Hoop en homerisch gelach

Lévi Weemoedt: Overal wat. Uitg. Contact, 159 blz. Prijs ƒ 24,90.

Het dragende verhaal van de nieuwe bundel van Lévi Weemoedt, 'Overal wat', verscheen ruim vijf jaar geleden in een beperkte oplage als novelle. Nu heet het 'Het nut van Lodesteijn', het besluit de bundel en is ambitieuzer van opzet dan de rest van het boek. Die verhalen zijn te omschrijven als bijeengeharkt gelegenheidswerk; wegwerpproza dat krampachtig probeert licht verteerbaar en tragikomisch te zijn, met in de rol van huilende clown de schrijver zelf. In 'Het nut van Lodesteijn' doet Weemoedt een wat grotere greep.

Het is een vijftig pagina's tellend portret van de werkloze leraar Klassieke Talen Anthony Willem Lodesteijn, die zijn dagen slijt met het bouwen van luchtkastelen, die uiteraard een voor een uit elkaar spatten. In de slotalinea, als Lodesteijn eindelijk zijn studeerkamer - de bouwplaats van zijn dromen - zonder roze bril durft te bekijken, ziet hij hoe mislukt hij is. “Een scholier leefde in die kamer. Een scholier die het gymnasium al had. Een student die al geslaagd was voor zijn doctoraal. Een man leefde in die kamer die zich in alle stilte en devotie voorbereidde op een toekomst die achter hem lag.”

Het is een einde dat Weemoedts heilige drieëenheid - 'eenzaamheid, hoop en homerisch gelach' heet 't in 'Het nut van Lodesteijn' - uitdrukt in een beeld dat beklijft. In die zin is het een mooi slot, van zowel het verhaal als het boek. Maar het komt ook te laat: het is eindelijk een beeld dat beklijft. Naarmate het verhaal vorderde, groeide mijn irritatie over iets, dat in de andere vertellingen van de bundel ook al stoorde. Dat is de de enorme discrepantie tussen wat Lévi Weemoedt telkens pretendeert uit te drukken en wat hij werkelijk uitdrukt.

Over Weemoedts proza hangt een zweem van metafysische doem. Iets als: de mens is belachelijk als hij streeft, er is iets dat hem altijd zal doen mislukken. Maar kijk je goed naar de voorbeelden die Weemoedt aansleept om zijn thema duidelijk te maken, dan zie je dat dat iets bestaat uit louter zure pietluttigheden.

In de kortere verhalen ergert hij zich aan maffe Amerikanen, de Nederlandse belastingdienst, toeristen in Drenthe en die ongezellige computer. Zij staan tussen Weemoedt en de gelukzaligheid. In 'Het nut van Lodesteijn' gaan de luchtkastelen van de hoofdpersoon aan diggelen door tirannieke GAK-ambtenaren, positief discriminerende werkgevers en foute politieke partijen ('Partij van de Auto' - veel dieper kun je als schrijver toch niet zinken).

Mij lijkt het dat dat akelige noodlot waar Weemoedt op doelt, betere instrumenten in huis moet hebben dan dit soort uitgekauwde 'modermismen'. Maar 'Overal wat' is er tot de rand mee gevuld. De huilende clown is een beetje een zeurpiet in disguise en daar worden zijn verhalen niet beter van.