Offensief verzekeraars tegen bedrijfspensioenfondsen

Verzekeraars willen een offensief ontketenen tegen de verplicht ingestelde bedrijfspensioenfondsen. Dit blijkt uit een uitgelekte notitie van het Verbond van Verzekeraars. Keuzevrijheid dient bij de pensioenmarkt voorop te staan, zo luidt het credo. Werkgevers moeten zelf kunnen kiezen waar zij hun pensioenregeling onderbrengen en werknemers moeten de pensioenuitkeringen op hun eigen situatie kunnen afstemmen. Het monopolie van bedrijfspensioenfondsen zou hierbij niet meer passen.

Bedrijfspensioenfondsen bieden een pensioenvoorziening voor de werknemers in een bedrijfstak, zoals de metaalindustrie, de bouw of de gezondheidszorg (PGGM). Het deelnemen in een bedrijfspensioenfonds kan voor alle werknemers in een bedrijfstak verplicht worden gesteld op grond van de wet betreffende verplichtstelling van bedrijfspensioenfondsen uit 1949. Zo'n verplichtstelling is vergelijkbaar met het algemeen verbindend verklaren van CAO's.

De gedachte achter de verplichtstellingswet was tweeërlei. De wet had ten doel de mogelijkheid weg te nemen dat werkgevers door het niet geven van pensioen een voorsprong op vakgenoten konden verkrijgen. Concurrentie binnen een bedrijfstak op pensioenterrein werd onwenselijk gevonden. Daarnaast had de verplichtstelling van bedrijfspensioenfondsen een sociaal doel. Daarbij gaat het om de solidariteit die inherent is aan het functioneren van de bedrijfspensioenfondsen. Deze fondsen bieden namelijk een pensioenregeling voor alle werknemers in de bedrijfstak, zonder enige vorm van selectie of medische keuring. Bedrijfspensioenfondsen hanteren gewoonlijk een stelsel van doorsneepremies, waarbij individuele risico's geen rol spelen, en bieden een dekking tegen arbeidsongeschiktheid.

Door de verplichtstelling van bedrijfspensioenfondsen is een uitgebreid netwerk van pensioenregelingen tot stand gekomen. Er zijn nu 66 verplichte bedrijfspensioenfondsen met in totaal ruim 3 miljoen actieve deelnemers en 5 miljoen gewezen deelnemers (slapers en gepensioneerden). Vergeleken met de zevenhonderdduizend actieve deelnemers in ondernemingspensioenfondsen is duidelijk dat de bedrijfspensioenfondsen een belangrijke maatschappelijke betekenis hebben, waarbij de pensioenen van heel veel werknemers zijn veiliggesteld.

Toch is een van de punten van kritiek op het systeem van verplichte bedrijfspensioenfondsen, dat hier sprake is van een maatschappelijk achterhaald fenomeen. Het hangt er maar van af welke invalshoek men kiest. Wil men het primaat leggen bij vrije concurrentie op de pensioenmarkt “gezien de marktbelangen van verzekeraars”, zoals het heet in de vertrouwelijke notitie van het Verbond? Zo ja, dan concludeert men snel tot afschaffing van het systeem van verplichte bedrijfspensioenfondsen.

Alleen concurrentiebeperking lijkt geen stevig argument voor instandhouding van dat systeem. Maar de verplichtstelling van bedrijfspensioenfondsen dient ook een sociaal doel. Of men de solidariteit van bedrijfspensioenfondsen in stand wil houden is uiteindelijk een maatschappelijk/politieke keuze. Daarbij is wel van belang wat kan worden verwacht als verplichte bedrijfspensioenfondsen worden afgeschaft. Allereerst dat de juridische grondslag van de pensioenregeling voor 3 miljoen werknemers wegvalt. Nu hoeft dat misschien niet als probleem ervaren te worden, als via de vrije markt hetzelfde bereikt kan worden als bij verplichte bedrijfspensioenfondsen. Dit nu lijkt onmogelijk.

Het unieke van bedrijfspensioenfondsen is, dat alle werknemers in een bedrijfstak zonder keuring in de pensioenregeling worden opgenomen. Er is een acceptatieplicht van werknemers voor bedrijfspensioenfondsen. Iets soortgelijks is op de vrije markt door verzekeraars niet te realiseren. Verzekeraars kunnen wel - en dat gebeurt ook in de praktijk - zonder keuring alle werknemers van één bepaalde werkgever accepteren. Een voorwaarde is dan dat de werkgever een voldoende omvang heeft. Voor de kleine werkgevers met één of slechts enkele werknemers komt een aselecte toetreding tot een verzekeraar niet voor. Het bijzondere van verplichte bedrijfspensioenfondsen is dat van alle werkgevers in de bedrijfstak de werknemers moeten worden geaccepteerd, ongeacht de grootte van het bedrijf.

Onderzoek van de Pensioenkamer heeft aangetoond dat in sectoren waar geen verplicht bedrijfspensioenfonds geldt, vooral bij de kleine werkgever en werkgevers die niet onder een CAO vallen, geen pensioenregeling tot stand komt. De witte pensioenvlek - werknemers zonder aanvullend pensioen - dreigt zonder de verplichtstelling dus toe te nemen, hetgeen mede tegen de achtergrond van de afkalvende AOW geen aantrekkelijk vooruitzicht is.

Desondanks zouden er argumenten kunnen zijn voor afschaffing van de verplichte bedrijfspensioenfondsen, als er een maatschappelijk onwenselijke beperking van de keuzevrijheid zou zijn of een onaanvaardbaar hoog kostenniveau bij bedrijfspensioenfondsen.

Ten aanzien van de kosten is het in verband met de sociale doelstelling van bedrijfspensioenfondsen niet waarschijnlijk dat verzekeraars goedkoper kunnen werken. De Verzekeringskamer concludeerde in een onderzoek in 1995 dat verzekeraars hogere uitvoeringskosten hebben dan pensioenfondsen, hoewel een gedegen kostenvergelijking ontbreekt. Wat de keuzevrijheid betreft dient men te beseffen dat een verplichtstelling niet eenzijdig door de overheid aan het bedrijfsleven kan worden opgelegd. De verplichtstelling van een bedrijfspensioenfonds kan alleen maar tot stand komen en vervolgens in stand blijven als de sociale partners daarvoor kiezen. De verplichtstellig kan slechts worden uitgesproken door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op grond van een daartoe strekkend verzoek van de sociale partners. Zonder een breed draagvlak in de bedrijfstak kan er derhalve geen bedrijfspensioenfonds bestaan.

Hiernaast staat de keuzevrijheid ten aanzien van de pensioenuitkeringen voor de werknemers, zoals de keuze voor de ingangsdatum van het pensioen of de keuze tussen het ouderdoms- en nabestaandenpensioen. Binnen verplichte bedrijfspensioenfondsen zijn deze opties allemaal te verwezenlijken. Of dat gebeurt hangt ook weer af van de sociale partners, want zij bepalen niet alleen of er een verplichtstelling komt, maar tevens de inhoud van de pensioenregeling. Er mag daarbij worden aangenomen dat de vakorganisaties hierbij voldoende oog zullen hebben voor de wensen van de werknemers op het punt van de keuzevrijheid.

Het bovenstaande laat onverlet dat het ontbreken van keuzevrijheid voor een werkgever soms onnodig bezwarend kan zijn. Vooral in concernverband of bij gemengde bedrijven kan zich de situatie voordoen dat een werkgever voor een deel van zijn personeel bij een bedrijfspensioenfonds is aangesloten en voor een ander deel een pensioenregeling heeft bij een verzekeraar of misschien zelfs in een ander verplicht bedrijfspensioenfonds moet deelnemen. Het nastreven van uniforme arbeidsvoorwaarden en interne overplaatsingen kan hierdoor bemoeilijkt worden. Met dit belang kunnen bedrijfspensioenfondsen rekening houden door het geven van vrijstelling van deelneming in het bedrijfspensioenfonds, zulks uiteraard voor zover het draagvlak van het pensioenfonds dat toelaat. Deze vrijstelling kan reeds op grond van de huidige wet door bedrijfspensioenfondsen gegeven te worden.

Het meer in objectieve normen vastleggen van de vrijstellingsmogelijkheid zou wel eens het ideale evenwicht kunnen bieden tussen enerzijds het sociale werknemersbelang en anderzijds het belang van keuzevrijheid voor werkgevers. Men gaat geen hele verplichtstellingsboom omkappen, als slechts enkele appels niet goed zijn. Een structurering van de vrijstellingsmogelijkheid is vorig jaar ook door de Stichting van de Arbeid voorgesteld. Het wachten is thans op een voor dit voorjaar aangekondigde kabinetsnota over de marktwerking op pensioenterrein.

    • Prof. Dr. E. Lutjens