Meestervervalser Han van Meegeren in de Kunsthal

Tentoonstelling Han van Meegeren. Van (miskend) kunstenaar tot meestervervalser. Van 10/2 t/m 2/6. De Kunsthal, Westzeedijk 341, Rotterdam. Di t/m za 10-17u, zo 11-17u. Boek (Diederick Kraaijpoel en Harry van Wijnen) ƒ 24,95.

ROTTERDAM, 9 FEBR. Taxichauffeurs, slagers en huisvrouwen: in totaal hebben bijna honderd particulieren uit binnen- en buitenland gereageerd op de oproep die tentoonstellingsorganisator Wim Peibes van de Rotterdamse Kunsthal een jaar geleden in kranten plaatste. Van Meegerens gevraagd. En de Van Meegerens stroomden binnen, in zulke groten getale en sommige van zulke erbarmelijke kwaliteit, dat Peibes niet alle schilderijen kwijt kan en wil op de tentoonstelling die morgen in Rotterdam opent.

Peibes is de tentoonstelling aan het inrichten. Er wordt met kisten gesjouwd, gezaagd, getimmerd, de muren worden met verfrollers rood gemaakt. Veel schilderijen staan nog in plastic tegen de muur, sommige hangen al op hun plaats. Peibes draagt een in hakkerige strepen en felle kleuren geschilderde bijbelvoorstelling weg. Deze Abraham en Izaak is echt te erg, vindt hij, die mag niet op zaal. Toch heeft het schilderij een hoge curiositeitswaarde. Het is geschilderd door Jacques van Meegeren, de zoon van meestervervalser Han van Meegeren die in 1947 na een geruchtmakend proces in gevangenschap stierf. Jacques signeerde het doek als een Han van Meegeren en zette zo de vervalsingspraktijken voort die zijn vader wereldberoemd hadden gemaakt.

Hoe vaak de opzienbarende geschiedenis rond Han van Meegeren en diens vervalsingen ook verteld is, zij tart nog steeds de verbeelding. Een onbeduidend kunstschilder die erin slaagt de hele internationale kunstwereld een loer te draaien en daarmee miljoenen verdient. Toen Van Meegeren tegen de lamp liep in 1945, bezat hij villa's in Nice en Laren, en een statig herenhuis in Amsterdam. Zijn huizen waren gevuld met kunst - echt 17de-eeuws werk en onecht. Onder zijn bed, in kasten en in de tuin lagen koffers vol duizendjes.

Zelf schreef Van Meegeren over zijn drijfveren: “Ik geloofde niet aan de onfeilbaarheid van die kunstexperts en zoo rijpte in mij het plan om (...) die beheerschers van den kunsthandel, die mijn schilderijen welke 'Van Meegeren' gesigneerd waren, zo'n beetje in de derde klas rangschikten, op de proef te stellen.” In 1923 kwamen zijn eerste vervalsingen op de markt: een 'Lachende cavalier' en 'Vergenoegde roker' van Frans Hals. Hoewel de kunsthistoricus C. Hofstede de Groot 'De Lachende cavalier' 'echtte', was niet iedereen gerust. Uitgebreid onderzoek wees al snel uit dat het schilderij een nieuwe kopie was.

De naam van Han van Meegeren werd alleen gefluisterd in dit schandaal, maar bewijzen kon niemand iets. In 1932 verhuisde hij naar Frankrijk. Daar oefende hij zich in het schilderen van glimlichten, zoals Vermeer placht te doen. Hij maakte een studie van kleurtegenstellingen en composities van 17de-eeuwse taferelen. Zo ontstonden tussen 1932 en 1935 vier schilderijen in de trant van Vermeer, Frans Hals en Ter Borch: de Citerspelende Vrouw, de Muzieklezende vrouw - te zien in de Kunsthal -, Malle Babbe en een mansportret.

Maar dit was slechts de prelude tot het echte werk: de grote Vermeer-vervalsingen. In 1936 dook de eerste op in Frankrijk, in 1945 schilderde hij voor de rechtbank zijn laatste. Van Meegeren wist hoe de kunsthistorische wereld ernaar smachtte ooit nog eens een echte Vermeer te ontdekken. De 'sfinx' uit Delft had immers onwaarschijnlijk weinig doeken nagelaten, en tussen die doeken zaten lacunes in stijl. Van Meegeren speelde daarop in, maar ging nu nauwkeuriger te werk dan bij de Frans Halsen uit de jaren twintig. Hij kocht 17de-eeuwse meesters van de tweede garnituur op, schuurde de voorstellingen eraf en ging aan het schilderen. Een Govert Flinck werd een Laatste Avondmaal, een Hondius werd een Christuskop van Vermeer.

De Emmaüsgangers heette Van Meegerens eerste 'Vermeer'. De beroemde kunsthistoricus A. Bredius zag het doek in 1937 in zijn villa in Monaco en raakte na aanvankelijke twijfel dol- en dolenthousiast. Hij spoorde museumdirecteur Dirk Hannema van museum Boymans in Rotterdam aan het doek te kopen voor de voor die tijd ongelooflijk hoge som van 540.000 gulden. In 1938 kwam het 'diep-doorvoelde' doek in Rotterdam aan. Kort daarna werd er een nieuwe 'Vermeer' en 'Pieter de Hoogh' ontdekt, en weer een, en weer. De slachtoffers stonden te trappelen om hun bezit te verrijken.

Het Rijksmuseum en het Groninger Museum kochten 'Vermeers' aan, vermaarde kunsthistorici als Hammacher, Bloch en Friedländer gaven expertises, de rijke Rotterdamse havenbaronnen Van der Vorm en Van Beuningen (die bij het samenstellen van hun kunstverzamelingen door Hannema geleid werden) gingen voor miljoenen guldens het schip in. Een complete massahysterie brak uit. Zelfs toen Van Meegeren het lef had om in 1942 een tekeningenalbum van hemzelf op de markt te brengen waaruit de Vermeer-signatuur van de Emmaüsgangers en Het Laatste Avondmaal duidelijk spreekt, trok niemand conclusies. Ebbinge Wubben, de opvolger van Hannema in museum Boymans, vertelde later daarover: “Iedereen, Hannema en ik incluis, zeiden: moet je eens kijken, wat een brutale vent, die heeft overal De Emmaüsgangers gekopieerd. Overal dezelfde ogen en dezelfde uitgestreken tronies.”

Uiteindelijk is de verkoop in 1943 van De overspelige vrouw van 'Vermeer' aan rijksmaarschalk Hermann Goering Van Meegeren fataal geworden. Het doek verdween naar Karinhall - Goerings landgoed buiten Berlijn - maar keerde na de oorlog terug naar Nederland. Het spoor leidde naar Van Meegeren, die beticht werd van landverraad wegens verkoop aan de Duitsers. Om zijn huid te redden bekende Van Meegeren de Vermeer zelf geschilderd te hebben. Hij bekende ook zijn andere vervalsingen. Het démasqué in de kunstwereld was groot. Wat men voor een onbenullig kunstenaartje had gehouden bleek een duivelskunstenaar te zijn geweest. 'The man who swindled Goering' kreeg een jaar gevangenisstraf, maar stierf al na twee maanden aan een hartaanval.

Het is voor het eerst dat nu een overzichtstentoonstelling met werk van Van Meegeren georganiseerd wordt. En dat is opmerkelijk want Van Meegeren is en blijft een omstreden figuur die door de officiële kunstwereld nog steeds wordt gemeden als de pest. Dat blijkt al uit de onttakelde staat waarin sommige musea hun '17de-eeuwse' Van Meegerens in bruikleen hebben afgestaan. Je ziet scheuren en gaten in het doek, afbladderende verf. De Nederlandse musea hebben hun kostbaar debâcle wel heel letterlijk verdrongen. Wim Peibes van de Kunsthal heeft voor de tentoonstelling in totaal zestien 17de-eeuwse Van Meegerens getraceerd. Elf daarvan hangen in de 'pronkzaal' aan het eind van de tentoonstelling. Drie zijn alleen in reproduktie te zien. Wie nu kijkt, heeft makkelijk praten. Hoe bestaat het dat men toen in deze hologige, houterige figuren met dikke stompe handen een echte Vermeer, Ter Borch of De Hoogh zag?

Het meest curieuze deel van de tentoonstelling omvat de zalen voor de '17de-eeuwers'. Eén wand is gereserveerd voor een 'installatie' van zo'n dertig reprodukties van Van Meegerens beroemde Hertje. Verder grijnzen alle stijlen uit de 20ste-eeuwse kunstgeschiedenis je tegemoet. Expressionisme, realisme, symbolisme, oriëntalisme: het struikelt en valt over elkaar heen. Helaas: Van Meegerens spot is ongekruid, zijn symbolisme is puberaal. In een kerkinterieur herken je een slappe Marius Bauer, in een liggend naakt een sfeerloze Jan Sluijter, in een nachtlokaal een gillend gekleurde George Grosz.

Heel soms duikt tussen dit alles Van Meegeren zelf op: in zijn met zorg geschilderde portretten van vrienden. Maar vooral in de kitscherige landschappen, in het meisje met geit, in de boerderij met visionair tegenlicht. Het is dezelfde mierzoete kitsch die je aantreft in het werk van een jonge kunstenaar als Siert Dallinga. En waarom het werk van Dallinga kunst zou zijn en de kitsch van Van Meegeren niet, dat is de vraag.