Gevangen in vier, vijf straten; Het Middeneuropese familie-isolement van Rogi Wieg

Zijn Hongaarse grootvader werd in 1944 door de Duitsers gedeporteerd, zijn ouders vluchtten in 1965 uit Hongarije naar Amsterdam-Zuid. Tot zijn vijfde sprak schrijver Rogi Wieg Hongaars. Het spookbeeld van de vervolging tekende zijn jeugd. “Het was alsof ik met een tijdmachine uit de periode voor de Tweede Wereldoorlog hiernaartoe was overgezet. Alsof ze me hier hadden neergepleurd en zeiden: ga jij maar boeken schrijven.”

Van Rogi Wieg zijn verkrijgbaar de dichtbundels 'Toverdraad van dagverdrijf', 'De zee heeft geen manieren', 'Roze brieven', 'Sneeuwvlok' en 'Spek van mooie zijde', de roman 'De moederminnaar', de novelle 'Beminde onrust', en de verhalenbundels 'Sinds gisteren zijn twee dagen verstreken' en 'Souffleurs van de duivel.' Alle uitgegeven door Van Oorschot.

In veel verhalen van de schrijver en dichter Rogi Wieg (33) komt een zelfde hoofdpersoon voor. Steeds gaat het, in de vier prozaboeken die hij tot nu toe heeft gepubliceerd, twee verhalenbundels, een novelle en een roman, weer over een jongeman wiens ouders uit een Oosteuropees land naar Nederland zijn gekomen. Hij probeert daar volwassen te worden, een relatie aan te gaan, maar het gaat hem niet goed af. Aan zijn vriendinnen klampt hij zich vast zodat zij zich beklemd gaan voelen, waarna hem weinig anders overblijft dan de blik naar binnen te richten. Hij haalt verhalen op over zijn familie, de vlucht van zijn ouders, en over de tijd daarvoor, toen zijn grootvader door de Duitsers werd weggehaald. Hij beseft dat hij alleen om aan zijn groeiende onrust zal kunnen ontkomen, door zijn situatie in te zien en te accepteren.

Wie gewend is aan het uitbundige karakter van hedendaagse schrijvers als Joost Zwagerman of Ronald Giphart, zal tegen dit naar binnen gekeerde werk van Rogi Wieg aanvankelijk misschien wat vreemd aankijken. Binnen de Nederlandse literatuur zijn schrijvers als hij zeldzaam. Je zou hem misschien moeten plaatsen tussen schrijvers als Jan Arends en Wiegs vroegere buurtgenoot en vriend Arnon Grunberg. Net als zij bedient hij zich in zijn verhalen van een weloverwogen, kaal proza dat in recensies graag 'onopgesmukt' wordt genoemd. Hij kan soms zinnen schrijven die niet langer zijn dan één regel, maar die desondanks meer uitrichten dan andere schrijvers in een halve bladzijde weten te bereiken. Wieg kan zijn hoofdpersoon bijvoorbeeld laten denken: 'Ik heb last van gedachten'. Dat wil zeggen dat hij denkt, maar tegelijk last heeft van dat denken. Hij kan worstelen met het onoplosbare dilemma: 'Ik weet niet of ik hard ben geboren of hard ben gemaakt'. Of hij huldigt de opvatting: 'Over moppen mag je geen grappen maken. Humor is een serieuze zaak, net als slechtheid.'

Dergelijke zinnen zijn komisch en wanhopig tegelijk. Wiegs werk straalt ondanks zijn humor dan ook een grote verlatenheid uit. Volgens de schrijver zijn het eigenlijk heel destructieve mensen die hij beschrijft. “In mijn boeken bouwt nooit iemand iets op. En mijn personages weten ook dat ze niets opbouwen. In dat besef zitten ze gevangen.”

Het opvallendste verschil met een schrijver als Grunberg, die hij destijds bij zijn eerste schreden op het pad van de literatuur heeft begeleid, is dat er bij Wieg ook nog eens heel weinig handeling is. Zijn personages zijn niet alleen geremd, ze leven daarbij uiterst terughoudend. Ze zullen niet gauw hun toevlucht zoeken in drinkgelagen of bordelen, zoals de figuren van Grunberg. Ze blijven het liefste in hun eigen vertrouwde omgeving, tussen mensen die ze goed kennen, zodat ze zich kunnen wapenen tegen hun wanen. Dat geeft het werk soms een atmosfeer die doet denken aan sommige Middeneuropese joodse literatuur uit de jaren dertig. Bij het lezen van Wieg waan je je nu eens in het stadje van Bruno Schulz, wiens angstige hallucinerende hoofdpersoon eigenlijk net zo opgesloten zit in het kleine kringetje van zijn familie. Dan weer lijkt het of je in de wereld van Kafka bent terecht gekomen.

“Er wordt in mijn verhalen misschien wel eens wat ondernomen,” zegt Wieg, “maar ik zal dat nooit uitvoerig beschrijven. Ik zal ook nooit erotische of liefdesscènes in mijn werk opnemen, zoals Joost Zwagerman en eigenlijk alle andere schrijvers. Met een vrouw langs het strand lopen, hand in hand, of bedrog binnen een verhouding, dat vind ik zo flauw. Het interesseert me helemaal niets. Als je dan toch verhoudingen beschrijft, vind ik het veel belangrijker om te laten zien hoe je de talenten die je bij iemand anders aantreft kunt stimuleren, hoe je kunt uitvinden wat een ander van je vindt, of hoe je elkaar kunt beïnvloeden.”

Chemische chaos

Wieg zegt dat hij bij voorkeur schrijft over mensen zonder ambities. “Ze zijn wat ze zijn. Ze overwegen wel eens stappen te nemen, maar uiteindelijk nemen ze die nooit. Ze zijn in zichzelf gekeerd, hebben geen grote liefdes of grote passies. Het zijn machines, die niet goed zijn afgesteld, niet goed draaien. Het enige wat ze hebben is een groot zelfbewustzijn. Misschien moet je, om dat te hebben, je camera's naar buiten ook wel uitzetten.”

Ook in Wiegs nieuwe, vorige week verschenen bundel Souffleurs van de duivel komen weer verhalen voor die teruggaan op het hiervoor geschetste patroon. In het openingsverhaal vertelt een vrijzinnige joodse jongen wiens ouders uit een stad in het Oostblok komen dat zijn orthodoxe vriendin het heeft uitgemaakt. Hij weet niet hoe hij dat moet weergeven en probeert verschillende versies uit. Hij beschrijft zichzelf als 'een sombere, woedende man met te veel energie' die gebukt gaat onder besluiteloosheid. 'Ik was een slappe staatsburger: verzorgd en gevoed, ik was een werkeloze Donald Duck, een chemische chaos, bang om verlaten te worden, bang voor neerslachtigheid, bang voor mijn eigen woede, bang om alleen te zijn.'

Wieg gelooft dat al dit soort personages tot op grote hoogte transformaties zijn van hemzelf. Dat verklaart volgens hem waarom ze vaak zo sterk op elkaar lijken. “Bij mij verwijst alles naar elkaar. Ik ben zelf net als mijn personages. Het zijn mensen die in vervelende omstandigheden zitten en zich afvragen in hoeverre ze daarvoor zelf verantwoordelijk zijn. Eén van de manieren waarop ze zich overeind weten te houden is door een soort lichtheid, een gevoel voor humor. Het zijn heel complexe mensen, maar ze weten zichzelf te relativeren. Daardoor kunnen ze voort.”

Een beproefd middel waarmee de personages hun lot weten te relativeren is de redenering. Als ze van de kaart raken, kunnen ze de chaos in hun hoofd met berekeningen en systemen weer enigszins in bedwang krijgen. Problemen worden samengevat in stellingen. Of er wordt een reeks logisch samenhangende verbanden opgesteld. In het verhaal 'Een oefening in doorgronding' uit de nieuwe bundel gaat de hoofdpersoon bijvoorbeeld op zoek naar de rol van het toeval in zijn bestaan. Uiteindelijk vindt hij dan steun in de de wetten van quantummechanica.

Deze verwijzing naar de wereld van de exacte wetenschappen vormt een van de interessantste aspecten van Wiegs werk. Hij plaatst zich daarmee in een traditie van veelal Duitstalige schrijvers die dachten het menselijke lot met formules te kunnen vatten. Vier jaar geleden heeft hij een lang gedicht Sneeuwvlok geschreven dat gebaseerd was op de zogeheten Kromme van Koch. Deze kromme heeft de eigenschap dat hij een eindig gebied omvat, in de vorm van een sneeuwkristal, maar zelf oneindig lang is. In het 25 bladzijden lange gedicht past Wieg dit idee, van oneindigheid in eindigheid, toe op het menselijk leven. Ook het leven is volgens hem immers eindig, ingeklemd tussen de geboorte en het sterven, terwijl het aantal gedachten en emoties dat een mens in de tijd die hem is toegemeten hebben kan, oneindig groot is.

Olifant

Rogi Wiegs wereldbeschouwing is terug te voeren op zijn persoonlijke geschiedenis. In de in 1994 verschenen bundel De olifant & het joodse probleem, waarin jonge joodse schrijvers over hun achtergrond schrijven, heeft hij al voorzichtig aangegeven hoe deze achtergrond eruit ziet. Hij beschrijft daar in een aantal korte fragmenten hoe zijn Hongaarse grootvader in 1944 door de Duitsers werd gedeporteerd, en hoe hij zelf in de jaren zestig en zeventig met het schrikbeeld van vervolging is grootgebracht. Bij Wieg thuis heerste altijd angst en wantrouwen, 'een mengsel tussen warmte en paniek.'

In zijn prozadebuut Beminde onrust uit 1990 is dat beeld in fictieve vorm terug te vinden. De moeder zegt daar tegen haar zoon: 'Eens zullen er opnieuw mannen komen om onschuldige mensen op te halen. Je mag daarom nooit vertellen wie je bent (-) Je moet je aanpassen, neem altijd maar de kleur aan van je omgeving.'

Wieg vertelt hoe hij in 1965 in Amsterdam-Zuid is komen wonen, in de Stadionbuurt, een paar straten van zijn huidige woning. Het is een vergrijsde, rustige buurt, gebouwd in de jaren dertig en vanaf het allereerste begin bevolkt door veel Duitse emigranten. Zijn ouders, Hongaarse joden, moeten er zijn terechtgekomen nadat ze door de jodenvervolgingen en het stalinisme in hun land waren gemangeld. Een groot deel van Wiegs jeugd, en eigenlijk ook van zijn volwassenheid, is met verhalen over hun belevenissen bekleed. Tot zijn vijfde sprak hij alleen maar Hongaars, wat het contact met anderen natuurlijk niet bevorderde, en ook daarna bleef hij naar zijn gevoel onderdeel uitmaken van een afgesloten Midden-Europese cultuur die bij hem thuis bestond: “Het was alsof ik met een tijdmachine uit de periode voor de Tweede Wereldoorlog hiernaartoe was overgezet. Alsof ze me hier hadden neergepleurd en zeiden: ga jij maar boeken schrijven.”

Wieg werd opgevoed met veel klassieke muziek, poëzie en exacte wetenschap, “alles wat hoorde bij de Weimar-cultuur.” De termen die met die onderwerpen verbonden zijn, vlogen bij hem thuis over tafel. Hij noemt het een typische emigrantencultuur. “Iedereen blijft bij elkaar, houdt zich aan elkaar vast en vormt zo een klein getto.”

Wieg gelooft dat het deze sfeer is die zijn schrijven zijn uitzonderlijke karakter geeft. “Het moet zitten in het woordgebruik, een bepaalde manier van kijken en denken, de filosofie, maar ook in het geslotene en het jodendom. Ik ben van jongsafaan geïnfiltreerd met verhalen daarover.”

Hij vertelt hoe hij een paar keer heeft geprobeerd om zich, net als veel van zijn leeftijdgenoten, aan deze atmosfeer te onttrekken. Het liep steevast op niets uit. Steeds weer kwam hij terug in zijn oude buurt, en dat was steeds weer een verademing. “Ik heb hier veel herinneringen die blauwe plekken zijn, maar kennelijk zit ik in deze vier of vijf straten rondom mijn ouderlijk huis gevangen.”

In zijn boeken proberen zijn personages zich uit het isolement van hun familie los te maken. Maar hun lukt het evenmin. In het slotverhaal 'Een gelukkig mens' uit zijn eerste bundel Sinds gisteren zijn twee dagen verstreken heeft een man een niet joodse, blonde vrouw ontmoet van wie hij hoopt dat ze hem verlossen kan van zijn trauma's. Hij ligt naast haar in een kleine slaapkamer, 'als hij wil mag hij zijn lichaam op dat van haar leggen'. Maar hij voelt zich als een ruimtereiziger, die zijn eerste stappen zet op een andere planeet. 'Hij beseft: als ik van deze vrouw houd en zij van mij, scheppen we een band met elkaar die los staat van haar en mijn verleden.'

Alfa en bèta

Rogi Wieg heeft in de tien jaar dat hij publiceert zo langzamerhand al 'een lange mars' achter de rug door de Nederlandse literatuur. Eind van dit jaar wil hij een groot essay publiceren Wie is zo lief als een dichter?, waarin hij op die periode terugkijkt. Hij is zijn loopbaan begonnen als dichter. Hij debuteerde in 1986, op 24-jarige leeftijd, bij Van Oorschot met de bundel Toverdraad van dagverdrijf. Het was meteen een groot succes. De bundel kreeg de Van der Hoogtprijs en moest snel worden herdrukt.

Wieg denkt nu dat zijn eerste bundel onder meer zo'n succes was omdat hij temidden van de vele hermetische dichters van de Revisorschool eindelijk een wat toegankelijker geluid liet horen. “Mijn gedichten waren ritmisch, klankrijk, en er zat een bepaalde cadans in. Ze waren sterk geïnspireerd door muziek en ze bevatten zinswendingen en associaties die on-Hollands waren. En ze waren niet ik-gericht. Dat was in die tijd waarschijnlijk verrassend.”

Daarna werd de respons op zijn werk echter minder. Bundels werden niet meer besproken of ronduit negatief ontvangen. Wat in zijn eerste poëzie nog zo geprezen werd, had later misschien algemeen ingang gevonden.

Zelf kan Rogi Wieg zich niet aan de indruk onttrekken dat de negatieve reacties op zijn latere werk beïnvloed zijn door wat hij in interviews over zijn ziekte heeft prijsgegeven. De schrijver lijdt sinds zijn zestiende aan het OCD-syndroom, wat staat voor Obsessive Compulsive Disorder. Het is een ziekte die onder meer leidt tot dwangvoorstellingen en depressies. Dat heeft natuurlijk zijn werk beïnvloed. “Ik word vaak beheerst door demonen, door spookbeelden. In mijn hoofd vinden soms ontladingen plaats die ik niet zou willen hebben. Ik denk en voel dingen die ik niet wil denken en voelen en die dringen in mijn werk door, maar ik geloof dat ik ondanks en niet dankzij mijn ziekte heb kunnen schrijven.” Wieg beseft dat het rigide karakter van sommige van zijn figuren bepaald kan zijn door zijn manier van denken, de waanvoorstellingen in zijn boeken zijn zijn eigen waanvoorstellingen. Maar hij vindt niet dat dit zijn werk kwaad doet. Integendeel. Door zijn ziekte is hij, meent hij, de dingen juist scherper gaan zien. “Ik ben gaan nadenken over de geest van mensen. Daardoor zijn hun handelingen voor mij ook niet zo belangrijk meer. Het gaat mij er meer om hoe ze zijn. Door mijn obsessies ben ik me gaan afvragen in hoeverre deze obsessies bij me horen en in hoeverre ze een gevolg zijn van mijn ziekte. Ik vraag me af wie ik ben, ik ben mijn eigen laboratorium, en dat is het meest wezenlijke wat er in de literatuur is.”

Met ingang van het volgende nummer treedt Wieg toe tot de redactie van het illustere literaire tijdschrift Tirade. Hij hoopt daar samen met Toine Moerbeek en George Moorman een nieuwe wind te kunnen laten waaien. Hoe de nieuwe koers er precies uit zal zien is nog geheim, het eerste nummer verschijnt over een week, maar Wieg wil al wel verklappen dat er meer dan tot nu toe aandacht zal worden besteed aan het beeldende aspect van de kunst. Ook zal er in de traditie van Tirade weer meer aan politiek worden gedaan.

Zelf wil hij vooral proberen de integratie tussen alfa- en bètawetenschappen in het blad te bevorderen. Voor het tweede nummer heeft hij al een hoogleraar in de natuurkunde uitgenodigd. Hij hoopt zo de bèta's wat meer bij de literatuur te betrekken en de alfa's onder de lezers wat meer voor de exacte kant van het bestaan te interesseren.

In Souffleurs van de duivel zegt de hoofdpersoon over de fysica: 'Ik geloof dat in deze vakken veel boeiender dingen gebeuren dan bijvoorbeeld in de kunst. In de exacte vakken worden zaken verklaard en over deze verklaringen kan ik me verbazen. Verbazing en kunst zijn het beste antwoord op verveling. En verbazing en kennis geven je troost als je alleen bent.'

    • Reinjan Mulder