Miniportretten van beeldhouwers missen passie

Beeldhouwen, zaterdag 10 februari, Ned.3, 17.30u.

Iris le Rütte, beeldhouwster, 35 jaar, legt in het programma Werken aan werk uit hoe ingewikkeld het voor een beeldend kunstenaar is om een boekhouding te voeren. Zij bewaart bijvoorbeeld al haar bonnetjes, 'ook de kleine', voor de belastingen. Al pratend noteert ze bon nummer 208.

Gedurende de eerste tien minuten lijkt het programma te gaan over de vraag: hoe kom ik als beeldend kunstenaar rond? Maar de opzet blijkt toch iets breder te zijn. Aflevering twee van de vierdelige serie bevat 'miniportretten' van de beeldhouwers Le Rütte en Jan Snoeck (68). Beiden leveren regelmatig beelden voor een plek in de openbare ruimte, bij een nieuw gebouw of in een plantsoen.

Le Rütte is oorspronkelijk opgeleid als schilderes. Maar op een dag “is ze heerlijk gaan kleien” vertelt zij, en ze ontdekte dat dit materiaal veel beter bij haar past. Voor opdrachten worden haar kleibeeldjes, dierfiguurtjes of poppetjes met een gouden ei balancerend op de rug, in brons gegoten. Onlangs ontwierp zij voor een woonwijk een bronzen 'Girafje op een sokkeltje'. Een andere opdracht, voor de afdeling mens- en dierfysiologie van de landbouwuniversiteit te Wageningen, was om een beeld te maken waarin mens en dier verenigd zijn. Le Rütte bedacht een hert met mensenbenen. Het moet de mythe van Actaeon, de jager die door de godin Diana in een hert werd veranderd, verbeelden.

De Haagse beeldhouwer Snoeck vervaardigde een groot aantal kleurrijke, metershoge beelden van keramiek die door het hele land heen te vinden zijn. Figuratieve beelden zijn het, in een quasi-primitieve stijl die een mengeling is van Picasso en Niki de St-Phalle. Snoeck omschrijft ze als “een soort fantasiewereld, een beetje dromen.” “Ik merk dat de mensen dat best mooi en prettig vinden, dan denk ik, waarom zou ik daar niet aan mee helpen?” Hij vindt het prettig om te werken met de chamotte-klei en houdt van het proces van glazuren en bakken. Dat is ook wel het minste wat je mag verwachten. Maar wat hem verder beweegt bij het maken van zijn kunst blijft, net als bij le Rütte, duister. Op de opmerking van interviewer Kees Boas dat zijn beelden heel vrolijk zijn reageert Snoeck bijvoorbeeld: “Dat gaat vanzelf (...). Ik hou van kleur”.

Zo kabbelt het programma voort. De uitspraken zijn vaak op het onbenullige af. Het werk van de twee beeldhouwers is, zo moeten we concluderen, volkomen vrijblijvend; naar een inhoud of betekenis hoeven we niet te zoeken. Hiermee dringt zich weer eens de vraag op wat wij in vredesnaam aanmoeten met al die zinloze kunstzinnige plastieken in de openbare ruimte.