Macho-proza van vrouwen

Hollands Maandblad 1996-1. Uitg. Veen, 40 blz. ƒ 9,25.

Ploughshares, Winter 95-96. 220 blz. $ 8,95. 100 Beacon Street, Boston MA 02116-1596.

NWT 1996-1. Uitg. Daedalus/Betapress, 80 blz. ƒ 13,50

Van de pas overleden Russisch-Amerikaanse dichter en essayist Joseph Brodsky verschijnt eerdaags een laatste bundel essays, On Grief and Reason. Het Nieuw Wereldtijdschrift, dat al in een van haar allereerste nummers werk van Brodsky opnam, publiceert een vertaald voorproefje, 'Lof der verveling'. Het is de tekst van een lezing die hij voor een zaal vol kunststudenten voordroeg: “Een aanzienlijk deel van de tijd die nog voor je ligt zal door verveling worden opgeëist.” Hij raadde de studenten aan in geval van verveling volledig op en onder te gaan in dat gevoel. “Want de verveling spreekt de taal van de tijd en leert je de meest waardevolle les van je leven: de les van je totale onbeduidendheid. 'Je bent eindig', vertelt de tijd jou met de stem van de verveling, 'en wat je ook doet is door mijn ogen bekeken futiel'.”

Redacteur Herman de Coninck wil dit nummer een tegenwicht laten zijn voor de onlangs door Germaine Greer (Slip-shod Sybils) geventileerde opvattingen over poëzie van vrouwen, en waarom die zo slecht is. Volgens de scherpgetongde Greer zijn gedichten van vrouwen door de eeuwen heen altijd te mild beoordeeld, en het gebrek aan strengheid veroorzaakte de stroom slechte gedichten die ons is overgeleverd. Met kenmerkend aplomb stelt De Coninck dat het verschil tussen mannen en vrouwen gelegen is in een verschil in denken; machtsdenken versus 'onmachtsdenken'. Twee mannen, Bernard Dewulf en Jan M.Swart, moeten het opnemen tegen drie dichtende vrouwen, Miriam Van Hee, Anne de Sainte Foy en Esther Jansma.

Maar met geen mogelijkheid valt machtsdenken of 'onmachtsdenken' hieruit te distilleren, en gelukkig krijgt evenmin de stelling van Greer voedsel. De mannen dichten meer over meisjes en over hun moeder, de vrouwen eerder over kinderen. En Anne de Sainte Foy over bloemetjes, maar dan wel zo: 'De geile lelie, klinkt goed. / Hoe geiler de lelie, hoe liever de lust. / De geile, de gelie, de lelie.' De Coninck oordeelt: 'een fors, bijna mannelijk debuut'.

Ook Patricia de Martelaere schrijft in haar mooie lange verhaal 'De rode klaver' over bloemen. 'Sommige bloemen ruiken om op te eten, lelietjes van dalen bijvoorbeeld, maar ze zijn giftig. Van geraniums kun je sorbet eten, van paardebloem bestaat jam.' Kinderen, de liefde, huwelijk en overspel, een lelijke baby: 'De rode klaver' is onmiskenbaar van een vrouw. 'Is dat wat we willen? Onze kinderen slaan en bijten en schoppen tot ze blauw en onherkenbaar zijn als foto's in een politiearchief' is een zin van een man, Wim Neetens in het verhaal 'Surrounded Islands' dat gaat over een man en zijn manisch-depressieve volwassen zoon. In 'Een goede moeder' biedt een arme Braziliaanse vrouw haar kind te koop aan, wat de door haar benaderde Hollandse toeristen danig van streek maakt. Het verhaal lijkt absoluut door een vrouw geschreven te zijn, maar het is van Willem Kurstjens. Het blijft toch een meestal vruchteloos en vreugdeloos spelletje, het zoeken naar geslachtskenmerken in literair proza of poëzie.

Volgens de schrijver en Vietnamveteraan Tim O'Brien, gastredacteur van het Amerikaaanse tijdschrift Ploughshares, wordt met het analyseren van literatuur een boek helemaal verprutst. Hij vergelijkt het, niet helemaal als eerste, met het draden trekken uit een mooie doek, waardoor de stof bedorven wordt. “It's the wow that matters, not the how” vindt hij, en koos zijn verhalen uit met uitgeschakeld intellect: “I don't want to think. I want to feel, and keep feeling. Stomach squeezes mind.” Het leverde een reeks verhalen op die niet uitblinken door fijnzinnigheid, maar juist een flinke rechtstreeksheid gemeen hebben. Macho-proza, zou je kunnen zeggen, al werd meer dan de helft door vrouwen geschreven. De meeste voldoening schenkt Joyce Carol Oates met 'Easy Lay', over een lelijk eendje dat zo zielsgraag de mooiste en populairste van de klas wil zijn. Alles doen wat de jongens willen blijkt het devies, en voor alle zekerheid heeft de schrijfster de ironie er dik opgelegd. Je kunt haast geen Amerikaans tijdschrift openslaan zonder Oates tegen te komen; je zou haar er nog van verdenken thuis een legertje leerlingen en gezellen aan het werk te hebben.

Jan Pen geeft in Hollands Maandblad een toelichting op zíjn schrijfdrift. Hij berekende dat hij ongeveer tweederde produceert van wat Geert van Oorschot, toch geen kleintje in de correspondentiekunst, aan brieven heeft geschreven. Pen erkent praatdriftig te zijn, maar schrijven is voor hem een lust. Nu begint hij zich af te vragen wat zijn penvrienden en -vriendinnen met zijn brieven hebben gedaan. Hij hoopt dat zijn 'borende analyses' aan Renate Rubinstein kwijtgeraakt zijn, “daarentegen zijn mijn brieven aan Jan en Kiki Drooglever Fortuyn [Vasalis], trouwe vrienden sinds de jaren vijftig, volledig geschikt om in een boek te worden uitgegeven, maar dat zal niet gebeuren want hun richtlijn is strenge discretie. [-] Dit hele stuk geeft eigenlijk geen pas. Het hoort niet in Hollands Maandblad te worden afgedrukt maar ik heb het nu eenmaal beloofd aan John Peereboom, die bijna net zo dwingend kan opereren als Geert.”

Peereboom zelf draagt een huiveringwekkend koel 'Journaal over mijn dood' bij, en Hugo Brandt Corstius leeft zich uit op Carel Peeters die de vernietigendste maar ook de slechtste kritiek schreef over Leon de Winters Zionoco. Gerard van Emmerik weet zich met verbazend gemak te verplaatsen in de wereld van een bejaard homostel vlak voor hun scheiding.

    • Margot Engelen