. Couperus herschiep de wereld niet naar zijn eigen beeld, maar veranderde zelf steeds weer in iemand of iets anders, nam telkens weer een nieuwe gedaante aan, vond steeds een nieuwe vorm. Of het nu het Haagse fin-de-siècle milieu was dat hij zo goed uit eigen ervaring kende, of het wereldje van de koloniale ambtenaren waarmee hij slechts vluchtig, uit de tweede hand vertrouwd was, of de wereld van de Griekse mythologie of die van de geschiedenis van de Oudheid, die hij alleen uit de boeken kende, de schrijver Couperus onderging steeds opnieuw een volledige gedaanteverwisseling.

Wat bewoog hem? Als hij zwierf, in zijn leven en in zijn werk, wat dreef hem dan voort? Hoe kon hij in één jaar, zo ongeveer halverwege zijn schrijversleven, tot drie maal toe gestalte geven aan een volledig andere wereld: van het intieme psychologische drama van Langs lijnen van geleidelijkheid naar de visionaire wereld van De stille kracht en meteen daarna in de zwaar symbolistische onwerkelijkheid van de novelle Babel? Je hapt naar adem als je het tot je door laat dringen, maar Couperus is al weer verder, want het jaar daarop was hij alweer begonnen aan de vierdelige romancyclus De boeken der kleine zielen, na De Stille kracht zijn tweede meesterwerk.

Geen wonder dat zijn gezicht, toen ik het dan eindelijk zag, heel oud en heel moe was. In 9 juni 1923 werd Couperus ter ere van zijn zestigste verjaardag gehuldigd in diezelfde kunstzaal Kleykamp. Er bestaat een foto van die huldiging, met alle gasten naast en achter het feestvarken gegroepeerd. Couperus en zijn vrouw zitten aan weerskanten van Lodewijk Van Deyssel, die zijn hele leven jaloers geweest was op het genie van Couperus en bij deze gelegenheid dus een veel te lange rede hield vol holle complimenten en feestelijke nietszeggendheden.

Die groepsfoto is na de toespraak van Van Deyssel genomen, want je ziet meteen dat het met de feeststemming niet goed wil lukken. De meeste gasten kijken vreugdeloos naar de camera, slechts hier en daar valt een enkele glimlach te bespeuren. Elizabeth heeft haar blik omlaag gericht en lijkt aandachtig de reusachtige mand met bloemen vóór haar te bestuderen. Couperus zelf kijkt wat wezenloos zoekend naar de fotograaf. Alleen Van Deyssel zit op zijn gemak pontificaal te wezen, en als je niet beter wist, zou je denken dat hij het was die gehuldigd werd.

Die foto kende ik wel. Er ging voor mij altijd iets afschrikwekkends van uit -je schrijft je hele leven lang aan één stuk door, roman na roman, bundel na bundel, krantestuk na krantestuk, tot je niet meer kunt, en dan krijg je een receptie van anderhalf uur met een toespraak van iemand die zichzelf veel belangrijker vindt dan jou.

Couperus kreeg nog wel wat meer die middag, natuurlijk. Er was een inzameling voor hem gehouden, omdat hij zelf niet of nauwelijks in staat was het nieuwe huis dat speciaal voor hem en Elizabeth was gebouwd te betalen. Dat huis kan hij niet alleen maar prettig gevonden hebben: de man die zichzelf in een van zijn feuilletons tot de mensen rekende die nooit ergens zouden wonen, die zwervende zoekende waren en nooit een vaste pleisterplaats zouden vinden, de man bovendien die vaak genoeg in de krant trots vermeldde in welk Italiaans palazzo bij welke marchesa of contessa hij nu weer kamers betrokken had, deze man zou nu zijn levensavond gaan slijten in een stevig Hollands huisje in de provincie, dat ' 't Sunneke' werd gedoopt en in een dorp stond dat De Steeg heette. Het moet iets geweest zijn waarin hij zich, ziek en moe, geschikt heeft, hoewel hij bleef dromen van Italië. In een brief aan een vriend noemde hij het stulpje manmoedig 'klein maar lief'. Nog geen anderhalve maand na de huldiging zou Couperus dood uit datzelfde huisje gedragen worden.

Berusting, dat was ook de voornaamste emotie die van zijn gezicht was af te lezen, die middag van de feestelijke receptie. Want er was niet daar niet alleen de fotograaf die de groepsfoto na de huldiging nam. Vlak vóór Couperus naar binnen ging werd hij door een van de andere genodigden attent gemaakt op een filmcamera die stond te draaien, en met Louise Tholen-de Ranitz aan zijn ene arm en de gezellig gezette mevrouw Kleykamp aan de andere, keek hij enkele momenten recht in de lens. Het filmpje uit die camera is bewaard gebleven en het werd een aantal jaren geleden teruggevonden. Ikzelf zag het maar één keer, toen het op televisie werd uitgezonden. Het bleek een kleine openbaring: voor het eerst had ik het gevoel dat Couperus terugkeek. Zijn gezicht verscheen in close-up, herinner ik me, en je kon zien dat hij iets zei. Het zal niets bijzonders zijn geweest, maar we zullen het nooit weten, want er zit geen geluid bij het filmpje, dat in mijn herinnering nog geen minuut duurt.

Berusting, ik zei het al. Zijn hoofd werd getekend door een soort ironische gelatenheid. Fonkelende ogen in een afgetrokken, tragisch gelaat: hier stond een man die veel zag en doorzag, maar die zich tegelijk van zijn machteloosheid bewust was. Hij was ziek, hij was moe, hij had zich praktisch doodgewerkt. Er wordt wel gezegd dat het het chronische geldgebrek was dat Couperus dwong zoveel te schrijven, en dat datzelfde geldgebrek hem ook dwong zoveel te reizen in Zuid-Europa, aangezien het leven in kamers en pensions zoveel goedkoper was. Maar die eeuwig nijpende geldnood was slechts een oorzaak die aan de oppervlakte lag: Couperus reisde omdat hij moest reizen en hij schreef omdat hij moest schrijven.

De werkelijke oorzaak lag diep binnenin hem. Het was zijn rusteloosheid die maakte dat hij zich nergens thuis voelde, en het was zijn drang naar een volmaakte, innerlijke staat van rust die de pen in zijn hand in beweging hield, tot aan de dagen voor zijn dood. Zijn hele leven moet Couperus ernaar hebben verlangd niet te bestaan, op te gaan in een zalig en weldadig niets, waarin zijn ziel voor altijd en eeuwig kon antichambreren. Je vindt het steeds weer in zijn werk terug: soms, hooggestemd, noemde hij het nirwana, in een andere, meer wereldse bui waren het gewoon midzomerloomtes, maar steeds weer ging het om een gelukzalige toestand waarin de wereld om hem heen opgeheven leek.

In het dankwoord dat hij na die huldiging in 1923 in de krant zette, gaf hij opnieuw uiting aan dat verlangen, op die bekende half-kokette, half-laconieke toon waarop hij in zijn feuilletons zo vaak zijn intieme ontboezemingen prijsgaf aan zijn lezers: “Het is niet anders, wij behoren aan de geschiedenis, hoe bescheiden misschien ik in de ziel mijner ziel eigenlijk een geheel ander leven had willen leiden dan dat waartoe de onafweerbare machten mij dwongen: een leven van droomen, peinzing, stilte en bezonken liefde, zònder te schrijven (-)”

Onafweerbare machten, daar heb je ze al. Couperus is een twintigste-eeuwse schrijver die vaak negentiende-eeuwse woorden gebruikt, en vanaf onze schooltijd leren we dat zijn schrijverschap verbonden is met het idee van het noodlot. Dat vage begrip wordt wanneer het over Nederlandse schrijvers van de vorige eeuw gaat meestal aan predestinatie en erfelijkheidsleer gekoppeld. Maar Couperus geloofde niet dat onze levens ergens, onzichtbaar voor ons, uitgeschreven klaar liggen en door ons alleen maar keurig volgens het boekje worden uitgeleefd. Als hij daar werkelijk van overtuigd zou zijn geweest, dan kon hij nooit de grote schrijver zijn geworden die hij is. Zijn noodlot is geen trefwoord uit het literaire handboek.

Wat is het dan wel? Ik denk dat het voor hem een soort bezwering was, een troostend etiket voor iets dat in werkelijkheid nauwelijks te benoemen valt. De meeste van Couperus' personages bevinden zich in een voor hen wezensvreemd, bedreigend universum, waar zij geen enkel houvast kunnen vinden. Ze worden geboren, leven en sterven, net zoals alles en iedereen om hen heen, net zoals wij allemaal. Soms worden ze zich bewust dat ze speelbal zijn, maar van wat of wie weten ze niet. De resident Van Oudijck in De stille kracht gaat ten onder omdat hij in Indië plotseling beseft dat zijn rationalistische wereldbeeld niet meer is dan een kaartenhuis, dat hij omringd wordt door een wereld die hij op geen enkele wijze kan doorgronden. Hij is een man zonder verbeeldingskracht, die geen oog heeft voor 'de mystiek der zichtbare dingen' - en dat nekt hem.

Er zijn meer personages in het werk van Couperus die zich terugtrekken uit de wereld. Anderen vluchten in de verbeelding, in de wereld van de kunst; maar ook dat blijkt een wankel houvast. Couperus' eerste grote werk, Eline Vere, is doortrokken van een heftige angst voor een leven zonder illusies, voor de doodse grauwheid van de werkelijkheid. In het Haagse milieu waarin zijn tragische heldin verkeert, wordt ieder droombeeld teniet gedaan, hardhandig afgerekend met elke fantasie. Iedereen blijft wie hij is: al in de eerste scène, waar Eline en haar vrienden optreden in tableaux vivants, tonen de toeschouwers zich op geen enkele manier gevoelig voor de illusie van die verkleedpartij. Ze zien alleen wie wie is. Een metamorfose is onmogelijk. Eline verbindt de nagedachtenis van haar moeder met de 'illuzie-verdrijvende nietigheden des dagelijkschen levens'. Maar niets ontkomt aan die verschrikkelijke nietigheid; de door haar geïdealiseerde bariton Fabrice blijkt in werkelijkheid een onooglijk mannetje te zijn, met geplakte haren, een pokdalige huid en een onderkin. Eline ontsnapt niet en haar wacht uiteindelijk een visioen van de totale leegte.

Ook de jonge Couperus heeft aan dat fatale visioen willen ontsnappen; hij zocht zijn toevlucht tot zijn kunst. Schoonheid, net als noodlot een negentiende-eeuws woord dat wij in het museum van onze geest hebben bijgezet, was voor Couperus een bezield begrip, dat hem een geestelijk houvast bood. De dodelijke werkelijkheid en de allesvernietigende tijd hadden geen greep op de produkten van de verbeelding; tegenover het visioen van de totale zinloosheid stelde hij de tijdloze kunst, de zuivere schoonheid. Het verklaart zijn hang naar proza dat niet anders dan mooi was, naar woorden die alleen maar kunst waren, woorden die boven de alledaagse werkelijkheid zweefden, hoog en ongrijpbaar boven de diepten van de wanhoop.

Des te hoger Couperus steeg, des te moeilijker wij het vinden hem te volgen. De boeken waarin hij iedere herkenbare werkelijkheid nadrukkelijk zijn rug toekeert en zijn heil zoekt in kunstproza of een onwereldse vergeestelijking, laten tegenwoordig vooral een kunstmatige en gewilde indruk achter, met hoeveel bevlogenheid ze ook geschreven zijn. Het zijn boeken die voortkomen uit een diepe innerlijke noodzaak, maar in de meeste van die romans, novellen en verhalen die zich hartstochtelijk met het hogere bezighouden, is die noodzaak zelf meestal niet voelbaar: Couperus' poging te ontsnappen aan zijn vertwijfeling, aan de ondraaglijkheid van wat hij 'het antwoordloze waarom' noemde.

Van zuivere schoonheid kun je niet leven. Couperus was een romancier tegen wil en dank: hij was op z'n best wanneer hij zich uitleefde in reëele personages, in mensen die net als hijzelf deel uitmaakten van een herkenbare sociale wereld. In die romans groeit de spanning tussen de bedreigende, ongrijpbare werkelijkheid en het verlangen van zijn nietige personages aan die werkelijkheid te ontstijgen - door middel van de kunst, door middel van een hooggestemd ideaal, door middel van de liefde - uit tot een universeel drama. Hijzelf was zich daar van bewust. In 1911 schreef hij een mysterieus feuilleton, getiteld Naar Rome en later opgenomen in de verzamelbundels Van en over alles en iedereen, dat veel te raden overlaat en maar nog veel meer onthult. Het begint met de treinreis die hij en zijn vrouw maken van Genua naar Quatro-Torre, het landhuis van zijn Italiaanse vriend Orlando en diens zuster Elettra. Het is somber, druilerig weer; Couperus en zijn vrouw rijden door een grauw, vaal landschap, verstoken van licht en kleur. In hun coupé is Couperus getuige van een bijna nog beklemmender tafereel: een bedillende Duitse professor en zijn jonge vrouw op huwelijksreis. De man bemoeit zich aan een stuk door met zijn vrouw - hoed op, hoed af, Pelzjacke aan, Pelzjacke uit - en kan het bovendien niet laten van ieder station hardop de aankomsttijd te vermelden. Couperus schrijft dat hij het de vrouw zou vergeven wanneer ze er diezelfde avond nog vandoor zou gaan.

Op het station worden ze opgehaald door Orlando en ook op Quatro-Torre is het donker en nat en de stemming bedrukt. Orlando moet dringend naar Smyrna, want de zaken gaan niet goed. Couperus, door Orlando liefkozend 'Gigi' genoemd, probeert zijn vriend moed in te spreken. Dan vraagt Orlando hem mee te gaan Smyrna. Couperus mompelt excuses, zijn vrouw zegt dat wanneer hij wil, het wel zal gaan. Orlando trekt hem mee naar buiten, de vochtige avondlucht in, en ziet niet dat Couperus lakschoenen aanheeft, die langzaam doorweekt raken terwijl Orlando zijn vriend opnieuw probeert over te halen met hem op reis te gaan. Couperus zegt opnieuw dat het niet kan. De beide mannen gaan weer naar binnen en bij het haardvuur, waar de slapende hond Nerone een benauwde droom heeft, is het duidelijk: 'Gigi' zal niet met Orlando meegaan naar Smyrna. Buiten steekt een wind op en de regen klettert tegen de ramen. Binnen in het vertrek, schrijft Couperus, heerst ondanks het haardvuur en de glaasjes grog 'een zachte, intieme melancholie'.

Dat is het hele verhaal. Maar in een laatste, losstaand slotakkoord ontsluit Couperus plotseling een weids vergezicht. 'Wij zijn, kleine, heel kleine zielen, en de dingen van het leven, ons leven, zijn meestal klein, heel klein en heel onbeduidend. Want zij zijn wel eens samen geweven van slecht weêr, natte voeten en... een beetje geld minder en wat zorg om toekomst en wat droefgeestigheid om tijdelijk afscheid. Maar door àl die kleine dingen schemeren de groote dingen, de groote dingen, die toch ook heerschen over onze kleine levens en zij zijn de Schoonheid, de Poëzie en de Vriendschap, de Liefde... En als zij niet àltijd met zich meê voeren de zonnegoud-lachende Vreugde... zullen wij den goden niet toornen... Maar ons vroom schikken in den grauwen weemoed, en dien met een zachte glimlach aanvaarden, als het niet anders kan...'

De mystiek der zichtbare dingen, de grote dingen achter de kleine. Die zachte glimlach waar Couperus over schrijft, is dezelfde berustende glimlach die ik denk gezien te hebben op het gezicht dat me aankeek in dat korte filmpje uit 1923. Hij moet op dat moment ook de grauwe weemoed om zich heen gevoeld hebben, de weemoed van een vreugdeloze huldiging, de weemoed van een lief maar klein huisje en een leven dat ten einde liep. In zijn romans en verhalen had hij onze 'krakende wereld' allang verlaten en blijvend onderdak gevonden in het verleden, vooral in de klassieke oudheid. In zijn laatste roman, Iskander, had hij de wanhopige benauwdheid van Eline Vere bijna kosmische proporties doen aannemen, in de figuur van de van binnen uitgeholde wereldveroveraar Alexander de Grote. Die roman, Couperus's laatste meesterwerk, eindigt met een groot en pijnlijk vraagteken - het antwoordloze waarom.

Wat wij van Couperus hebben is die ene glimlach en zijn boeken, die na lange omzwervingen nu eindelijk onderdak hebben gevonden in de vijftig delen van de Volledige Werken. Zoals het werk van alle goede schrijvers verschaft het ons geen enkel antwoord, biedt het geen enkele oplossing voor onze kleine en grote problemen, geen verlossing van onze twijfels en onze mislukkingen, van het noodlot dat ook onze levens regeert, ook al noemen we het nu toeval. Maar toch, en ook dat is een kenmerk van grote kunst, hebben we het gevoel dat ons leven armoediger zou zijn zonder dit oeuvre, waarin de grote dingen achter de kleine dingen zichtbaar en voelbaar worden gemaakt, met een kracht die je gerust visionair kunt noemen.

Wanneer Couperus in zijn zwervende leven nieuwe kamers betrok, gingen direct na aankomst de hutkoffers open. Dan richtte hij zijn tijdelijke verblijfplaats in met tapijten, replica's van antiquiteiten en persoonlijke snuisterijen, zodat de illusie van een thuis ontstond. Kennelijk betaalde Couperus zich liever blauw aan kruierskosten dan dat hij zijn dagen doorbracht in een kale, onpersoonlijke omgeving. Van die kunstvoorwerpen, van die glimp van het eeuwige in dat o-zo tijdelijke, moet voor hem een troostende werking zijn uitgegaan. Net zo zullen wij, die meestal ook onderweg zijn, zijn boeken steeds weer in onze koffers pakken, hoeveel het er ook zijn en hoe zwaar ze ook zijn. En altijd zullen we een plaatsje voor ze zoeken in de kamers waar we waarschijnlijk maar heel kort zullen blijven.

    • Bas Heijne