Geen Beatles en nauwelijks nog Bob Dylan; Prettig eenvoudige taal in puberteitsroman

Liesje Schreuders: Aan de wilde kant. Uitg. Nijgh & Van Ditmar. 159 blz. Prijs ƒ 24,90.

Het debuut van Liesje Schreuders (1979) is een typische puberteitsroman. Aan de wilde kant gaat over een meisje van veertien dat zich tussen wal en schip bevindt. De wal wordt gevormd door haar ouders, van wie zij zich 'mijlenver' verwijderd voelt. En het schip is de rest van de wereld, waar zij al evenmin bijhoort. 'Wie stond er aan mijn kant?' is de existentiële vraag waarmee het boek eindigt.

Dat de schrijfster ervan erg jong is, valt niet aan elke bladzijde af te lezen. Haar woordkeuze is niet zozeer simpel, alswel prettig eenvoudig. Haar toon is niet kinderlijk, maar nuchter, en hier en daar droogkomisch. De geschiedenis van haar hoofdpersoon, Anna-Lena, is geïnspireerd door haar eigen ervaringen, maar dat maakt die geschiedenis niet tot een uitsluitend particuliere aangelegenheid. Het is knap hoe zij aan het autobiografische een vleug universaliteit heeft weten te verlenen. Haar alter ego staart zich niet blind op zichzelf, maar kijkt om zich heen en stelt haar wereldbeeld steeds bij. Een verstandig en sympathiek meisje wordt hier ten tonele gevoerd, dat niet gauw in zeven sloten tegelijk zal lopen. De titel van de roman zegt dan ook meer over de mensen om haar heen (ex-communisten, journalisten, studenten, krakers), dan over haarzelf.

Een wonder van compositie is Aan de wilde kant intussen niet, en dat heeft, denk ik, wèl iets met leeftijd te maken. Er ligt een grote gevoelsverwarring aan ten grondslag, die het voor de lezer niet gemakkelijk maakt om de belevenissen van Anna-Lena op juiste waarde te schatten. Naïveteit en wereldwijsheid, ironie en wanhoop, grootsteedsheid en provincialisme strijden hier om de voorrang. Zo wordt Amsterdam ('waar het allemaal gebeurde') de ene keer bespot omdat andere mensen er het centrum van de wereld in zien, terwijl het de andere keer extatisch bejubeld wordt door de heldin, als zij terugkeert van een uitstapje naar het verre Utrecht. In dat verre Utrecht woont neef Frederik. Of hij, in de ogen van Anna-Lena, een verwende student is, een oppervlakkige kletskous, dan wel een respectabele figuur met een oorspronkelijke geest zou ik niet durven zeggen. Ook vader Ilja, ex-CPN-lid, is geen helder omlijnd personage. Hij schijnt nogal te tobben met het leven en met zijn verleden, maar produceert desondanks, net als pleegmoeder Marjan, de ene film na de andere. Anna-Lena is nu eens verdrietig, dan weer boos. Op haar ouders vooral, die haar hebben opgevoed met politieke idealen die inmiddels achterhaald zijn. Maar hoewel de Partij (met hoofdletter) allang niet meer bestaat, wordt haar blik op de wereld er nog steeds door bepaald. Als zij intrekt bij een stel krakers, die het zichzelf niet al te moeilijk maken, dan stuit zij al snel op verschillen. 'Zij noemden hun manier van leven anarchisme, maar ik, die mijn vaders lessen over Domela Nieuwenhuis en Recht voor Allen had onthouden, noemde het asociaal. Zij vonden zichzelf cool, ik vond ze cynisch.'

In Aan de wilde kant zien we een jong meisje worstelen met het verleden van haar ouders en met het heden van haar leeftijdsgenoten. Jeugdig en onbezonnen is het debuut van Liesje Schreuders niet, maar bij alle vroegwijsheid ervan heeft het wel iets onbedorvens. Aandoenlijk oprecht klinkt de vraag waar je tegenwoordig nog voor of tegen moet zijn. 'Er waren geen revoluties meer, geen aanplakbiljettten in fel rood of geel, geen jonge, progressieve hoofdredacteuren. (-) Er waren geen Beatles, nauwelijks Bob Dylan, geen blote meisjes in de vijver van het Vondelpark, geen denderende mensenmassa's en toespraken van vurige linkse mensen. Zielig waren de vurige linkse mensen anno nu. Er was aids en er was XTC. Er was maar weinig keus.'

    • Janet Luis