Mayhew: vertrouwen in N-Ierland

LONDEN, 9 FEBR. Crisis? Hoezo crisis? Het vredesproces in Noord-Ierland zit al bijna driekwart jaar vast. Groot-Brittannië en Ierland zijn het oneens over de manier waarop die impasse kan worden doorbroken. En intussen laait het geweld in Noord-Ierland langzaam weer op.

Maar de Britse minister voor Noord-Ierland, Sir Patrick Mayhew, wil van geen noodsituatie weten. In een bijeenkomst met buitenlandse journalisten bagatelliseert hij de problemen. Geconfronteerd met de groeiende meningsverschillen tussen Londen en Dublin trekt hij zijn linkerwenkbrauw op en wuift hij laconiek met zijn handen. “Laat deze pudding nog maar rustig even koken. Ik geloof geen moment dat dit proces gedoemd is te mislukken.”

Met zijn officiersmanieren en zijn hete-aardappel-dictie vertegenwoordigt hij bij uitstek het Groot-Brittannië waarvan de meeste Ieren gruwen. Zijn imponerende gestalte dat nog wordt benadrukt door de grijze krijtstreep van zijn maatpak en de minzame vanzelfsprekendheid waarmee hij stellingen poneert. Bij Ieren roepen ze associaties op met de gehate Britse kolonisten die hen eeuwen overheersten. Toch is dit de Britse bewindsman die Ieren en Britten, nationalisten en unionisten in Noord-Ierland, moet zien te verenigen. Sir Patrick Mayhew, diplomaat en ras-politicus.

“Vertrouwen”, zegt hij. “Vertrouwen is nodig om het vredesproces weer vooruit te helpen.” Dat vindt hij de grote verdienste van de internationale commissie onder leiding van de Amerikaanse senator George Mitchell. Deze noemde wederzijds wantrouwen twee weken geleden het belangrijkste obstakel dat de voortgang van het vredesproces belemmert. Het Ierse republikeinse leger wil geen begin met ontwapening te maken omdat de IRA te weinig vertrouwen heeft in een rechtvaardige uitkomst van politiek overleg. Maar zolang die organisatie haar wapens nog niet heeft ingeleverd, weigeren de unionisten te onderhandelen met Sinn Fein, de politieke vleugel van de IRA. Die controverse heeft tot de huidige patstelling geleid.

Volgens Mayhew hebben de unionisten alle reden om de vreedzame bedoelingen van de IRA te wantrouwen. Het Ierse republikeinse leger heeft in het verleden nooit geaarzeld om de wapens te gebruiken; waarom zou de organisatie ze niet opnieuw in stelling brengen? Tenslotte gaat de IRA ook nog steeds door met het in elkaar slaan van vermeende criminelen, “gruweldaden waarvoor in een democratische samenleving geen enkele legitimatie bestaat”, zegt Mayhew. “De bevolking van Noord-Ierland wil niet dat overleg over de politieke toekomst van de provincie plaats vindt onder dreiging van geweld. Ook als je geweren en mortieren niet gebruikt, maar ze achter de hand houdt, beïnvloeden ze het onderhandelingsproces.”

Toch had de internationale commissie gepleit voor een versoepeling van het Britse standpunt. De Britse regering moest haar eis laten varen dat centraal overleg pas kan beginnen als de terroristen een eerste aanzet tot ontwapening hebben gegeven, vond de commissie. Die eis was onrealistisch. Daarvoor was het wantrouwen bij de terroristen te groot. Maar op zijn beurt had het Ierse Republikeinse Leger ook de plicht om het gerechtvaardigde wantrouwen bij de unionisten en de Britten weg te nemen, oordeelde de commissie. De IRA moest zich door het aanvaarden van zes zorgvuldig geformuleerde principes voorgoed conformeren aan het democratisch proces.

Volgens de Ierse regering zou het centraal overleg nog deze maand volgens plan kunnen beginnen, als het de IRA maar aan de voorwaarden voldoet van het Mitchell-rapport. Maar Mayhew zegt dat die aanpak niet werkt, omdat de “stoelen van de unionisten leeg zouden blijven”. Zolang de IRA niet ontwapend heeft, weigeren ze om met Sinn Fein aan een tafel. Daarom vindt hij het voorstel van de Ierse minister van buitenlandse zaken Dick Spring ook voorbarig en onpraktisch om een tweedaagse unilaterale bijeenkomst te beleggen, naar het model van de Bosnië-conferentie. De unionisten komen niet opdagen. “En elk overleg waarbij één van de partijen ontbreekt is vruchteloos.”

Mayhew gelooft dat de langdurige impasse in het Noordierse vredesproces wel kan worden doorbroken door in Noord-Ierland verkiezingen te houden, een plan dat de Britse premier Major twee weken geleden heeft gelanceerd. Dat voorstel komt van de unionisten en Mayhew vindt dat ze daarmee een handreiking hebben gedaan “die niet mag worden onderschat”. Ze zijn bereid om van hun ontwapeningseis af te zien als alle potentiële deelnemers aan centraal overleg laten zien dat ze door een deel van de Noordierse kiezers worden gesteund.

Sinn Fein en de nationalistische SDLP hebben het voorstel voor verkiezingen onmiddellijk verworpen omdat ze bang zijn voor een unionistische valstrik. Maar minzaam wijst Mayhew de suggestie van de hand dat het Britse plan ook voorbarig, onpraktisch, en bovenal kansloos is. Hij is er nog steeds van overtuigd dat over de noodzaak van verkiezingen “brede overeenstemming kan worden bereikt”.

Achter de schermen voeren de Britten en de unionisten vertrouwelijke gesprekken met nationalisten om hun vrees en scepsis weg te nemen. Maar over de inhoud van dat overleg wenst Mayhew niks te zeggen. Hij wil alleen maar kwijt dat “er een redelijke grondslag is voor hoop”. “De meeste vooruitgang bij alle besprekingen worden in stilte geboekt, stapje voor stapje, zonder theater. Dat leidt onvermijdelijk tot een langzaam, soms frustrerend proces.”

    • Dick Wittenberg